De onbeschofte, zelfingenomen Jim Morrison

Jim Morrison was een van de eerste popiconen aan wie een serieus lijkende biografie werd gewijd: No One Here Gets Out Alive van Jerry Hopkins en Danny Sugerman....

Ook niet door Stephen Davis, die onder meer het vermaarde, spectaculaire relaas over Led Zeppelin (Hammer Of The Gods) schreef, en samen met Levon Helm het nuttige This Wheel's On Fire. Vooral de laatste jaren wil Davis zich er nogal eens gemakkelijk van af maken door boeken als biografie te presenteren terwijl ze niet veel meer zijn dan verzamelde anekdotes die zijn overgeschreven uit andere publicaties. Zijn laatste boek over veertig jaar Stones, Old Gods Almost Dead, is een schokkend voorbeeld van dit soort gemakzuchtige journalistiek.

Juist Jim Morrison zou een onderzoeksjournalist verdienen van het kaliber Howard Sounes (hij kwam als enige met echt nieuwe feiten over Bob Dylan), en geen behendig gebruiker van schaar en lijmpot als Davis. Zeker nu de jaren zestig voor veel popliefhebbers slechts uit de overlevering bekend zijn, willen we wel eens weten wat deze popmuzikant werkelijk tot zo'n bijzonder artiest maakte.

In Jim Morrison - Life, Death, Legend beschrijft Davis zoals al vaker is gedaan de problematische verhouding die Morrison had met zijn ouders (hij was nog jong toen hij met hen brak) en hoe daaruit zijn losbandigheid zou zijn te verklaren. En ja hoor, daar hebben we Oidipous weer ('Father I Want To Kill You, Mother I Want To Fuck You', zong Morrison in The End).

Net als veel Morrison-liefhebbers koestert Davis merkwaardig genoeg sympathie voor zijn onderwerp, terwijl je als neutrale lezer keer op keer denkt: wat moet dat een vreselijke vent zijn geweest. Altijd bezopen, onbetrouwbaar, overspelig, onbeschoft, zelfingenomen, en ga zo maar door. Davis vindt het allemaal prachtig. Morrison mag er lekker op los neuken, maar een slecht concert van The Doors, dat komt natuurlijk door de ontrouw van Morrisons tamelijk geschifte vriendin Pamela Courson.

Met stijgende verbazing lees je hoe Morrison er iedere keer weer mee wegkomt. Bij shows en plaatopnamen komt-ie gewoon niet opdagen, zaaldirecties en promotors worden gek van hem, maar zijn populariteit neemt tussen 1967 en 1970 alleen maar toe.

Morrisons irritante gedrag werd gezien als symbool voor rebellie en vrijgevochtenheid, die veel jongeren nastreefden. Alles wat hij deed was briljant. Of moest in ieder geval briljant worden gevonden. Wie er anders over dacht, was een square.

Davis' boek is meer een Doors-geschiedenis dan een Morrison-biografie. Het zou aardig zijn geweest als een auteur de voor symbolistische poe versleten leuterteksten van Morrison eens goed had geanalyseerd, of had vastgesteld dat Morrison wel een uitstekend zanger was maar dat zijn beste liedjes door gitarist Robby Krieger en toetsenist Ray Manzarek zijn geschreven. Kortom: wanneer trekt iemand dat eeuwige sixties-icoon eens van zijn voetstuk?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden