De onheilspellendste plek van Saoedi-Arabië

Awamiya: Het minst bevoorrechte oord van het vorstendom

Nergens anders dan in Awamiya, een kleine stad aan de oostkust, is zo goed op te snuiven dat de sjiieten een achtergestelde minderheid vormen.

In Teheran betogen Iraanse vrouwen tegen de executie van de sjiitische leider Nimr al-Nimr door Saoedi-Arabië. Iran wordt ervan beschuldigd de sjiitische minderheid in het oosten van Saoedi-Arabië op te stoken. Beeld AP

De onheilspellendste plek van Saoedi-Arabië. Het is doodstil rond het politiebureau van Awamiya, een kleine stad aan de oostkust. Alle straten zijn met hekken afgesloten, in zo'n ruime cirkel dat het gebouw niet te zien is. De woonhuizen binnen de ijzeren ring zijn verlaten. Achter de hekken staan zwarte tanks, zwijgzaam en dreigend.

'We kunnen niet te dichtbij komen, ze schieten meteen', zegt Mohammed al-Nimr, de 53-jarige man die mij rondleidt door zijn stad. Hij wijst naar een blinde muur vol kogelgaten. 'Dat doet de politie om de mensen schrik aan te jagen.'

Hij draait zijn stuur naar rechts, om weer zo'n hek te vermijden. 'De politie komt alleen in pantserwagens de wijk in, om demonstraties uiteen te jagen. Verder zie je ze nooit. Soms schieten jongeren terug. Dat keuren wij af.'

Een afgebladderde stad

Eenmaal uit het vizier van de tanks herneemt zich het brave, alledaagse leven. 'De regering schildert Awamiya af als een plek vol misdaad en drugs', zegt Al-Nimr. 'Maar kijk eens om je heen: niets aan de hand toch?'

Awamiya oogt niettemin naar zijn imago: het minst bevoorrechte oord van Saoedi-Arabië. Een afgebladderde stad. De werkloosheid onder jongeren is er groter dan elders. Nergens anders is zo goed op te snuiven dat sjiieten een achtergestelde minderheid vormen.

Honderd meter buiten de bebouwde kom wijst Al-Nimr op een buis in het zand langs de weg. De pijpleiding van Aramco, het staatsoliebedrijf. 'Als de mensen problemen zouden willen, zouden ze zo de pijpleiding kunnen vernielen. Dat doen ze niet. Ze zijn alleen bedroefd. Ze weten dat de olie onder hun voeten stroomt, maar zelf merken ze niets van de rijkdom.'

De boosheid van Awamiya wordt belichaamd door één persoon: sjeik Nimr al-Nimr, de broer van mijn gids Mohammed. Door graffiti omlijste posters met het portret van de geestelijke hangen aan muren en lantaarnpalen: witte tulband, melkboerenhondenbaard, een scherp, mager gezicht. Hij is van hier, zijn Imam al-Hussein-moskee staat midden in de wijk. De sjiieten van Awamiya vereren Al-Nimr als de ware vertegenwoordiger van het vernederde sjiitische volksdeel.

'Je hebt gelogen'

Maar daar denken velen in Saoedi-Arabië bepaald anders over. Als ik 's avonds terugkeer in mijn hotel in Dammam, de 25 kilometer zuidelijk gelegen hoofdstad van de Oostelijke Provincie, zitten drie beambten van het ministerie van Informatie me op te wachten. De gezichten staan op onweer.

'We weten waar je geweest bent', zegt Raaef, een jonge man met een afgetraind lijf, bestraffend. 'Het ministerie is laaiend. Je hebt gelogen. Je had ons verteld dat je Aramco wilde bezoeken.'

Gelogen? Die beschuldiging weet ik makkelijk te pareren. Het ministerie zelf heeft onwaarheid gesproken met de belofte van alles voor me te zullen regelen, maar uiteindelijk niets te doen. En verzwijgen dat ik naar Awamiya zou gaan, is geen liegen.

Toegegeven, het ministerie van Informatie zit me tijdens mijn verblijf in Saoedi-Arabië veel minder op de huid dan gevreesd. Ik kan mijn gang gaan. Maar Awamiya, dat is een ander verhaal. Daar heeft men liever geen pottenkijkers. Kennelijk valt er iets te verbergen.

Systematische achterstelling

Wat? Dat is een verhaal van systematische achterstelling van een religieuze minderheid (10 tot 15 procent van de bevolking, van wie de meesten in het oosten wonen) in een exclusief soennitische staat. 'De opstandigheid in de Oostelijke Provincie', schrijft Frederic Wehrey van de denktank Carnegie Endowment for International Peace, 'komt voort uit sektarische discriminatie, economische verwaarlozing en politieke marginalisering.'

Sjiieten zijn ondervertegenwoordigd in de rechterlijke macht, het leger en gevoelige ministeries, en zelfs in het lokaal bestuur in het oosten. In de sjiitische stad Qatif en haar voorsteden Awamiya en Safwa zijn vrijwel alle politieagenten soenniet, en wie hoofdonderwijzer wil worden kan maar beter geen sjiiet zijn.

Dag van Woede

De onvrede in de Oostelijke Provincie is echter niet louter sektarisch. In maart 2011, aangestoken door de Arabische Lente, kondigden activisten in het oosten én in soennitische steden een Dag van Woede aan. Dissidenten uit beide geloofsgroepen sloegen de handen ineen. Zij eisten een grondwet, naleving van mensenrechten en een eind aan de corruptie. 'Het zou verkeerd zijn', aldus Wehrey, 'het verzet in de Oostelijke Provincie te interpreteren als een puur lokale of sjiitische kwestie.'

Eerder is het zo dat de sjiieten, in hun positie van buitenbeentje, een zekere eigenwijsheid cultiveren en beter in staat zijn democratische eisen te formuleren en kracht bij te zetten. Ze zijn ongehoorzamer dan de soennieten, maar omgekeerd duldt de regering van hen meer rebellie dan van soennieten.

Eén moedige betoger

De Dag van de Woede werd een zeperd. In de hoofdstad Riyad kwam welgeteld één moedige betoger opdagen. In het oosten schoten de sjiitische betogers alsnog in de sektarische modus, vooral nadat Saoedische troepen buurland Bahrein waren binnengetrokken om een sjiitische opstand neer te slaan. Eendracht binnen de oppositie was weer ver te zoeken.

De sjiitische beweging zelf kent een forse generatiekloof. Aan de ene kant de Islahiyyin, oudere hervormers die jarenlang hebben geprobeerd het centrale gezag in Riyad te overtuigen. Aan de andere kant ongeduldige jongeren, geïnspireerd door sjeik Al-Nimr.

Steeds onverzoenlijker werden vanaf 2009 diens preken. Hij dreigde met afscheiding van het oosten en sprak in 2012 de hoop uit dat de koninklijke familie zich spoedig zou melden aan de hemelpoort. Daarmee ging hij te ver. Hij werd aangeklaagd wegens oproepen tot gewapend verzet (wat hij nooit had gedaan) en ter dood veroordeeld. Nieuw voedsel voor de woede van de jongeren.

Moedeloos

Activist Jafar Al-Shayeb ziet het met lede ogen aan. De 54-jarige econoom straalt een zekere moedeloosheid uit. Jarenlang kwam hij met petities op voor de rechten van sjiieten. Hij was tot 2011 voorzitter van de gemeenteraad van Qatif, wekelijks organiseert hij thuis zijn cultureel forum Thulatha, 'om een sfeer van dialoog en debat te creëren'.

Sinds 2011 is de sfeer alleen maar verhard, zegt hij. De autoriteiten treden strenger op dan ooit, veel mensenrechtenactivisten zitten achter tralies en de achterstelling van sjiieten ziekt voort. 'Weinigen worden benoemd op hoge posities. Geen minister. Geen ambassadeur. Geen rector van een universiteit.'

Onzin, zegt gouverneur (en soenniet) Khalid al-Sufyan in zijn ruime kantoor, waar een vitrine met een gouden schip een ereplaats heeft. 'De overheid maakt geen enkel onderscheid. Hardwerkende sjiieten kunnen alles bereiken. Neem Amin al-Nasr, topman van Aramco. Een sjiiet!'

Complotten

Criminelen bestaan nu eenmaal overal, zegt hij, 'vooral in Awamiya'. En degenen 'met bloed aan hun handen' verdienen straf. Sjeik Al-Nimr probeerde de mensen op te stoken 'op instigatie van krachten met een buitenlandse agenda'. Bedoelt hij Iran? 'Inderdaad. Alle problemen hier komen door Iran.'

Dat is het bekende refrein van het regime in Riyad: Teheran stookt de Saoedische sjiieten op. Niet waar, volgens Carnegie-expert Wehrey. Met buitenlandse complotten valt de toestand in de Oostelijke Provincie niet te verklaren. De bevolking voelt zich zeker niet loyaal aan het sjiitische buurland. Maar die Iraanse 'demonisering' van de maatschappelijke onvrede kan, zo waarschuwt hij, wel degelijk een self-fulfilling prophecy worden.

De gouverneur heeft vijf sjiitische burgers opgetrommeld om hun visie te geven. Een dichter, een journalist, drie zakenlieden. Oudere heren die - zo op het oog oprecht - vertellen dat van discriminatie door de overheid geen sprake is ('het zijn stammen die elkaar de bal toespelen'), dat Iran hier aan het wroeten is en dat hooguit 15 procent van de bevolking de radicale betogers steunt. 'Soennieten en sjiieten hebben altijd lief en leed gedeeld', zegt dichter Jihad Abdullah al-Knezi.

Haatzaaierij

Intussen heeft zich een nieuwe speler gemeld in de onfortuinlijke provincie: Islamitische Staat. Bij een reeks bomaanslagen, vooral op sjiitische gebedshuizen, kwamen sinds vorig jaar tientallen burgers om het leven.

In Safwa wijst mensenrechtenactiviste Nassima al-Sada me op de iconen van deze nieuwe geweldsgolf: portretten van 'martelaren', geschilderd op de leverkleurige muur van de begraafplaats. IS heeft ongetwijfeld de bedoeling soennieten en sjiieten tegen elkaar op te zetten, maar de aanslagen hebben ook een omgekeerd effect: soennieten betuigden bij de massale uitvaarten hun leedwezen.

'Het heeft alles te maken met haatzaaierij', zegt Al-Sada. 'Wat denk je als je scholieren opvoedt met haat, als ze te lezen krijgen dat sjiieten ongelovigen zijn? Dan doen ze op een kwade dag een bomgordel om.' Menigmaal vroeg ze de autoriteiten op te treden tegen zulke hate speech. Geen respons.

Eén portret is op veel plekken in Safwa en Qatif te zien: een jongetje met engelachtig grote ogen, een dikke pony en een vlinderdasje. De 5-jarige Haider, buurjongetje van een van de getroffen moskeeën, is het nieuwe symbool van het sjiitische slachtofferschap.

Zelfbeheersing

Zo bevolken martelaren de muren van de Oostelijke Provincie. Begin januari werd, na jaren in de dodencel, onaangekondigd sjeik Al-Nimr geëxecuteerd. In Teheran werd daarop de Saoedische ambassade bestormd, maar in Qatif en omstreken bleef het rustig. 'Door onze zelfbeheersing', zeggen mensen als Jafar Al-Shayeb. 'Het bewijst dat hij weinig steun genoot', meent gouverneur Al-Sufyan.

Mohammed al-Nimr, de man die mij Awamiya liet zien, betreurt vooral dat de autoriteiten weigeren het lichaam vrij te geven. 'Ze hebben hem begraven op een geheime plek', zegt de broer van de sjeik. 'Dat doet ons veel verdriet.'

Sjiieten in het oosten.

Intussen is de zakenman - hij heeft een plasticfabriek en een handel in bouwmaterialen - in bange afwachting van alweer een symbool, een nieuwe martelaar. Zijn zoon Ali zit in de dodencel, samen met zeven andere jongeren. Vier jaar geleden werd hij, 17 jaar oud, opgepakt tijdens een demonstratie. Met foltering, zegt zijn vader, werd de bekentenis van een misdrijf uit hem geperst.

'Eens per maand mogen we hem zien. Hij heeft in de gevangenis zijn middelbare school afgerond en studeert nu. Daaruit blijkt zijn levenslust.'

Alle beroepsmogelijkheden zijn echter uitgeput en Al-Nimr vreest elke dag een 'sudden death', net als bij zijn broer. 'Druk van de VN heeft Saoedi-Arabië ertoe gebracht de doodstraf tot nu niet uit te voeren. Maar ik vrees dat het slechts uitstel is.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.