De oervrouw was een vent

Koene mannen die met gevaar voor eigen leven op sabeltandtijgers en mammoeten jaagden, terwijl hun vrouwen thuis voor de kinderen en het eten zorgden. Dat zwart-witbeeld van de prehistorie behoeft volgens sommige wetenschappers enige enige bijstelling. Al weten ze niet precies hoe het zat.

Waarom mannen maar één ding tegelijk kunnen ... en vrouwen aan een stuk door praten, luidt de titel vante een van een populair-psychologische bestsellers waarin hedendaags gedrag moeiteloos uit prehistorische rollenpatronen wordt verklaard.

‘Vrouwen verzamelden, vrouwen verzorgden’, schrijven de auteurs, Allan en Barbara Pease. De vrouw ontleende haar eigenwaarde aan ‘de mannelijke waardering voor haar huishoudelijke en verzorgende capaciteiten’.

Nee, dan de man! ‘Elke dag trok hij door een vijandige en gevaarlijke omgeving om zijn leven te riskeren als een jager die voedsel moest terugbrengen naar zijn vrouw en kinderen.’

Tot op de dag van vandaag zijn deze verschillen merkbaar, zo wordt in de populaire evolutiepsychologie betoogd. Als voormalige jagers zijn mannen competitief, onverbeterlijk geneigd tot agressie en vreemdgaan. En ze kunnen goed fileparkeren, omdat ze ‘vroeger’ de afstand tot hun prooi moesten inschatten. Vrouwen daarentegen zijn zorgzaam en niet erg op competitie gericht. En ze kunnen niet kaartlezen, omdat ze in het stenen tijdperk thuis met de koters zaten te wachten tot vader met een stuk mammoet thuiskwam.

Terwijl de feministen van de jaren zeventig beweerden dat mannelijkheid en vrouwelijkheid slechts sociaal geconstrueerde etiketten waren, geloven veel mensen tegenwoordig dat zij worden gedreven door oerpatronen die in tienduizenden jaren evolutie in het brein zijn geslepen.

Veel hedendaagse archeologen en paleontologen bestrijden echter de simpele tweedeling tussen jagende man en zogende vrouw, die er hooguit op uittrok om een paar bessen te verzamelen. In het onlangs verschenen boek De Onzichtbare vrouw – De rol van mannen en vrouwen in de prehistorie (uitgeverij Artemis) schetsen J.M. Adovasio, Olga Soffer en Jake Page een veel subtieler beeld van de prehistorische taakverdeling.

Ten eerste waren mannen helemaal niet de heroïsche jagers voor wie zij vaak werden gehouden. Waarschijnlijk is er nooit systematisch op mammoeten gejaagd, aldus de auteurs. De oerman doodde vooral oude en zieke mammoeten, dieren die al half in het moeras waren weggezakt of anderszins in moeilijkheden waren geraakt. Voor de voedselvoorziening was de jacht op hazen, vossen en andere kleine dieren – vaak met behulp van netten en valstrikken – waarschijnlijk veel belangrijker. Met andere woorden: de oerman gebruikte zijn speer niet om een levensgevaarlijke sabeltandtijger te vellen, maar om een verstrikte haas uit zijn lijden te verlossen.

Ten tweede speelden vrouwen een actieve rol in de prehistorische economie, waarin de kern werd gevormd door nomadische groepjes van dertig tot veertig mensen. Vrouwen verzamelden niet alleen noten, bessen en ander plantaardig voedsel, ze maakten ook kleding, manden en andere gebruiksvoorwerpen. Daarnaast deden ze mee aan de jacht op kleine dieren en aan de visvangst.

Zwart-witbeeld
‘Natuurlijk waren er ook toen biologische verschillen. Mannen jaagden meer op groot wild, vrouwen speelden een belangrijker rol bij het grootbrengen van kinderen. Dat ontkennen wij ook niet. Wij verzetten ons alleen tegen het traditionele zwart-witbeeld van mannen en vrouwen in de oertijd’, zegt Jim Adovasio, hoogleraar archeologie aan het Amerikaanse Mercyhurst College, telefonisch vanaf een archeologische opgraving in Texas.

Adovasio is een gerenommeerd archeoloog. Begin jaren zeventig ontdekte hij bij opgravingen in de buurt van Pittsburgh dat er 5 tot 6 duizend jaar eerder mensen in Noord-Amerika hadden geleefd dan altijd was aangenomen.

Adovasio’s opvattingen worden gedeeld door Linda Owen, een Amerikaanse archeologe die aan de Duitse universiteit van Tübingen doceert. In 2005 schreef zij het boek Distorting the Past, gender and division of labour in the European upper paleolithic. ‘Vrouwen speelden een belangrijke rol in de economie van de steentijd. De gedachte dat zij gehinderd werden door de zorg voor kinderen, is onjuist. Ze namen baby’s gewoon mee als ze werkten. Bovendien was het grootbrengen van kinderen geen taak voor één persoon, maar voor de hele groep. Ook ouderen en oudere kinderen konden op jonge kinderen passen. In het stenen tijdperk hoefde je ook niet bang te zijn dat ze onder een auto kwamen’, zegt Owen.

Het beeld van de oerman als koene mammoetjager werd doeltreffend neergezet door 19de-eeuwse archeologen, zegt Adovasio. ‘Bij verschillende Europese opgravingen werden mammoetbeenderen en resten van wapens gevonden. Archeologen hebben toen aangenomen dat mensen op mammoeten jaagden. Dat was een denkfout: gelijktijdigheid is nog geen causaal verband. Maar het idee oefende een enorme aantrekkingskracht uit. Je kunt je voorstellen hoe 19de-eeuwse archeologen er in hun faculty clubs over praatten’, zegt Adovasio.

Later werden knekelvelden van mammoeten blootgelegd zonder wapens in de buurt. Bij andere velden werden wapens aangetroffen zonder dat er sporen van een slachting waren. Waarschijnlijk hebben mensen dode mammoeten ontdaan van alles wat ze konden gebruiken. In die gevallen was de oerman geen jager maar aaseter.

Niettemin werd het Europese beeld van de oerjager geëxporteerd naar Amerika, waar in de jaren dertig gebruiksvoorwerpen werden gevonden bij het plaatsje Clovis in New Mexico. Amerikaanse archeologen maakten van de Clovis-man een supermacho, zegt Adovasio, ‘de John Wayne van het Pleistoceen’.

Volgens een lange tijd gangbare theorie arriveerde een groep van ongeveer honderd Clovis-mensen zo’n 13,5 duizend jaar geleden op het Noord-Amerikaanse continent, waar zij een rijke fauna van mammoeten, mastodonten, reusachtige bizons en sabeltandtijgers aantroffen. Vrijwel tegelijkertijd stierven deze dieren uit. Het verband leek duidelijk: de Clovis-man was een buitengewoon onverschrokken en effectieve jager die een heel continent eigenhandig van zijn grote zoogdieren ontdeed.

Deze theorie bleek echter onjuist. Door betere dateringstechnieken kwamen archeologen erachter dat het uitsterven van de dieren veel eerder was begonnen, ruimschoots voordat de Clovis- man ten tonele was verschenen. De dieren stierven waarschijnlijk als gevolg van grote klimatologische veranderingen, niet door toedoen van een genadeloze oercowboy.

Schildpadden
De macho-interpretatie van het stenen tijdperk is niet in de laatste plaats ondergraven door betere archeologische technieken. ‘Aanvankelijk werden vooral beenderen van mammoeten en grotere dieren opgegraven. Daardoor kon het idee ontstaan dat de prehistorische mens voor zijn voeding sterk afhankelijk was van de jacht op zulke dieren’, zegt Adovasio. ‘De laatste tijd worden veel meer botten van kleine dieren en vogels gevonden. Ook zijn archeologen beter in staat om de sporen van vissen en planten terug te vinden.’ Bij recente opgravingen bleek dat de Clovis-man vaker schildpadden en andere kleine dieren at dan ‘mammoetbiefstuk’, zegt Adovasio. ‘We weten dat er soms op mammoeten werd gejaagd. Maar we geloven dat die jacht een minder centrale plaats innam dan vroeger werd aangenomen.’

Ook de menselijke sporen uit de prehistorie leken aanvankelijk te wijzen in de richting van een door mannen gedomineerde samenleving. Archeologen vonden vooral wapens en gereedschap van steen, een materiaal dat ook tienduizenden jaren later nog goed bewaard blijft. Pas later waren zij in staat om ook de resten van vergankelijk materiaal als hout, textiel en vezels op te sporen. Zo ontstond er een complexer beeld van de prehistorische samenleving. Mensen maakten niet alleen stenen wapens en gereedschap, maar ook manden, netten en zelfs ingenieuze mutsen van geweven textiel. De oermensen leefden niet in een mammoet-economie die om de jacht draaide, maar ondernamen een veelvoud aan activiteiten om onder barre omstandigheden te overleven.

Vrouwelijke blik
Het stenen tijdperk wordt ook anders bekeken door de opmars van vrouwelijke archeologen. ‘Tegenwoordig is 75 procent van de archeologiestudenten in de VS vrouw. Toen ik studeerde, was 99 procent man’, zegt Adovasio. Veel mannelijke archeologen waren niet geïnteresseerd in vrouwen en kinderen, zegt Adovasio, of ze gingen er gemakshalve van uit dat ze een passieve rol speelden.

‘De meeste archeologen zijn het er nu wel over eens dat het oude beeld van de jagende man en de vrouw die op de kinderen paste veel te simpel is’, zegt Alexander Verpoorte, docent archeologie aan de Universiteit Leiden. ‘De vraag is alleen: hoe zat die rolverdeling dan wel precies in elkaar? Die vraag is moeilijk te beantwoorden.’

Het is al lastig genoeg om de economie of de geografie van een 20 duizend jaar oude samenleving te reconstrueren aan de hand van beenderen, stenen werktuigen en andere schaarse restanten. De sociologie van het stenen tijdperk is een nog veel moeilijker vak. Over de prehistorie weten we maar weinig dingen zeker, erkennen Owen en Adovasio, en dat geldt zeker voor de manier waarop mannen en vrouwen met elkaar omgingen.

Bij gebrek aan beter grijpen archeologen vaak terug op etnografische vergelijkingen. Uit de leefgewoonten van Australische aboriginals, van eskimo’s of van nomaden uit de Kalahariwoestijn worden veronderstellingen afgeleid over jagers-verzamelaars in de Europese tijd. ‘Bij nomadische volken in Nambië jagen de mannen op groot wild. Maar 75 procent van de proteïnen in hun voedsel komt uit andere bronnen, zoals kleine dieren en noten’, zegt Adovasio. ‘Zoiets zou ook voor de prehistorie kunnen gelden.’ Daarnaast gebruikt hij de constatering dat mensen nooit voor het vlees op olifanten hebben gejaagd als steunbewijs voor de veronderstelling dat oermensen niet systematisch op mammoeten joegen. ‘Natuurlijk praat je over andere gebieden en andere tijden. Maar door het bestuderen van jagers-verzamelaars ontdek je toch bepaalde patronen’, zegt hij.

Adovasio en Owen beschikken over meer kennis en betere archeologische technieken dan de macho-archeologen van de 19de eeuw. Toch dwingt de aard van het vak ook hedendaagse wetenschappers tot interpretaties op basis van onvolledige informatie – en soms zelfs tot speculaties. Daarbij lijken Adovasio en Owen een soms wel erg rooskleurig beeld van het stenen tijdperk te schetsen. Volgens Adovasio werden vrouwen pas als mannelijk ‘bezit’ beschouwd bij de opkomst van de landbouw en de moderne samenleving. Owen besluit haar boek met het pleidooi voor een ‘nieuw perspectief op het leven in het paleolithicum, dat laat zien hoe mensen van alle leeftijden met elkaar leefden, werkten en lachten’. Zou het er werkelijk zo harmonieus aan toe zijn gegaan jn in het stenen tijdperk? Of wordt het cliché van de mannelijke jager beantwoord met het even grote cliché van de nobele wilde die nog niet bedorven is door de menselijke samenleving?

Owen: ‘Het is misschien een beetje rooskleurig. Maar ik geloof wel dat samenwerking tussen mannen en vrouwen heel belangrijk was in deze periode.’

Adovasio: ‘Nee, ik geloof helemaal niet in de nobele wilde. Oermensen sloegen elkaar ook de kop in als iets hun niet zinde. Maar ik geloof wel dat de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen groter werd naarmate de samenleving complexer werd. Rond drieduizend voor Christus zie je bijvoorbeeld fabriekjes ontstaan die door mannen werden bestierd. Mannen bouwden economische macht op, terwijl vrouwen achterbleven.

‘In de prehistorie was de gelijkheid tussen mannen en vrouwen groter, denk ik. Ze moesten samenwerken om te overleven in een harde wereld. In zo’n situatie is het economische zelfmoord om het potentieel van vrouwen niet te gebruiken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden