DE NIET TE WINNEN STRIJD

Vijftig jaar nadat een BVD-dossier over hem werd aangelegd, vecht ingenieur Johan Wilman nog steeds voor eerherstel. 'Ik doolde als een verschoppeling door de maatschappij.' Door John Schoorl en Bert Wagendorp..

Hoeveel kan een mens eigenlijk verdragen, in zijn leven? Hoe lang kunnen ze hem treiteren en vals beschuldigen; hoe lang zijn bestaan verzieken, hem het leven onmogelijk maken - voor hij breekt?

Lang, kennelijk. Meer dan een halve eeuw wel. Terwijl het lichaam bijna is gesloopt door de ouderdom en het lange gevecht tegen onrecht en vernedering, terwijl de stem zwak is geworden van de eindeloze herhalingen en het eindeloze verweer, richt de onbreekbare geest zich op als in zijn jonge jaren en klaagt de wereld aan.

Johannes Theodorus Wilman, van 8 oktober 1921, is een rationeel mens. Hij wil liefst alleen maar praten in argumenten, in waterdichte redeneringen. Geen emoties, alsjeblieft, geen suggesties of insinuaties. Feiten! Wanneer zijn vrouw sterke vermoedens oppert, kijkt hij verontschuldigend en wappert boos met zijn armen: 'Vrouwen!'

Maar soms breken ook bij hem de dijken van redelijkheid en beheersing. Dan klinken de geweldige woede en de grote frustratie in zijn woorden door. 'Het is toch schandálig wat ze met me hebben gedaan! Hoe hebben ze dat nou kunnen doen?'

Hij praat nog altijd moeizaam en moet vaak zoeken naar woorden, nadat hij zeven jaar geleden door een hersenbloeding werd getroffen.

Maar in zijn ogen kun je zien dat hij meent wat hij zegt en dat hij niet zal opgeven voor hij ze voor de laatste keer sluit. Hij zit aan de tafel voor het grote raam van het appartement dat hij samen met zijn vrouw bewoont aan het Rotterdamse Bentinckplein.

Hij wil recht.

Johannes Theodorus Wilman heeft al heel lang geen viool meer gespeeld.

Vanaf de dag waarop hem duidelijk werd dat er vieze spelletjes met hem werden gespeeld, heeft hij het instrument nooit meer aangeraakt. Zijn vrouw heeft in 41 jaar huwelijk nooit naar hem kunnen luisteren. Want we hebben het wel over een dag in 1957, toen Johan Wilman voor het eerst de schellen van de ogen vielen.

In dat jaar had werktuigkundig ingenieur Wilman een gesprek met een personeelsfunctionaris van de Gemeente Rotterdam, nadat hij voor de zoveelste keer was afgewezen voor een functie. Er was, zei de functionaris, sprake van een geheim rapport met daarin zijn politieke antecedenten. Die waren kennelijk zodanig, dat werkgever na werkgever ervan afzag hem in dienst te nemen.

Dus toen begon Johan Wilman iets te begrijpen van wat er gaande was - hoewel nog op geen stukken na alles.

Zijn vader heette Eelze Wilman en was een Fries die als machinist bij NS werkte. De jonge Johan blonk uit in twee dingen: hij had een scherp exact studiehoofd en hij was buitengewoon muzikaal. Hij kreeg vioolles bij de beroemde muziekpedagoog Oscar Back in Amsterdam en met twee jongetjes behoorde hij, zegt Wilman, in de jaren dertig tot diens meest getalenteerde leerlingen. De andere twee heetten Herman Krebbers en Theo Olof - beiden zouden het uiteindelijk tot concertmeester van het Concertgebouworkest schoppen.

Maar Johan Wilman koos voor een andere loopbaan. 'Back zei: jij bent goed in twéé dingen. Krebbers en Olof alleen in muziek.' Bovendien kwam hij uit een arbeidersmilieu, waarin een keuze voor de muziek minder voor de hand lag. In 1943 studeerde hij als werktuigkundig ingenieur af aan de Technische Hogeschool van Delft - hij was 21 jaar. Direct na de oorlog werd hij assistent bij professor Brandsma, in het metallurgisch lab van de TH.

Hij was goed, Wilman. Nog in 1962 stond het in een rapport van de Binnenlandse Veiligheidsdienst: 'hoogst intelligent, op het geniale af'. Klopte er ook eens een keer iets wél, bij de BVD.

Maar met die dienst had hij in de eerste naoorlogse jaren nog niets te maken. Johan Wilman leek op weg naar een glorieuze loopbaan die onvermijdelijk moest eindigen in een hoogleraarschap of een hoge functie in het bedrijfsleven. Het waren de jaren van de wederopbouw, Nederland zat te springen om zijn kennis, en de sky was de limit.

Uit die jaren stamt ook zijn eerste kennismaking met de Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM). Op verzoek van de werf werd hij door de TH uitgeleend om een technisch probleem met tussenassen op te lossen - wat hij ook deed. In 1947 kwam hij in dienst bij het seinwezen van NS, twee jaar later moest hij alsnog in dienst: bij de marine. Bij NS beloofden ze hem dat hij na zijn diensttijd kon terugkomen.

Omdat hij bij de marine werd belast met gevoelig controlewerk, onder meer bij de bouw van marineschepen, deed de Marine Inlichtingendienst, de Marid, bij de inlichtingendienst van de politie in Wilmans woonplaats Rotterdam navraag naar de antecedenten van Johan Wilman. Uitgebreid onderzoek niet nodig, berichtten ze vanuit de havenstad, in een rapport van 17 november 1949. 'Komt niet voor.' Wilman, luidde de conclusie, was brandschoon. Ze konden hem met een gerust hart loslaten op gevoelige marinedossiers.

Als officier speciale diensten kwam Wilman andermaal regelmatig bij RDM over de vloer; een toegewijd en streng controleur, die niet van sjoemelen houdt. Hij is net als zijn vader: 'Een Fries. Altijd rechtdoor. Nooit opgeven.' Als RDM volgens hem een opdracht voor assen van onderzeebootjagers niet aankan, zorgt hij ervoor dat de opdracht naar een fabriek gaat die dat wel kan, in Duitsland. Met een vilein glimlachje: 'Die hadden daar veel ervaring in.'

Daar moet het ergens zijn begonnen, denkt Wilman. Ergens in die periode moet hij zich de hevige irritatie van de directeur van de RDM, Van der Pols, op de hals hebben gehaald. En Van der Pols, RDM-directeur tussen 1948 en 1970, had entree bij hoge politici van de VVD. Van 1963 tot 1969 was hij zelfs partijvoorzitter.

Wilman is ervan overtuigd dat het Van der Pols moet zijn geweest die aan de basis heeft gestaan van de hetze jegens zijn persoon. Het is, meer dan een halve eeuw later, een niet meer te bewijzen reconstructie, of de BVD-archieven moeten écht opengaan.

Wel is er, in de notulen van de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste Kamer van 11 april 1960 sprake van 'de man van de Droogdok Maatschappij die de oorspronkelijke inlichtingen verschafte'. Van der Pols is in 1995 gestorven - Johan Wilman heeft vaker contact met hem gezocht, maar hij kreeg hem nimmer aan de telefoon. In 1975 verklaarde Van der Pols tegenover het ANP wel, dat Wilman tijdens een 'routine-onderzoek' bij de RDM 'als communist door de mand was gevallen'. Dat was in elk geval een leugen.

Wie de bron van alle ellende dan ook was, in februari 1950 meldt kapitein Thijssen van de Luchtstrijdkrachten aan de BVD dat Johan Wilman, belast met het toezicht op de bouw van marinematerieel bij onder meer RDM, in 1946 en 1947 vermoedelijk De Waarheid las en mogelijk zelfs was aangesloten bij de CPN. Het is drie maanden na het ontlastende rapport van de Rotterdamse politie aan de Marid, toen van dergelijke verdachtmakingen geen sprake was.

Het zijn beschuldigingen die erin hakken, in het begin van de jaren vijftig. In navolging en op instigatie van de grote neven van de CIA heeft ook de Nederlandse veiligheidsdienst het communistische gevaar ontdekt - zelfs een vage beschuldiging van communistische sympathieën is al ruim voldoende om alle alarmbellen over te laten gaan. Zeker wanneer het iemand betreft die rondloopt in een marine-uniform en zich bemoeit met de bouw van marineschepen. Een mol op de werf!

Hij weet het nog niet, maar Johan Wilman is gedoemd. Steentje voor steentje wordt in de dossiers van de geheime diensten het beeld opgebouwd van een gevaarlijke communist. Luitenant ter zee G. Kruys van de Marid noemt Wilman in september 1950 'een rare snuiter' die zich intensief onder arbeiders van de scheepswerf beweegt en die zich gedraagt als 'een echte proletariër'. Elders wordt gemeld dat Wilman zich laatdunkend uitlaat over zijn superieuren, rechtstreeks de communistische leer propageert en luid en duidelijk verklaart dat 'Nederland als Rusland moest worden'. Bovendien is hij nog 'arrogant' ook.

Uit een verslag van de Marid, van 4 juni 1951: 'Relatie verzoekt met spoed een onderzoek te willen doen instellen naar de Ltz. Wilman. Bij de Secretaris-Generaal is nl. door een 2e Kamerlid (de naam was relatie niet bekend) geklaagd over het feit dat Wilman als communist in zeedienst werd gehandhaafd en zelfs werd belast met de controle op gerubriceerde productie. Onderzoek toegezegd.'

De teerling is geworpen, het leven van Johan Wilman bepaald. De carrière van een briljante jonge ingenieur staat op het punt te worden gebroken. Dat ze hem bij de marine even daarvoor nog dolgraag in dienst wilden houden, dat ze hem bij zijn vertrek bij NS hadden toegezegd dat hij kon terugkeren, dat er in 1949 nog niets was gebleken van communistische sympathieën: het doet er allemaal niet meer toe. Opeens wil de marine hem niet meer, mag hij niet terugkeren bij NS en vallen ook elders deuren in het slot.

Johan Wilman een communist? Hij kijkt naar buiten. Zijn vrouw schenkt nog een kopje thee in. Op een schaaltje liggen plakjes cake. Johan Wilman schudt zijn hoofd. 'Ik was potverdomme helemaal geen communist! Daar had ik helemaal geen tijd voor. Ik was totaal niet geïnteresseerd in politiek. Ik ging niet eens stemmen. Wat me interesseerde, was mijn vak. Omdat ik er goed in was. En de viool.'

'Nee!', zegt Wilman tegen zijn vrouw, die nog iets wil aanvullen. Hij is hevig geëmotioneerd. 'Potverdomme!'

Toen hij binnen de Veiligheidsdienst eenmaal bekend stond als een risico, volgde op al zijn sollicitaties een afwijzing - in een tijd dat je als ingenieur verdomd goed je best moest doen om werkloos te blijven. En Johan Wilman wilde dólgraag aan het werk. De sollicitaties verliepen bijna altijd volgens eenzelfde stramien. Voortreffelijke gesprekken, enthousiaste werkgevers en dan, een tijdje later, toch weer de afwijzing. Zeker zestig zijn het er, ze zitten allemaal in zijn archief. 'Die rotbrieven kwamen altijd op zaterdag.' Hij begreep er geen bal van. Dat overheidsdiensten en grote bedrijven in die jaren de antecedenten van sollicitanten lieten natrekken, wist hij niet.

Nadat hij in 1957 lucht had gekregen van een BVD-dossier over zijn persoon, begon Wilman zijn kafkaiaanse gevecht tegen een onzichtbare vijand. Minister Suurhoff (PvdA) van Sociale Zaken en Volksgezondheid betichtte hem er in 1958 van dat hij leed aan een 'waandenkbeeld'. In 1959 kreeg hij via een van zijn voormalige hoogleraren in Delft bijna een baan bij het Reactor Centrum Nederland (RCN). Ook die ging uiteindelijk aan hem voorbij, volgens professor M. Boogaard van het RCN, omdat zijn aanstelling niet op de goedkeuring van de BVD kon rekenen. In 1960 bevestigde de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste Kamer dat de BVD er een 'bezwarend' personeelsdossier Wilman op nahield.

'Negen jaren doolde ik als een verschoppeling in de maatschappij rond', schrijft Wilman in 1960 in een brief aan de Eerste Kamer. 'En mijn carrière als ingenieur is totaal kapotgemaakt.'

Tussen 1962 en 1967 werkte Wilman wél bij het RCN, nadat minister Toxopeus had beloofd dat de BVD Wilman niet meer zou lastigvallen. Maar Wilman voelde dat hij niet werd vertrouwd. Hij mocht niet aanwezig zijn bij bepaalde vergaderingen. 'Ik dacht: wel godverdomme, wat is dat toch met die besprekingen, waar iedereen bij mag zitten, behalve ik. En toen zei Boogaard: Wilman, als je het verder gaat uitzoeken, zal je diep vallen. Toen dacht ik: wat ís dit, verdomme.' Even later vroeg RCN Wilmans ontslag aan. Later werd dat door de rechter als 'onredelijk' beoordeeld - te laat.

Dat Wilman in zijn vrije tijd Russisch was gaan studeren 'om de geest wat te verzetten' en soms brieven kreeg van Russische collega-onderzoekers, hielp vermoedelijk ook niet het vertrouwen te versterken.

Terwijl zijn vrouw het gezinsinkomen verzorgde via haar baan als waarnemend directrice van het Dijkzigt-ziekenhuis, probeerde Wilman er achter te komen wat er precies rond zijn persoon was voorgevallen én hoe hij rehabilitatie kon bewerkstelligen. Een lange, bijna eindeloze tocht langs Kamerleden, bewindslieden en advocaten volgde.

Wilman is onvermoeibaar in zijn gevecht om rechtvaardigheid. In 1994 bood minister Van Thijn van Binnenlandse Zaken hem vijftigduizend gulden schadevergoeding. Het ministerie gaf toe dat de BVD gegevens had verstrekt aan potentiële werkgevers, maar zei erbij dat zulks gezien moest worden tegen de heersende tijdgeest en dat het de staat dus moeilijk iets kon worden verweten. Wilman weigerde het aanbod.

Vijf jaar later bood Van Thijns opvolger Bram Peper het dubbele, honderdduizend gulden. Peper formuleerde een halfslachtige schuldbekentenis, namens de overheid. 'In de eerste plaats aarzel ik niet te zeggen dat de door u in uw carrière ondervonden problemen in verband kunnen worden gebracht met de gang van zaken rond de naar u ingestelde veiligheidsonderzoeken.' Dat wilde Wilman graag horen. Maar: 'Tegelijkertijd moet ik echter constateren dat bij verschillende gelegenheden is vastgesteld dat de overheid bij dit alles niet onrechtmatig of anderszins laakbaar heeft gehandeld.' Het geld mocht dan ook níet worden gezien als een schuldbekentenis.

Wilman, min of meer gedwongen door advocatenrekeningen en ander financieel ongemak, accepteerde de ton netto. Maar zijn rechtsgevoel was er niet door bevredigd. Het gevoel bleef knagen dat zijn leven was vernietigd. En vooral dat de Nederlandse staat nooit ruiterlijk had gezegd: Johan Wilman, wij hebben je willens en wetens kapotgemaakt, en daarvoor bieden we onze excuses aan. Dát wil hij horen.

'Ik blijf vechten voor een volledige rehabilitatie', zegt Johan Wilman. 'Ik wil dat de minister zegt: deze man is schofterig behandeld. Het kan me niets verdommen, ik geef niet op. Die hele smeerlapperij: ik zoek recht.'

Natuurlijk, toen Willem Oltmans in 2000 acht miljoen gulden compensatie kreeg voor alle jaren waarin híj door de Nederlandse staat was tegengewerkt, versterkte dat bij Johan Wilman het gevoel dat hij met een fooi was afgescheept. Maar het gaat hem niet in de eerste plaats om geld. Wat moet hij nog met een miljoen? Het gaat om eerherstel.

Nee, hij denkt niet dat hij ooit de viool nog ter hand zal nemen. Zelfs niet wanneer de nachtmerrie ooit nog worden afgesloten. 'Ik kan het niet meer.'

Eén positief ding heeft hij aan alle ellende overgehouden: als gedwongen huisvader heeft hij een heel hechte band met zijn dochter opgebouwd.

Hij weet dat hij misschien niet veel tijd meer heeft, hij is 84 en zijn gezondheid is fragiel. Maar hij heeft zich over de gevolgen van de hersenbloeding heengevochten, hij heeft zich bijna een halve eeuw te weer gesteld tegen een machtig apparaat dat hem het liefst wilde vermorzelen: zal hij dan nú opgeven? 'Dat is precies wat ze willen.'

Bovendien, zegt Johan Wilman, 'als ik ermee zou ophouden, zou ik meteen doodgaan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden