De omhelzing

Afgelopen week had ik sjans met een bejaarde. Ik was op bezoek bij een kleinschalig verzorgingstehuis voor dementerende bejaarden in Zeeland....

Pieter Hilhorst

De teamleidster vertelde enthousiast dat de ouderen zich hier veel veiliger voelen. Eén bewoonster had al drie jaar niet gepraat voor ze bij hen in het verzorgingstehuis kwam. Nu had ze pardoes haar mond weer open gedaan. Het ging om praktische zinnetjes. ‘Mag ik nog een beetje jus?’ Toch is dat een geweldige overwinning als iemand drie jaar heeft gezwegen.

Sommige medewerkers hadden in het begin nogal moeten wennen aan de nieuwe manier van werken. Een groot deel van de dag breng je alleen door met de zes bewoners. Gezellig bijpraten met de collega’s tijdens de koffiepauze is er niet meer bij. En zelfs tijdens de spitsuren als er twee mensen op de afdeling werken, is er weinig contact.

Vroeger werd een bewoner nog wel eens door twee medewerkers gewassen. Binnen de kortste keren waren ze dan over het hoofd van de bewoner gezellig met elkaar in gesprek. Dat mag niet meer. Op een kleinschalige afdeling zijn de verzorgers voor alles verantwoordelijk. Als een lamp stuk gaat, heeft het weinig zin om de technische dienst te bellen. Die zit in het hoofdgebouw. Dat duurt te lang.

Als een familielid van een bewoner een klacht heeft, kun je hem of haar niet naar een collega sturen. En de verzorgers moeten ook zelf koken. Dat vindt niet iedereen even prettig. ‘Ik draai thuis al een huishouden’, zei een vertrokken verzorger. Anderen vinden die extra verantwoordelijkheid juist een verademing.

Na dit enthousiasmerende verhaal was ik benieuwd wat ik op de afdelingen van het tehuis zou aantreffen. Vier bejaarde vrouwen zaten om de tafel. Ik herken de vrouw die zo had genoten van een bezoek van de Faria-clowns. De vrouw heeft de ziekte van Parkinson en een vertrokken gezicht. Door de clowns was ze helemaal losgekomen. Ze had zelfs een beetje gedanst en van de clown een kus geaccepteerd. Nu zit ze aan tafel te scheuren aan een krant en uit haar ogen stromen langzaam tranen.

Op de bank zit een andere mevrouw. Ik vraag haar hoe ze het hier vindt. ‘Vreselijk’, zegt ze. ‘Ik mag niet jokken, dus ik zeg het eerlijk.’ Vervolgens begint ze een onsamenhangend verhaal over haar been. ‘Waarom moet ik met mijn been omhoog? Zomaar. Met mijn been omhoog.’

Het verhaal zit diep, want ze komt er steeds op terug. Op haar kamer staan foto’s. Ik vraag haar wie het zijn. Ze ziet in elke vrouw haar dochter, ook in foto’s van zichzelf in jongere jaren. En dan begint ze weer over dat been dat zomaar omhoog moet.

Terug in de huiskamer ga ik naast een andere vrouw zitten die een kinderboek aan het lezen is. Ik vraag haar wat ze leest. Ze heeft geen idee. Toch is ze blij dat ik naast haar ben gaan zitten. Ze begint langzaam mijn bovenarm te strelen. Ze buigt zich iets voorover en zegt: ‘Ik wou dat het vriest.’ ‘Waarom?’, vraag ik haar in de verwachting dat ze gaat klagen over het mooie weer. ‘Dan kon ik je vastpakken om het lekker warm te krijgen.’ Ze voegt onmiddellijk de daad bij het woord en vliegt me om de hals. Ze houdt me stevig vast.

Later vertelde ik het voorval aan een vriend. Hij vond het mooi dat ze had gezegd: ‘Ik wou dat het vriest’ en niet ‘Ik wou dat het vroor.’ Het gaat om een wens die nu waar moet zijn.

De demente is niet opgesloten in het verleden, zoals vaak wordt gezegd. Hij is opgesloten in het nu. Hij leeft bij de gril of de drift van het moment. De toekomst heeft afgedaan. Hij is mentaal niet meer in staat om plannen te maken. En ook het verleden duikt alleen als een flikkering op.

Bij zoveel onverschilligheid ligt de verleiding van verwaarlozing op de loer. Dementen kunnen ook niet meer zeggen of kleinschalige opvang hen beter bevalt dan grootschalige opvang. Ze hebben geen vergelijkingsmateriaal meer tot hun beschikking. Er is alleen een eeuwig heden. De lust om te klagen over een opgestoken been is in die zin niet veel anders dan de lust om mij te omhelzen.

Toch is een knuffelende bejaarde voor de omgeving prettiger. Zo’n omhelzing laat je namelijk niet gauw meer los. Het maakt het onacceptabele toch een beetje draagbaar. Daarom zeg ik met haar: ‘Ik wou dat het vriest.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden