De nieuwe werelden van Sofie

Recensie: filosofie voor kinderen

Wijsbegeerte voor kinderen kan best toegankelijk zijn. Maar het hoeft toch niet zo brááf.

Filosoferen met kinderen in boekvorm houdt iets bijna onuitroeibaar nuffigs. Wie de grote denkers toegankelijk probeert te maken, eindigt al snel met een dweperige opsomming, een opgeleukte wijsbegeertesyllabus.


Zelfs de wereldwijde bestseller De wereld van Sofie (1991/1994) van de Noor Jostein Gaarder heeft daar last van. De 15-jarige Sofie Amundsen vindt zichzelf niet knap en mist haar altijd afwezige vader, die op een olietanker vaart. Ze krijgt geheimzinnige anonieme brieven, waarin een oudere man haar uitlegt wat filosofie is en haar denkopdrachten geeft.


Hoe ingenieus in elkaar gezet ook, er is geen ontsnappen aan: we beginnen met Thales van Milete, komen op stoom met Socrates en Plato en eindigen in de buurt van Jean-Paul Sartre. Daartussen komen in elk geval Spinoza, Descartes en Nietzsche aan de orde. De wereld van Sofie Amundsen zal nooit meer dezelfde zijn.


Sinds de tijd dat deze filosofische jeugdroman verscheen, is de wijsbegeerte onmiskenbaar aan de collegebanken ontsnapt en een hobby geworden. Filosofie Magazine, opgericht in 1992, heeft een gestaag groeiende groep lezers, steeds meer scholen hebben een filosofieleraar en er verschijnen bij kleine, gespecialiseerde uitgeverijen met enige regelmaat handleidingen hoe met kinderen over moeilijke vragen te praten.


Toch is het laatste echte filosofische jeugdboek, Dat is waar (De Bezige Bij, 2002) van de Utrechtse beroepsdenker Menno Lievers, alweer meer dan tien jaar oud. Dat er deze maand zomaar twee tegelijk verschijnen, blijft ondanks de toegenomen belangstelling voor dit onderwerp een bijzonderheid.


De recentste is Lieve Stine, weet jij het? van schrijver en programmamaker Stine Jensen. Zij maakte na de wijsgerige televisieserie voor volwassenen Dus ik ben ook een juniorversie. Daar baseerde ze dit boek op, waarin twintig kinderkwesties als 'Wanneer ben ik mezelf?' en 'Hoe word ik gelukkig?' door Jensen worden beantwoord.


Ze ontsnapt daarmee aan het obligaat systematisch afwerken van denkers. Kinderen kunnen heel interessante vragen stellen en om die te beantwoorden hoef je niet per se bij Artistoteles te beginnen. Zoals de vraag van Ruben: of je 'ineens een crimineel' kunt worden. Jensen hangt haar antwoord op aan een van het rechte pad geraakte collega, die in de gevangenis studeerde en nu voorlichting geeft op scholen. Zijn kicks haalt hij niet meer uit stelen maar uit bergwandelen, want hij heeft hoogtevrees. Het meisje dat ermee zit dat ze loog tegen haar oma en door de mand viel, krijgt om te beginnen tips hoe beter te liegen. Jensens favoriete onderwerp.


Geestig, maar als geheel is het boek te willekeurig en te gemakkelijk in elkaar gezet. Haar antwoorden volgen een min of meer vast patroon: je moet eerst maar eens overzichtelijke lijstjes maken, wat uitproberen en dan kiezen wat het beste bij je past. En vooral jezelf blijven! Dat is geen filosofie, dat is alledaags pragmatisme.


De kindervragen zijn aandoenlijk, maar soms ook wel erg banaal. Wat moet ik doen als ik jaloers ben? Hoe weet je of je wel genoeg vrienden hebt? Of: is het erg dat je op Facebook net doet alsof je leuk uit bent geweest met een vriendin, terwijl de film eigenlijk heel stom was?


Arthur Schopenhauer heeft daar lang voor internet werd uitgevonden iets moois over gezegd ('Andermans hoofd is een waardeloze plek om als zetel voor waar geluk te dienen'), maar als antwoord tussen neus en lippen op de wanhopige bioscoopvraag van een puberend meisje dat nog nooit van de knorrige Duitse filosoof heeft gehoord, slaat het als een tang op een varken.


En hebben die kinderen nog iets aan dit antwoord? Daar komen we niet achter, want Jensen vraagt het zich in dit boek niet af. Ze zet wat ervaringen uit eigen leven, anekdotes en willekeurige filosofische oplossingen naast elkaar. En verder moet je het als lezer zelf maar uitzoeken. Stine weet het eigenlijk ook niet.


De uitdaging is juist om kinderen verder te laten denken dan alledaagse meningen die je ook in columns kunt lezen. Daarin slaagt schrijfster en theologe Janny van der Molen. Haar Grote gedachten piept en kraakt van een bijna vooroorlogse degelijkheid, maar ze krijgt het wél voor elkaar overtuigend een verzonnen klas vol bokkende onderbouwleerlingen neer te zetten, die aan het denken wordt gebracht over onderwerpen als 'idee & materie', 'vrijheid & democratie' en 'man & vrouw'.


Meester Swart, de nieuwe filosofieleraar van Sven, Sanne, Wouter en Loubna, is een beetje een rare. Hij draagt twee verschillende sokken en hij neemt zijn leerlingen vaak mee naar buiten. De beroemde grotmythe van Plato horen ze op een toepasselijke plek: de donkere kelder van de school. Als Descartes aan de orde komt, bezoeken ze het Utrechtse huisje van de anti-cartesiaan Voetius en in het hoofdstuk over feminisme dat van Anna Maria van Schurman, de eerste Nederlandse vrouw die aan een universiteit mocht studeren, zij het achter een gordijn.


Van een soepele vertellersstem moet Van der Molen het niet hebben. Zelfs als je de succesvolste schrijvers van klassenverhalen Jacques Vriens (over meester Jaap), Paul van Loon (meester Kikker) en Mirjam Oldenhave (mees Kees) even vergeet, zijn de zinnen waarmee ze haar meester Swart tekent hier en daar wel erg stug: 'na die toestand', 'haar mooie, wat ernstige ogen', 'tijd voor een tukje'.


Desondanks is ze iemand die door consequent vol te houden met een behoorlijk dik boek over taaie materie weet te overtuigen. Het is een meesterlijke vondst die haar onderscheidt van al die andere overzichtsboeken: de wijze man staat niet tegenover een enkele leerling, maar tegenover een hele klas, waarin niet iedereen even wild is van wijsbegeerte. Je mag er het jouwe van vinden en hoeft niet, zoals in De wereld van Sofie, 548 pagina's lang achterover te vallen van verbazing.


Sven is onder de indruk van Socrates, Plato en Nietzsche. Idealisme wordt heel concreet voor hem, als zijn huis met eieren wordt bekogeld door boze buurtgenoten, omdat zijn vader zich als raadslid uitspreekt voor een tehuis voor probleemjongeren.


Sterk is het hoofdstuk over Loubna, die hartstochtelijk gelooft in Allah en stiekem haar ontbijt en haar lunch laat staan om van haar kont af te komen. Spinoza vindt ze niets, maar na een kennismaking met Descartes en een goed gesprek met meneer Swart besluit ze weer te gaan eten.


De stoere Wouter verzoent zich in het hoofdstuk over leven en dood na de net niet verkeerd afgelopen bevalling van zijn zusje met zijn sullige stiefvader. Zonder na al die godsbewijzen van Augustinus en Thomas van Aquino nu meteen zelf een heilige te zijn geworden.


Als je de belangrijke filosofen afgaat, doe het dan goed. Dát doet Van der Molen. Ze is serieus, maar ook actueel, dichtbij en hier en daar zelfs ontroerend. Er is ruimte voor eigen ideeën, maar wel een zekere regie. Dat zijn eigenschappen die een goed, toegankelijk filosofieboek voor kinderen moet hebben.


Toch blijft het enigszins teleurstellend, als toegankelijkheid het hoogst haalbare is. Beide boeken vormen een prima vertrekpunt, maar ondanks de ironie van Jensen en de nuance van Van der Molen blijft een penetrante wierookgeur om het onderwerp hangen: je bent beter af als je kennismaakt met professionele denkers. Is dat echt zo? En: moet het zo braaf?


Nee, het kan ook anders. Je kunt ook achter je laptop vandaan komen en de tijd nemen om te praten met kinderen. Iemand die dat erg inspirerend doet, is de bevlogen Amerikaanse filosoof Gareth B. Matthews (1929-2011). In het boek Willen planten ook baby's? (Lemniscaat, 1994) doet hij verslag van de gelijkwaardige gesprekken die hij een jaar lang had met kinderen, over geluk, verlangen, de toekomst en tijdreizen. Gesprekken die ook mochten mislukken - wat ze dan overigens nooit doen - of waarin de kinderen het konden winnen van de professor.


In zijn notities achteraf maakt hij, zonder zijn leerlingen daarmee lastig te vallen, aannemelijk hoe dicht het kinderidee dat een bloem wel gelukkig moet zijn omdat hij bloeit, komt bij het idee van geluk van Aristoteles: doen waar je voor bedoeld bent. En zo ontdek je al pratend en peinzend hoe diep een ogenschijnlijk onschuldig gesprek kan zijn en hoe slecht die activiteit zich verhoudt met pedagogisch verantwoorde lesplannen.


En voor middelbare scholieren kan het geen kwaad om de filosofie met zichzelf de boksring in te sturen. Is filosofie wel ergens goed voor? Moet je je filosofieleraar niet gewoon meteen in brand steken, voor hij zijn mond opendoet?


Dat zijn vragen die de Franse filosoof Michel Onfray stelt in zijn aanstekelijke Het antihandboek voor de filosofie (Lemniscaat, 2003) voor hij aan de slag gaat met onderwerpen als openbare masturbatie, mensen die zich als beesten gedragen en de kwestie waarom je op school geen drugs kunt kopen, maar in Amsterdam wel. Het boek is aan de onderkant expres scheef afgesneden, zodat het altijd uit je boekenkast blijft steken.


Filosofie kan ook irritant, uitdagend en onaangepast zijn. Je hoeft er niet gelukkig van te worden en ook niet per se een diploma mee te halen. Als je er zó naar kijkt, dan bied je meer dan een goedbedoeld doorgeefluik.

Janny van der Molen: Grote gedachten

****


Met illustraties van Els van Egeraat.


Ploegsma; 256 pagina's, euro 24,95.


Vanaf 12 jaar

Stine Jensen: Lieve Stine, weet jij het?

***


Met illustraties van Sverre Fredriksen.


Kluitman; 128 pagina's. euro 14,95


Vanaf 11 jaar

Meer over