De oercatastrofe

De geschiedenis van de 20ste eeuw wortelt in een drama waarvan Nederland afzijdig bleef. Juist daarom is de herdenking ervan voor ons zo wezenlijk.

'Al zingend trokken we de nacht in.' Zo herinnert de Duitse schrijver Ernst Jünger zich zijn gang als vrijwilliger naar het front van de Eerste Wereldoorlog. Omringd door jubelende massa's ging hij op weg: 'Nooit was mijn geestdrift zo diep en overweldigend als op die dag.' Hij was zeker niet de enige die overmand werd door grootse gevoelens. Overal in Europa vulde een oorlogsroes de straten en pleinen en overal was vier verwoestende jaren later de kater immens.


Het dagboek dat Jünger bijhield, maakte hem op slag tot de belichaming van de oorlog in Duitsland. Voor een deel moet de soms hypnotische werking van de tekst worden gezocht in wat er niet wordt gezegd: nergens lezen we over doelstellingen van de oorlogvoerende partijen, over de militaire krachtsverhoudingen of over de ideologische rechtvaardiging aan beide zijden. Bladzijden lang doolt hij verweesd door het niemandsland van de loopgraven, elke partijdigheid is inmiddels verdampt. Later verklaart hij zijn houding nader: 'Niet waarvoor we strijden is het wezenlijke, maar hoe we strijden weegt zwaarder dan alle gepeins over goed en kwaad.'


De eenzaamheid van de soldaat en vooral van het sterven wordt zonder opsmuk blootgelegd: 'De mens is heel alleen in dit grootse landschap waarover de adem van de oorlog strijkt.' Voortdurende wisselt het perspectief van zijn vertelling: van angst naar de bloeddorst, die zich van de soldaten meester maakt bij een nachtelijke aanval op een vijandelijke stelling. In het strijdgewoel gaat de waarheid tenonder: 'De seizoenen wisselden elkaar af, het werd winter en weer zomer. We werden niet meer zo verblind door het geweld. Ook merkten we dat het vuur waarmee we er op uit waren getrokken, langzaam opgebrand en niet meer toereikend was. De oorlog stelde ons voor diepere raadsels.'


De geschiedenis van de twintigste eeuw wortelt in een drama dat geen deel uitmaakt van onze collectieve herinnering: de Eerste Wereldoorlog. Wil men die uitbarsting van vreugde en de daarop volgende desillusie begrijpen dan moeten we de horizon van het neutrale Nederland verlaten en nadenken over de geweldige doorwerking van deze gebeurtenis elders in Europa: vooral in Engeland, Frankrijk, België, Oostenrijk-Hongarije, Rusland, Turkije en Duitsland. In veel van die landen maakte de Eerste Wereldoorlog waarschijnlijk een grotere indruk dan de Tweede.


Die ontbrekende ervaring van de Eerste Wereldoorlog verklaart veel van het onbegrip waarmee Nederland naar de Europese onrust keek in de jaren van het interbellum. De neutraliteit die ons land krampachtig bleef volhouden - ook na het uitbreken van de nieuwe oorlog in september 1939 - heeft veel van de morele halfslachtigheden tijdens de bezetting met zich meegebracht. Niemand was werkelijk voorbereid op wat ging komen. Daarom is de herdenking van honderd jaar Eerste Wereldoorlog juist voor ons zo wezenlijk.


Over deze eerste oorlog van het industriële tijdperk is inmiddels een bibliotheek volgeschreven. Een van de beste militaire historici van onze tijd, John Keegan, is zeer duidelijk over de gevolgen: 'De Tweede Wereldoorlog was ontegenzeggelijk het gevolg van de Eerste en in veel opzichten de voortzetting ervan. De omstandigheden waren dezelfde - de ontevredenheid van de Duitstalige volken met hun plaats temidden van de andere naties - en ook de directe aanleiding was dezelfde - een conflict tussen een Duitstalige machthebber en een Slavische buur.' De Eerste Wereldoorlog is de 'oercatastrofe' van de twintigste eeuw genoemd. Vrijwel geen gezin in Engeland, Frankrijk en Duitsland kwam ongeschonden door deze verdelgingsmachine heen.


Bestaat over de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog weinig verschil van mening, over de oorzaken van deze oorlog is inmiddels een uitvoerige literatuur ontstaan, die Keegan tot een wel erg ontnuchterende conclusie brengt: 'De Eerste Wereldoorlog is een raadsel. De oorzaken ervan zijn raadselachtig. Dat geldt ook voor het verloop van de oorlog.' Waarom stortte een welvarend continent, dat een van zijn culturele hoogtepunten beleefde, zich in een oorlog die al snel uitzichtloos bleek? En hoe hielden de miljoenen anonieme soldaten het zo lang vol?


Een van de oorzaken was natuurlijk het nationalisme dat rond de eeuwwisseling overal zichtbaar was. Vooral het idee van een onverzoenlijk cultuurconflict tussen Frankrijk en Duitsland werd alom gedeeld. Dat thema vinden we terug bij de Duitse schrijver Thomas Mann in zijn Betrachtungen eines Unpolitischen uit 1918. Ook hij was in de greep van de oorlogsroes en stemde zelfs in met de aanval door Duitse onderzeeboten op het Engelse passagiersschip de Lusitania, waarbij zo'n twaalfhonderd onschuldige opvarenden omkwamen.


De kern van zijn beschouwingen draait om de tegenstelling tussen cultuur en beschaving. Dat klinkt ons nu vreemd in de oren, maar een eeuw geleden werd veel over die tegenstelling geschreven, ook door beroemde sociologen en historici als Georg Simmel en Oswald Spengler. Innerlijke cultuur wordt volgens Mann vooral in Duitsland en Rusland aangetroffen; uiterlijke beschaving staat daar tegenover en wordt bij uitstek vertegenwoordigd door Frankrijk en Engeland. Daarmee krijgt de oorlog het karakter van wat we nu een botsing der beschavingen zouden noemen. Onderdeel daarvan is een verschil in opvatting over de betekenis van politiek. Anders dan de Franse burger zal die in Duitsland, volgens Mann, nooit geloven dat politiek menselijker maakt. Vandaar zijn 'onpolitieke' beschouwing.


Mann stond zeker niet alleen in deze zienswijze, maar toch kwam de oorlog als een grote verrassing. Veel wees aan het begin van de twintigste eeuw immers op een tijd van grote voorspoed. Europa beleefde een gouden tijdperk van globalisering: het werd door netwerken van handel en uitwisseling bijeengehouden en veel nieuwe internationale wetgeving stamt juist uit deze jaren voor de oorlog. Toerisme floreerde: de Baedekergids voor Rome was in 1900 al aan zijn dertiende druk toe. Alles leek de liberale verwachting te bevestigen dat die gedeelde belangen een oorlog ondenkbaar zouden maken. Zeg maar dezelfde verwachting die nu ook grote delen van Europa beheerst.


Dat gevoel van vooruitgang werd mooi verwoord door de Franse schrijver Victor Hugo bij de opening van de wereldtentoonstelling (1867) in Parijs. 'Alle spoorlijnen die in verschillende richtingen lijken te gaan - Sint-Petersburg, Madrid, Napels, Berlijn, Wenen, Londen - hebben maar een enkele bestemming: de vrede. De dag dat het eerste luchtschip zal vliegen, zal de laatste tirannie ten grave worden gedragen.' In dat beeld lag een hoopvolle verwachting besloten. Meer en meer mensen waren gelijktijdig op de hoogte van gebeurtenissen tot ver over de grenzen. Daardoor was de eeuwige vrede binnen handbereik gekomen. Het gebruik van geweld zou immers achterhaald zijn wanneer mensen alles van elkaar wisten en door handel zo afhankelijk van elkaar waren geworden.


En dan toch een alles verzengende oorlog. In weerwil van de grenzeloze uitwisseling bleken de nationale haatgevoelens helemaal niet te zijn uitgebannen. Integendeel, juist door de nieuwe communicatiemiddelen konden voor het eerst hele volkeren worden gemobiliseerd en juist door de moderne wetenschap werd de militaire techniek geperfectioneerd en was het aantal doden op de slagvelden niet meer te overzien. De desillusie kon na de lange jaren van vooruitgang niet groter zijn. Juist de wetenschap bleek niet alleen het voertuig van de vooruitgang te zijn, maar ook de oorzaak van een ongekende barbarij.


Wat door Victor Hugo hoopvol werd omschreven als het begin van een wereldomspannende vreedzame communicatie, kreeg in het werk van Ernst Jünger een heel andere duiding. Hij sprak over een 'totale mobilisering' op wereldschaal: de afstanden worden kleiner en we zien een algehele toename van de snelheid. Niet het militaire ethos is beslissend, maar het logistieke talent, waar vooral de Amerikanen in uitblinken. De wereld van oorlog en vrede lopen steeds meer in elkaar over; de wereld van de krijg en de arbeid versmelten langzaam. In deze oorlog wordt voor het eerst de burgerbevolking massaal op de been gebracht en wordt de economie een oorlogseconomie.


Daarmee is deze oorlog in de ogen van Jünger het product van een hoogontwikkelde industriële wereld. De tijd van het gerichte schot is voorbij en zo wordt de dood gedemocratiseerd. In de toenemende afstand die wapens kunnen overbruggen herkennen we de steeds abstractere relaties tussen mensen terug en dat verklaart een toenemende wreedheid in de oorlogsvoering: 'Op vele plaatsen is het humanitaire masker versleten en daarvoor in de plaats komt een half groteske, half barbaarse cultivering van de machine.' We zijn hier ver weg van het vooruitgangsgeloof van Hugo, die alle hoop had gesteld op de moderne techniek en wetenschap.


Beroemd is een uitspraak van een andere Franse schrijver, Paul Valéry, die in 1919 een beschouwing opende met de sombere vaststelling: 'Wij cultuurvolken weten nu dat we sterfelijk zijn.' De ontgoocheling was enorm en die onrust zocht een uitweg. De Eerste Wereldoorlog vormt het decor waartegen de zegetocht van het fascisme en communisme geplaatst moet worden. De eerste totale oorlog ging vooraf aan het totalitarisme: zonder de naoorlogse desillusie over de liberale beschaving was de aantrekkingskracht van deze stromingen nooit zo groot geweest.


In het werk van een schrijver als Louis-Ferdinand Céline kan men goed de echo bestuderen van deze ervaring. Ook zijn flirt met het fascisme hoort daarbij. Als deze schrijver het gooien met modder tot kunst heeft verheven dan moet het duidelijk zijn waar hij zijn grondstof heeft gedolven: in de loopgraven, het slagveld waar hij als twintigjarige rondzwerft in een mist van vermoeidheid: 'Geen nieuws van het slagveld sinds 3 dagen vrijwel op dezelfde vuurlijn, de doden worden voortdurend vervangen door levenden, zo veel dat ze bergjes vormen die verbrand worden en op sommige plaatsen kan men de Maas oversteken door over de Duitse lichamen te lopen van degenen die probeerden eroverheen te komen en door onze artillerie onvermoeibaar worden verzwolgen.'


Volkomen ontredderd maakt hij aan het einde van de jaren twintig in Reis naar het einde van de nacht de balans op. De wachtmeester Ferdinand Destouches die hij in werkelijkheid was, moest in 1914 de wereld nog ontdekken. Hij meldde zich als vrijwilliger aan en droomde korte tijd weg als 'oorlogsheld'. Aan de latere afkeer van de oorlog ging iets vooraf: eergevoel, patriottisme, de wil om oorlog te voeren, de verachting van afzijdigheid.


Dat de oorlogservaring hem diep in de botten zit, daarover kan geen enkele twijfel bestaan. Céline verklaart in een brief aan zijn vriend Garcin de bron van zijn schrijverschap, maar spreekt tegelijk voor een zwijgende meerderheid, die zich nooit helemaal heeft hersteld van de 'oercatastrofe' die de Eerste Wereldoorlog was: 'Er zit in mij nog een voorraad van duizend bladzijden nachtmerrie, die over de oorlog op kop. De weken in 1914 in de stromende en slijmerige regen, in die verschrikkelijke modder en dat bloed en die stront en die menselijke smeerlapperij, ik zal er nooit meer overheen komen, het is een waarheid die ik je nog maar eens vertel, die wij slechts met enkelen delen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden