De oerbronnen van de Our

De Our is een grensrivier, gedeeld door België, Luxemburg en Duitsland. Het Duitse Auw claimt de oerbron te zijn. Volgens het Belgisch Geografisch Instituut ontspringt de Our echter bij Losheimer Graben....

JOS KLAASSEN

Het Luxemburgse volkslied bezingt l'Alzette, la Moselle en la Sûre. Geen woord evenwel over l'Our, ofschoon deze rivier over een afstand van 52 kilometer door Luxemburg stroomt. Vergeten misschien?

Vermoedelijk niet. De dichter voelde, denkend aan de Our, waarschijnlijk geen spoortje patriottisme in zijn hart bruisen. Want de Our is grensrivier en dus iets dat je met een ander - in dit geval met België en Duitsland - moet delen.

In zo'n geval past wellicht een dof gebrom als hymne, of helemaal niets. Immers, eind 1944 begon de Duitse Wehrmacht vanachter de Siegfriedlinie langs de Our zijn laatste stuiptrekking: de bloedige Slag om de Ardennen. Het was de tijd dat de geallieerden langs de Our de hit We're gonna hang our washing on the Siegfriedline zongen.

Al veel verder terug in de tijd besteedde de Luxemburgse geschiedschrijving overigens ook maar drie luttele zinnen aan de Our: 'De Our ontspringt in de buurt van Burg-Reuland. Zij vormt, tot zij uitmondt bij Wallendorf, de oostelijke grens van ons land op een klein gebied rond Vianden na. Zij beloopt vijftig kilometer.' Voila!

Grenzen, aldus de Luxemburger Lex Jacoby in een essay over de Our, waren in vroeger dagen brede stroken niemandsland; Sperrgebiet, dat bij betreding onverbiddellijk bestraft werd met een boete van twintig mark. Logisch dus dat de Our door de Luxemburgers niet bezongen is.

De lotgevallen van de Our zijn even grillig als de geschiedenis van het stroomgebied. Van 1843 tot 1919 was Luxemburg lid van de Deutsche Zollverein, de eerste Europese Binnenmarkt met vrij reizen en handeldrijven. Wellicht was de grens er toen al wel, maar zij was onzichtbaar.

Ook het Belgische part van de Our vormde lange tijd niet de grens. Ruim honderd jaar - sinds het Congres van Wenen in 1815 tot de vrede van Versailles in 1919 - was de rivier Pruisisch.

Het (nu) Duitse Hemmeres, een gehucht van zo'n veertig inwoners, illustreert misschien het beste het lot van de Our. Hemmeres was vóór 1918 Duits. Na de Duitse nederlaag werd, van 1918 tot 1940, België er de baas. Van 1940 tot 1945 keerde Hemmeres terug naar Duitsland om vervolgens tussen 1945 en 1958 nog eens Belgisch te worden, omdat het spoorlijntje St. Vith-Ulflingen 'Belgisch' moest blijven. Mettertijd heeft deze lijn haar zin verloren. En zo is Hemmeres nu weer Duits.

De grillen van de geschiedenis maken het moeilijk de oorsprong van de Our te traceren. Een achttiende-eeuwse landkaart - ik tref die aan in het trappenhuis van hotel Oranienburg in Vianden - markeert de bron van de Our in het groothertogdom Luxemburg. Dat is niet verwonderlijk, want het huidige ministaatje reikte in die tijd tot boven St. Vith.

De actuele wegenkaart van De Rouck (motto: 'Steeds voorop') kiest het Duitse Auw als Ourbron. Het blauwe slingertje eindigt in de buurt van dat plaatsje en de kaartenmaker zet er ook Our bij. Het is pertinent fout, want de stafkaart van het Belgisch Nationaal Geografisch Instituut laat de Our vlakbij Losheimer Graben ontspringen, in het Zitterwald, en op een hoogte van 465 meter boven de zeespiegel.

Extra verwarrend is het dat sommige bronnen - bijvoorbeeld de folder Ourtal van de Belgische Oostkantons - eraan toevoegen dat de Our bij de Weissen Stein ontspringt, op 692 meter hoogte. Er is inderdaad een Weissen Stein, maar kilometers van Losheimer Graben vandaan, in de buurt van het Duitse plaatsje Miescheid. In dat Eiffel-gehucht is het echter maar 492 meter hoog. Om de verwarring nog groter te maken: de Luxemburgse VVV beweert dat de Our op 660 meter hoogte ontspringt, dieper België in.

Mijn zoektocht naar de obscure geboorteplaats van de Our eindigt op een tochtige viersprong in Losheimer Graben waar de wegen richting Hellenthal en de abdijstad Prüm overvloeien in de routes naar het Belgische Büllingen westwaarts en Ouren zuidwaarts.

Eén ding is intussen wezenlijk veranderd: rond de bronnen van de Our (en verderop) bestaat geen grens meer. Vanwege Europa wächst zusammen was zusammen gehört, zoals wijlen Willy Brandt ooit over Oost- en West-Duitsland opmerkte. Het wispelturige verleden van de Our lijkt passé.

Hoewel, het (consequente) uitvlakken van de Franse benamingen van gemeenten en rivieren in de Belgische Oostkantons - ook daar een taalstrijd - verraadt nog een tikkeltje van de wisselvallige historie in de regio.

Er wordt ook gelogen. Het plaatsje Manderfeld claimt, in strijd met alle kaarten, de echte oorsprong te zijn van de Our. Maar dat is Quatsch! Waarom trouwens pronken met andermans veren? Manderfeld heeft ook fraaie argumenten om zich aan mijnheer en mevrouw Toerist te verkopen. Hier, aan de oevers van de Our, placht Karel de Grote (742-814) te vertoeven, én zijn kleinzoon Lothar de Eerste.

De Our, in Manderfeld eigenlijk nog onaanzienlijk, heeft deze machtigen en hun (verdwenen) paleizen overleeft. Manderfelds tastbare historie moet het hebben van een gotische kerk uit de zestiende eeuw. Bovendien is er een 350-jarige kruisweg met verrassende ontknoping: een mini-massagraf. Niet alleen Christus wordt er begraven, maar met hem zeven anderen. Daarom heet de plaats in de volksmond Siebenschläfer.

De VVV in Burg-Reuland, de op één na laatste etappe langs de Belgische Our, is hartje vakantieseizoen 'ziek'. Het is nauwelijks een probleem. Het verademende van een trip langs de Our is juist de afwezigheid van het massatoerisme. In je eentje in de tiende-eeuwse Reulandse burchtruïne, de eerste van zes burchten in de Our-vallei. Als het nou eens even niet stortregent, dan zou het er zeer aangenaam zijn.

Ach, het maakt niet zo veel uit. Pas na Burg-Reuland - richting Ouren - kom je terecht in een van de meest idyllische stukjes Our-natuur. Pas hier waagt de grillige rivier, die zich vanaf haar oorsprong slechts bij een enkel bruggetje van nabij laat bekijken, zich heel dicht bij de mens. Van de Losheimer Graben meandert ze via Schönberg en Manderfeld ongrijpbaar door bosschages en drassige weiden. Na Burg-Reuland kun je haar aanraken.

Het is dan een typische bergrivier zoals je er zoveel tegenkomt in de Eiffel en in de Ardennen: snelstromend, een bedding bezaaid met keien, en een waterhoogte die slechts tot de enkels reikt. Links en rechts op de oevers is er geen bebouwing. Enkel een smalle, door gebladerte verduisterde weg voert naar Ouren.

Van de 78 kilometer die de Our lang is, vormen die paar kilometer tussen Burg-Reuland en Ouren het meest ongerepte stukje Our-vallei. De enige wanklank is een groot bord langs de weg met de sage van de Rittersprung, die zich er zou hebben afgespeeld, toen er nog dolende ridders waren.

Zo'n sage laat je je beter vertellen door een bleu dienstertje in hotel Rittersprung in Ouren met op de achtergrond de bruisende stroomversnelling van de Our. Even controleren of zo'n meisje haar 'heemkunde' kent. Zij weet van de dolende ridder, die verliefd werd op de vrouw van de Heer van Ouren. De liefde was kennelijk wederzijds, want beiden gingen ervandoor. Hun pech was dat hun vlucht ontdekt werd.

In het nauw gebracht sprong de dolende ridder met paard en vriendin in de Our, een kunststukje dat noch de ros noch de geliefden het leven kostte. Uit dankbaarheid beloofde de ridder ter plaatse een kapelletje te laten bouwen - een belofte, die hij niet nakwam. Dom want nu vernietigde de boze hemel hem met een bliksemstraal.

In Ouren is de Our geen grensrivier. Duitsland ligt boven op de heuvels, Luxemburg ligt een enkele kilometer stroomafwaarts. Ouren is aan beide kanten van de rivier gebouwd, een situatie die verder alleen nog in Vianden voorkomt.

Net als Burg-Reuland was Ouren in het verre verleden een burcht ter verdediging van het domein van de graven van Vianden. Tegenwoordig leeft het gehucht vrijwel uitsluitend van het rustige toerisme. De voertaal is Vlaams of Duits.

Veel huisjes worden als vakantiewoningen verhuurd. Hotel Rittersprung is van een Duitse degelijkheid, die je vaak aantreft op het Luxemburgse platteland, terwijl Ouren toch nog België is. Op het menu staan de heimische forel en - enigszins verbazingwekkend voor de omgeving - loup de mer, zeewolf.

Al vroeg in de avond is Ouren in diepe rust; alleen de Our verstoort die stilte. Als avonduitje een bezoekje aan het 'drielandenpunt' tussen Duitsland, België en Luxemburg, een simpele stenen zuil, opgericht in 1977, toen West-Europa nog echte grenzen had. Om de zuil heen kleine blokken steen met de namen van de ondertekenaars van het Verdrag van Rome in 1957. Robert Schumans naam op graniet, Konrad Adenauers op quartz.

Nóg is het, ondanks de motregen, licht. De tweede bezienswaardigheid van Ouren is het Petruskerkje (veertiende eeuw), waar een schilderij hangt dat Jozef en Jezus voorstelt. De plaatselijke kunstkenners schrijven het aan Rubens toe; de experts geloven dat Rubens het klusje heeft laten klaren door een van zijn leerlingen.

De overgang van België naar Luxemburg verloopt ongemerkt. Je bent in Luxemburg, als de meeste auto's Luxemburgse nummerborden hebben. De Our zelf heeft even genoeg van de mensen. Zij verschuilt zich direct achter de grens in een dal, afgezet met steile, begroeide kloven.

Gemotoriseerde toeristen blijft geen andere keuze dan een forse omweg over het gehucht Lieler en de E 421 St. Vith-Vianden. Een schitterende, alternatieve route met veel haarspeldbochten loopt van Heinerscheid het Ourdal in naar de Tintesmühle, waar temidden van ruige bossen aan de oevers van de Our nog een enkele camping is te vinden.

Eeuwen geleden was het Ourdal al uiterst spaarzaam bevolkt, in dit deel van het dal - tot Dasburg - is dat tot op heden zo gebleven. De kronkelweg door de wouden eindigt in akkers rond het Duitse dorpje Dahnen, waar een van de weinige Trinitariër-kerkjes staat uit de dertiende eeuw. Kenmerkend is dat de kerk uit twee schepen bestaat: een voor de monniken, de ander voor de leken.

Vervolgens daalt de weg weer richting Ourdal en eindigt op de Duits-Luxemburgse grens bij Dasburg. Ten zuiden van Ouren langs de Luxemburgse oever loopt ook de Europese wandelroute van Amsterdam naar de Middellandse Zee.

Volgens Carlo Hemmer, die deze Ourwandeling heeft gemaakt, loopt er ook aan de Duitse kant een voetpad. Maar hij prefereert de Luxemburgse route als levendiger. Zijn beschrijving van de wandeling (zo'n vijftig kilometer) klinkt avontuurlijk. Maar hij waarschuwt: 'Een wandeling door het Ourdal is geen uitstapje in een dal.' Ononderbroken gaat het op en af, steil naar boven of steil naar beneden, soms over glibberig leisteen, dan weer over een vermoeiende houten trap, omdat er anders geen doorkomen meer aan is.'

Zo'n rasechte wandelaar krijgt een beetje de pest in als hij achter Dasburg de grote weg naar Vianden op moet. Niet de stilte, maar het gebrom van de vele auto's voert voortaan de boventoon, zeker in het toeristenseizoen.

Dasburg hoorde vroeger ook tot de verdedigingsketen rond Vianden. Van de Dasburgse burcht is vrijwel niets meer over. Napoleon had de vesting in 1811 als beloning aan zijn maarschalk Oudinot geschonken, de overwinnaar van Wagram. Oudinot liet zijn nieuwe bezit slopen om van de verkoop van het bouwmateriaal rijk te worden.

De ruim twintig kilometer zuidelijker gelegen Stolzembourg verging het niet veel beter. De ruïne werd in 1898 verkocht aan een zeker Dame Digby uit Londen. De Luxemburgers zijn nog steeds kwaad op haar. Zij heeft een wanstaltige residentie, compleet met Schotse kantelen, tegen hun 'trotse ruïne' laten aanbouwen. 'Ze waande zich zeker aan de Theems in plaats van aan de Our', luidt de reactie.

Na de Romeinen en de Franken speelden de graven van Vianden de baas over het Ourdal tot de Franse revolutie in 1789 een einde maken aan de feodale heerschappij. De burcht van Vianden, ruim duizend jaar oud, is gebouwd op resten van een Romeins kasteel. De burcht is een majestueuze uitkijkpost over het Ourdal.

In de veeriende eeuw kwam het in handen van de Nassau's. Een van de latere erven, koning Willem I, verkocht de burcht in 1820 voor 3200 gulden aan de Viandense zakenman en wethouder Wenzeslas Coster. Hij ging aan de slag om - net als Oudinot in Dasburg - de boel te slopen en te verkopen.

Hij was al een eindje op weg toen de woedende Luxemburgers Willem I in 1827 dwongen om zijn bezit terug te kopen. Elfhonderd gulden kostte het hem. De burcht was inmiddels een ruïne, die de Franse romanticus en schrijver Victor Hugo jaren later in vervoering zou brengen.

In de Tweede Wereldoorlog was Vianden frontstad. Maar na het Ardennenoffensief telegrafeerde de trotse burgemeester naar Luxemburg: 'Alles in orde, de stad is een ruïne, de burcht is gered.' Pas in 1978 werd begonnen met restauratie van de Viandense burcht.

Net voor Vianden heeft de Société Electrique de l'Our een stuwdam in de Our gebouwd. Het is de grootste elektriciteitscentrale in Europa. Het Our-dorpje Bivels moest ervoor worden verplaatst.

In het stadje Vianden - 'de parel van de Our' - is de Our opnieuw de oude vertrouwde bergrivier. Een stadje aan een rivier heeft vrijwel altijd een grote charme. Zo ook Vianden. De Our stroomt er vlakbij de oude woonstee van Victor Hugo onder een brug door, die opgesmukt is met een beeld van de heilige Nepomuk.

Deze Nepomuk werd in zijn eigen land, Hongarije, ter dood gebracht, omdat hij het biechtgeheim weigerde te schenden. Waarom hij speciaal in Luxemburg zo vereerd wordt? Het is een raadsel. Het zal wel uit vroomheid zijn. Maar zou er een idealere beschermheilige voor de Luxemburgse bankwereld bestaan dan Nepomuk?

De rivier stort zich uiteindelijk onder de Ourbrug in Wallendorf in de Sûre. Kort voor het schilderachtige Wallendorf, in Ammeldingen, liggen nog de restanten van Hitlers droom, de Westwall of Siegfriedlinie. Ze zijn des te belachelijker vandaag de dag nu het Europa van de open grenzen een feit is.

Reizend langs de Our dringt dat pas goed tot je door. De rit slingert door België, Luxemburg en Duitsland, en nergens zijn er nog grenzen. Soms - zoals bij Dasburg - stuit je op een gesloten alte Douane, een ruïne van de twintigste eeuw. De Our, zo realiseer je je, is niet langer een grensrivier.

Aan de Our bloeiden vroeger de houtindustrie (ontelbaar zijn de Mühlen) en de mijnbouw (koper). Tegenwoordig is langs de rivier het toerisme de belangrijkste bron van inkomsten. Adrien Ries, die zich heeft verdiept in de economische betekenis van het Ourdal, ziet deze ontwikkeling met lede ogen aan.

Ries: 'De bovenloop van de Our heeft geen last van het massatoerisme. Het kwaad begint pas onder Ouren en gaat door tot Wallendorf. In de zomermaanden hebben de inwoners van de slaperige gehuchten langs de rivier eigenlijk geen leven meer. De kampeerders kopen vrijwel enkel sigaretten en benzine. Voor de rest veroorzaken ze alleen maar lawaai, vervuilen ze het milieu en verstoppen ze onze wegen. . .'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden