De nieuwe generasi

Het gist en broeit in Jakarta, twee jaar na het aftreden van Soeharto. De dictatuur behoort tot het verleden, maar om de toekomst vorm te geven moeten eerst de trauma's van vroeger worden verwerkt....

Door het centrum van de stad, in de schaduw van de uitzinnige skyline, scheurt toeterend een kolonne bussen in wit en groen, stampvol jonge mannen met baarden en tulbanden. Het is Muharram, islamitisch nieuwjaar. De bussen zijn met spandoeken behangen, 'Ga mee strijden in de jihad op Ambon!' Uit de ramen hangen jongens met getrokken kromzwaarden. Als ze mij op de stoep zien staan, schreeuwen ze dingen die ik niet versta. Ze zijn op weg naar het parlement, vijfduizend man sterk, om tekeer te gaan tegen de christenmoordenaars en tegen president Wahid, die een einde wil maken aan het verbod op de communistische partij, hun doodsvijand.

Wanneer ik een paar dagen later het parlementsterrein oploop is het er heet en uitgestorven. De brede trappen herken ik van televisie, toen Soeharto zijn terugtreden aankondigde en de de mon stranten gek werden van vreugde. Tot aan die dag, precies twee jaar geleden, was dit voor buitenstaanders absoluut verboden gebied. Nu komen er drie bussen met stakende onderwijzers binnen, mannen en vrouwen in uniform die het in de hoge hal op een zingen en joelen zetten, om pas weer af te reizen als de minister toezegt hun eis van loonsverhoging tot 1,75 gulden per uur te zullen bekijken. Even later staat er een tweede groep voor de deur, kleiner en grimmiger. Luchthaven per so neel dat fatsoenlijke werkvoorwaarden eist. Maar de baas heeft deelnemers met ontslag gedreigd en dus is de opkomst laag.

Het gebouw staat onaangedaan voor ze open. Vier in elkaar geschoven paviljoens, aangelegd in de kalme, zelfverzekerde geometrie van de jaren zestig. De macht die er woonde heeft zich spoorloos teruggetrokken. De spreekkoren galmen er makkelijk, de opwinding van alle dagelijkse, nieuwe demonstraties past er moeiteloos in. Pas na hun vertrek, als een enkele politieman of ambtenaar nog zijn ronde doet, zie ik hoe deze ruimte afzonderlijke mensen nietig maakt, onzichtbaar bijna.

Hier huisde de Nieuwe Orde van Soeharto. Officieel bestaat hij niet meer, maar iedereen die ik spreek, zegt dat de dubbele moraal en het rigide vijandsdenken nog diep in de samenleving verankerd zijn. Alle demonstraties die nu door de stad razen - het zijn stuiptrekkingen van de Nieuwe Orde. Soeharto was nog niet zo lang aan de macht toen ik hier woonde. In Jakarta leerde ik voetballen en gitaarspelen. Ik bracht er twee gelukkige jaren van mijn jeugd door. En 's nachts hield ik uit angst voor communisten de ramen stevig dicht. Het fijne wist ik er niet van. Ik was tien. Maar dat communisten mannen waren die in het donker naar binnen klommen om je keel door te snijden, dat begreep ik uit de verhalen die fluisterend de ronde deden.

Dat was in 1970. Nu ben ik voor het eerst terug, op zoek naar de kunstenaars, studenten en activisten die in de afgelopen jaren, buiten de gevestigde politieke structuren om, het gezicht zijn gaan bepalen van een stormachtige, versplinterde, hyperactieve generatie. Niet de reguliere oppositie, maar de radicale of artistieke tegenstemmen.

Taxiritten door de stad, langs loodsen met brommerhelmen en motorzadels, kopieerapparaten in de open lucht, rijdende kraampjes met nasi uduk en limonade-ijs, lijstenmakers die de nieuwe president met de luie, listige ogen in goud omhuld aan de deur hebben gespijkerd, krantenverkopers slalommend tussen de stilstaande auto's voor het stoplicht, oud-witte praktijken van tandartsen en accountants, optrekjes van gaas, hout en golfplaat waar je door de kieren mensen voor de televisie ziet hangen - eindeloze taxiritten brengen me van de een naar de ander. Hoe gaan ze de toekomst tegemoet? Hoe werkt de uitvinding van de democratie in een gistende, broeiende stad van zeventien miljoen mensen, de hoofdstad van een land in economische crisis dat, nu het eindelijk van de dictatuur af is, met geweld uit elkaar dreigt te vallen? Hoe staan de twintigers en dertigers die in 1998 het onmogelijke waarmaakten er nu voor?

Het gaat nog altijd over de communisten. Over de vroege morgen van 1 oktober 1965, toen zes generaals in hun bed werden vermoord, en de verschrikkelijke nasleep. De jonge Soeharto sloeg de nooit opgehelderde coup neer, gaf de schuld aan de communisten en nam zelf de macht over. Door het hele land werd iedereen die ook maar de verdenking droeg van communistische sympathieën afgemaakt of gevangen gezet. Honderdduizenden slachtoffers vielen, de Partai Komunis Indonesia werd verboden en Soeharto demoniseerde het communisme zo dat mensen zelfs het woord niet hardop durfden uit te spreken.

'1965 is de moeder van het huidige geweld', zegt Garin Nugroho (39). De bekendste filmmaker van zijn generatie is een flitsende prater met een schaterlach die zijn gedrevenheid camoufleert. Zijn vorige film, Leaves on a pillow, opende een jaar geleden het Rot ter damse filmfestival. De affiches van zijn nieuwste schokten dit voorjaar het Indonesische publiek. Voor het eerst was in het hele land een beeld van de anti-communistische terreur te zien: de korrelige foto van een politieman die een vastgebonden vrouw een jute zak over het hoofd trekt. 'Voor deze film, Puisi tak terkuburkan, ben ik teruggegaan naar 1965 omdat de geschiedenis tot nu toe altijd eigendom van de regering was. De kinderen die toen het geweld zagen, hebben daar nooit over mogen praten. De overlevenden mochten niet om de doden huilen. De paniek vandaag in Indonesië is het trauma dat eindelijk openbarst. Nu alles gezegd mag worden breekt de razernij los.'

Eerst dringt die nog niet tot me door. Bij mijn terugkeer in Jakarta is het vooral de melodie van de stad die ik hoor, niet de woede. Ik ga op in de maalstroom alsof ik nooit ben weggeweest, dobber in de hitte en de uitlaatgassen, en overal hoor ik vloeiende wijsjes, net als vroeger. Op straathoeken pingelen jongens op afgeragde gitaren. Een dwarsfluit speelt in de lift naar de top van het nationaal monument: de gouden vlam die uitzicht biedt op een stad waarvan de daken verdwijnen in een waas van geelbruine smog. Overal staat mtv Asia aan: jongens met sluik zwart haar zwerven tussen flatgebouwen en zingen hun liedjes tegen een achtergrond van ijle elektronicaklanken. Onschadelijke muziek, van alle scherpe randjes ontdaan, dat is Indonesië. Ook de muezzins klinken zangerig en bijna melancholiek, als de korte schemering valt en ze de gelovigen naar de moskee roepen.

Maar de dreiging ligt vlak onder de oppervlakte. Overal in de stad barsten grote en kleine conflicten uit die jarenlang zijn onderdrukt. Het conflict tussen islam en communisme, de oude religie en de oude ideologie, is daarvan het meest explosief.

Ik bezoek het haveloze kantoor van de islamitische studentenbond pii. Er staan dertig rode plastic stoelen klaar. Een jongen stoft met een plumeau de stalen ladenkasten af. Een ander hangt naast de Indonesische vlag ook nog even het groene bondsvlaggetje. Uit een transistor klinkt Indo ne sische softpop. Dan komt Budiman Sudjatmiko binnen, de leider van de radicale beweging prd. Hij wordt omgeven door de studenten die hem hebben uitgenodigd. Hij is hun tegenstander, maar ze begroeten hem met ontzag. Even later vuren de jongens ernstig hun vragen op hem af.

Het gaat over de communisten. Elders in de stad lopen op hetzelfde moment duizenden meisjes met hoofddoeken te demonstreren tegen het voornemen van de president om het verbod op de Partai Komunis Indonesia op te heffen. Hierbinnen blijft het bij woorden. Communisten zijn moordlustig en tegen de islam, dat is er jarenlang bij de jongens ingestampt. Waarom zouden zij de pki vertrouwen? Sommige vragenstellers verliezen zich in hun woorden. Hun gezicht vertrekt van angst en woede.

Budiman blijft laconiek. Hij geniet zichtbaar van dit soort discussies. Een paar maanden geleden zat hij nog in de gevangenis. Als leider van de prd werd hij in 1996 opgepakt en veroordeeld tot dertien jaar. Pas na ingrijpen van Wahid, afgelopen winter, kwam hij vrij. En nu legt hij uit dat juist dit democratie is, dit soort discussies. Democratie is dialoog, legt hij uit, wij zijn voor plutocratie en iedereen zijn eigen geloof.

De jongens geloven hem niet. Als de communisten eenmaal aan de macht komen, gooien ze al hun idealen af en leven we weer in een dictatuur. 'Nee', zegt Budiman, 'je mag politiek niet scheiden van ethiek. Mocht ik ooit aan de macht komen, dan geef ik mijn waarden niet op.'

Na afloop spring ik bij hem in de taxi, op weg naar zijn volgende afspraak. In Jakarta duurt elke taxirit een uur, lang genoeg voor een paar vragen. Waarom identificeren ze hem met de pki? Is hij communist? Hij draait zich om. 'Dat mag hier niet eens', zegt hij lijzig. 'Officieel is het hier nog steeds verboden communist te zijn.'

Maar in zijn hoofd?

Hij kijkt me kort aan, uitdagend. 'Ja, ik ben marxist.'

En dan rollen de oude frasen van zijn lippen. Deze charismatische jongen, die de universiteit al snel verliet maar in de gevangenis stapels boeken las over politieke economie, reist sinds zijn vrijlating stad en land af om kaderleden te werven en op te leiden, vooral onder arbeiders en boeren. Het volk moet zich organiseren in collectieven; het staatsapparaat moet worden omgevormd totdat het verantwoordelijk zijn taken uitvoert.

Waar hij zijn inspiratie vindt? De volkspartijen in Latijns-Amerika, de arbeidersbeweging in Brazilië.

Hij zegt het allemaal zonder een spoor van twijfel. De toekomst van het communisme is dertig en woont in Jakarta.

Geloof en ideologie sluiten elkaar niet altijd uit. In een winkelcentrum, met bloemenparfum en muzak in de lucht, legt Mixil me uit wat de rode islam is. Hij is 24, studeert islamitisch recht en geldt als een veteraan van de studentenbeweging. Aan zijn brede, intelligente gezicht met zachte ogen is niets af te lezen. De onverstoorbare manier waarop hij zijn verhaal doet is tegelijk indrukwekkend en griezelig. Hij buigt zich geconcentreerd over een stuk papier om uit te tekenen hoe de platte organisatie van Forkot in elkaar steekt, de militante actiegroep waarvoor hij de pamfletten schrijft. Hij noemt Indonesië een gevangene in eigen land, na jaren van uitbuiting door Soeharto, en vergelijkt het straatarme volk met droog gras dat zomaar vlam kan vatten.

Schrikt hij als gelovige moslim niet terug voor geweld tegen de autoriteiten? 'Nee. Wij leven in oorlog met de politie en het leger, en in oorlogstijd is het de moslim geoorloofd terug te vechten. Wij staan in de traditie van de rode islam, van rebelse denkers als Tan Malaka en Semaun die weigerden zich aan de Hollanders te onderwerpen. Ik lees nu het werk van Hasan Hanafi uit Egypte, die zegt dat een moslim zijn toestand niet als het lot hoeft te beschouwen, maar als het resultaat van een systeem dat hem onderdrukt. Onze islam gelooft niet alleen in de verticale relatie tussen de mens en Allah, maar ook in de horizontale relatie, in de verbondenheid tussen de onderdrukten onderling.'

Het duizelt me. De islam heeft veel gezichten in Indonesië. Ik vind een tafeltje op het schaduwrijke terras van kuk, de Komunitas Utan Kayu. Een binnenplaats, dertig meter van de krioelende straat en de uitlaatgassen, waar de bekende journalist Goenawan Mohamad na het verbod op zijn weekblad Tempo in 1995 een culturele vrijplaats aanlegde. Nu zijn er een kleine boekwinkel, een theaterzaal, een galerie, een instituut voor persvrijheid en een literair tijdschrift.

Van dat laatste, Kalam, is Ahmad Sahal (30) redacteur. Hij heeft net een artikel geschreven over islam, pki en vergeving. Hij is erg geschrokken van de getrokken zwaarden. Zelf werd hij in de beste moslimtraditie opgeleid tot kiai, geestelijk leider, maar hij ontdekte westerse denkers en zoekt nu zijn eigen weg. 'Net als president Gus Dur, die ook al op de islamitische school begon Das Kapital te lezen. Ik geloof in Allah, maar verdiep mij ook in de postmoderne filosofie. Mijn generatie kan dat. De jihad hoort hier niet. Die waait over uit de Arabische wereld, waar ze de islam niet combineren met mensenrechten. Ik geloof in een islam die zich voegt naar de streek en de context. In Indonesië zijn islam en democratie verenigbaar.'

Arahmaiani (39) schuift aan, een kunstenaar die de wereld afreist met haar performances over geloof, geweld, seks en commercie. 'Het is een paradox', zegt ze. 'Fanatieke moslims beschouwen het lichaam als iets heiligs en bedekken het daarom uit respect. Maar zodra dat heilige zichtbaar wordt, zodra het blootligt, gaan ze het met nietsontziend geweld te lijf.'

Sinds ze zelf in 1983 een maand vastzat op verdenking van communisme maakt ze het geweld tegen alles wat van de norm afwijkt tot haar thema, met haar eigen lichaam als inzet. Het festival van internationale performance-kunst, dat ze net hier heeft georganiseerd, riep bij het onwennige Indo nesische publiek heftige reacties op. 'Mijn werk speelt zich af op verboden terrein. Hindoes en boeddhisten hebben een natuurlijke, ontspannen verhouding tot het lichaam. Waar zij naar streven is zelfbeheersing. De moslims strekken hun zucht naar controle uit over anderen. De islamitische eis van lichaamsbedekking en de sociale controle liggen hier in elkaars verlengde. Daar komt het autoritaire denken vandaan, het militarisme dat deze hele samenleving doordringt. De mensen hier hebben moeite met open omgangsvormen. Over problemen wordt niet gesproken. Frustaties vinden pas een uitweg als ze uitbarsten.'

Ze maakte het mee in de rellen van 1998. Met honderden andere demonstranten raakte ze klem tussen de twee viaducten bij Semanggi. De politie, boven langs de reling opgesteld, wachtte op het donker en opende toen het vuur op de menigte. 'Ze schoten op ons als op ratten. Mensen raakten verbrand en verminkt.' Het was de grote uitbarsting die al jaren in de lucht hing. Bijna twaalfhonderd doden, aanvallen op de Chinese minderheid, warenhuizen die met personeel, plunderaars en al in vlammen opgingen. Soeharto trad uiteindelijk af en sindsdien is het land vrij, maar de mensen weten zich er nog geen raad mee. 'De deur staat nu open, maar ze hebben drempelvrees. De vrijheid vatten ze op als vrijheid om geweld te plegen. Ze branden elkaars huizen af, hele buurten gaan elkaar te lijf, om niets. Het geweld is bij het dagelijks leven gaan horen. Het militarisme is in de mensen gaan zitten.'

'Mensen die vroeger slachtoffer waren, grijpen nu zelf naar geweld', zegt Hilmar Farid (32), historicus en activist, een paar avonden later. Het afgelopen jaar bracht hij grotendeels door op Oost-Timor, en daar besefte hij pas echt dat de Nieuwe Orde een politiek van geweld is geweest: geen incidenten maar een fijnvertakt, onwrikbaar systeem. 1965, Atjeh, Oost-Timor, de Molukken, de geweldsuitbarstingen staan niet op zichzelf. Opgroeiend in een zwijgende, uniforme samenleving kon hij dat niet overzien. Pas nu de geschiedenis bespreekbaar wordt, begint hij te begrijpen hoe het geweld is doorgegeven en geïnstitutionaliseerd.

In een open hemd, versleten spijkerbroek en gympies zit Hilmar op de stenen rand van de veranda voor het kantoor van Elsam, een mensenrechtenorganisatie. De komende maanden gaan ze hier proberen uiteenlopende slachtoffers bij elkaar te brengen: de ouders van een plunderaar uit 1998 met de zoon van een vermoorde communist uit 1965, Chinese winkeliers, nieuwe daklozen uit Oost-Timor. Om te zien of ze hun ervaringen kunnen uitspreken, of ze elkaar iets te zeggen hebben en de cyclus van geweld kunnen stilzetten.

Vrijwel iedereen die ik spreek heeft kortere of langere tijd in de gevangenis doorgebracht. De Nieuwe Orde heeft ze altijd dicht op de huid gezeten, en nu proberen ze ieder op hun eigen manier de atmosfeer van intimidatie en paranoia van zich af te schudden.

Dita Sari, een vakbondsleidster van 27, die afgelopen zomer vrijkwam na drie jaar cel, probeert werkers en studenten te verenigen in de strijd tegen het grootkapitaal. Zij gelooft dat Marx in Indonesië nog gelijk gaat krijgen: de grote crisis van het nieuwe imperialisme, vertegenwoordigd door het imf en de Wereldbank, zal onvermijdelijk en gewelddadig zijn. Toch klinkt haar strijdersjargon vermoeid, terwijl ze in kleermakerszit tegen de muur leunt van het kleine kantoor van haar vakbond fnpbi. Sinds haar vrijlating heeft ze heimwee naar de eerste activistenjaren, begin jaren negentig, toen alles nog ondergronds was, de marxistische theorie op tafel lag en haar leven vol was van gevaar en vriendschap. Het is alsof de slogans van de vakbeweging hun magie verliezen nu ook de dictaten van de tegenstander zijn verbleekt.

Misschien is het een kwestie van taal. De dictatuur liet zijn onderdanen niet alleen achter met herinneringen aan de gevangenis, maar ook met een taal waarin de repressie en de beklemming doorklinken. Zelfs militante rebellen als Budiman, Mixil of Dita Sari moeten hun kameraden toespreken in het Bahasa Indonesia, de staatstaal. De taal van de politiestaat en de bureaucratie. Daarin heeft iedereen leren lezen en schrijven, ongeacht wat ze thuis om zich heen hoorden. Het was de taal waarin de Nieuwe Orde zijn monopolie op de waarheid en de geschiedenis handhaafde. Alle andere talen, die van de dorpen en de eilanden, waren eraan ondergeschikt. En nu is er geen alternatief meer. De media en de overheid spreken niets anders. Afschaffen is niet aan de orde. Maar besmet is hij wel.

Ik kom een dichter tegen die zichzelf een verloren man noemt. Afrizal Malna (42) heeft alle banden met zijn verleden verbroken. In zijn kleine kamer staat niets dat aan vroeger herinnert. De naam Paul Celan kent hij niet, maar als ik hem vraag of hij zich zou kunnen vergelijken met een Duitse dichter die na 1945 voor de opgave stond om poëzie te schrijven in de taal van een natie die Auschwitz had voortgebracht, knikt hij voorzichtig. 'Onze taal, die is ontwikkeld om politiek te bedrijven en zaken te doen, heeft geen wortels. Er bestaat een kloof tussen de taal die wij schrijven en de taal van de kampung, van het pleintje waarop de dorpsbewoners spelen en handel drijven, zonder typemachine en zonder papier. De taal van de Nieuwe Orde kende iconen en eufemismen, maar geen moraal. Er was geen veiligheid, geen openbaarheid van spreken. Sinds de reformasi van 1998 heb ik moeite met schrijven. Er kwam zoveel informatie naar buiten. Oost-Timor, Atjeh - de taal werd bloed.'

Bang voor de toekomst is hij niet, zegt hij. En als de angst hem toch bekruipt pakt hij een bezem en veegt de binnenplaats van de Urban Poor Consortium (upc), een netwerk van activisten dat probeert met tentoonstellingen en demonstraties te voorkomen dat het leven in de kampung uit het bewustzijn van de miljoenenstad verdwijnt.

Hoe ze dat doen? De jonge medewerkers van upc nemen me mee naar Gandaria, een kampung verscholen achter een omheinde villawijk. Waar nu de zandpaden langs stenen huisjes kronkelen en zwarte kippen op hoge poten rondscharrelen onder de luifels van golfplaat lagen tien jaar geleden rijstvelden. Tegenwoordig is het de tijdelijke woonplaats van mensen op drift, ver van de dorpen waar ze zijn opgegroeid. Edi, Gracia en de andere medewerkers van upc, bijna allemaal nog student, nodigen hier de vrouwen van de kampung uit voor een middagje community mapping. In een vrijgemaakte woonkamer, tussen posters van David Beckham en Mekka, komen ze beurtelings naar voren om met blauwe stift op een groot vel papier te tekenen waar ze wonen. Hier staat hun huis, aan dit weggetje, daar staat de moskee en daar de afvalberg. Nee, daar, roepen de anderen lachend. Sommigen wonen hier al jaren, anderen pas kort. Nu brengen ze zichzelf in kaart. Jarenlang als een amorfe massa behandeld, heen en weer geschoven door de cityplanners, tekenen de vrouwen van de kampung vandaag hun huis en schrijven er hun naam bij.

Later op de middag ga ik buiten in de schaduw op een tot de draad versleten bankstel zitten. Tussen de kwetterende stemmen uit het huis en de jongetjes die elkaar op een veldje met klei bekogelen, met ergens op de achtergrond popmuziek uit een radio, is het alsof de dertig jaren dat ik hier ben weggeweest vervliegen in de dampende hitte. Niet dat ik thuiskom, daarvoor blijf ik te veel buitenstaander, maar ik vind weer toegang tot een geschiedenis die ik niet gedacht had terug te vinden.

Misschien is dat ook het belangrijkste wat de jonge activisten en kunstenaars hier doen: het contact met hun verleden herstellen. Opgegroeid onder een regime dat zelf dicteerde wat mensen mochten onthouden en uitspreken raakten ze afgezonderd van hun gemeenschap, geschiedenis en herinnering. En nu ze eindelijk een wankele vrijheid betreden ontdekken ze dat ze alleen staan. De ervaring van eenzaamheid, bewust of onbewust, klinkt in alle gesprekken door. Het missen van een taal en van een gemeenschap. Vandaar misschien dat ze allemaal zeggen dat ze het niet alleen willen doen. De dichter, de filmer, de vakbondsleider, de studentenactivist, de filosoof en de marxist, ze spreken in bijna identieke woorden de wens uit het volk te bereiken. Ze willen de gewone Indonesiërs aanspreken, ze zoeken het gezelschap van de kampungbewoners en de arbeiders, de andere mensen met verzwegen herinneringen. De waanbeelden willen ze verdrijven, de herinneringen aan het licht brengen.

Het is een direct engagement dat ik ontwend ben, maar in Jakarta zijn de invloedrijkste kunstenaars van de nieuwe generatie er vol van. Ayu Utami (31) identificeert zich met de jonge priester in haar roman, die de kerk verlaat om bij de moslimbevolking te blijven van een dorp in Sumatra waarvan het land dreigt onteigend te worden. Het boek, Saman, is al aan zijn veertiende druk toe. Het wekte opschudding met zijn openhartige seks, in bijbelse taal beschreven, tussen de priester en een getrouwde vrouw.

'Ik hou van de bijbel om de polyfonie ervan. Die meerstemmigheid wilde ik ook mijn personages meegeven', zegt de mooie, tengere schrijfster, die met de postmoderne moslim Ahmad Sahal in de redactie van Kalam zit. 'Tegenover het katholieke geloof zelf sta ik ambigu. Mij bood het de introductie tot abstracties als god en waarheid. Het gaf me de passie voor het zoeken naar antwoorden, met het afscheid van het geloof zelf als onvermijdelijk resultaat. Maar godsdienst kan ook leiden tot destructieve passies. In dit land worden mensen vaak met religieuze motieven aangezet tot moord en doodslag. Juist in die kringen zou ik een opener manier van denken willen introduceren.'

De muezzin op de hoek slaat aan. Utami kijkt me aan, in afwachting van de volgende vraag, en neuriet in gedachten zachtjes mee met de oproep tot de gelovigen.

Melodie en geweld, ze blijven elkaar afwisselen in Jakarta. Op de laatste dag van mijn verblijf kom ik terecht in de studio van Iwan Fals (39), de rockzanger die onder Soeharto geregeld tegen een verbod opliep en toch tot op de kleinste eilanden herkend wordt. Hij repeteert met zijn band in het pastelkleurige souterrain van zijn huis vlak buiten de stad. Hij is de Springsteen van Indonesië: hele stadions zingen zijn alternatieve volksliederen, ballades van de gewone man, met tranen in de ogen mee. Hier, in de beslotenheid, klinkt hij bijna bedachtzaam.

Praten doet hij liever niet, maar hij laat zich wel fotograferen op de betonnen vloer van het openluchttheater dat hij achter zijn huis laat bouwen. Hier gaan straks jonge muzikanten en theatermakers optreden. Volgende week krijgt hij er zevenhonderd fans uit het hele land op bezoek, voor de oprichting van een nieuwe vereniging voor democratie en geweldloosheid. De naam is er al: Oi, Orang Indonesia, de Indonesische mens.

Gemeenschapszoekers, ook Iwan Fals is er een. Ik moet denken aan Garin Nugroho, de filmmaker die met zijn nieuwe film het publiek zijn geheugen terug wil geven: de vrijheid om te huilen om de doden, en dan de terreur eindelijk achter zich te laten. Fals, Utami, Nugroho en de anderen horen tot een generatie die de toekomst tegemoet gaat door om te kijken. 'We zijn verdwaald in het bos, zonder kaart', zegt Nugroho, schaterend om zijn eigen vondst. 'Voordat we verdergaan moeten we eerst terug naar het oude gebied, waar we vandaan kwamen, het nulgebied. Omdat we van daaruit pas de bestemming weer kunnen vinden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden