De netwerkmaatschappij UITVOERIGE STUDIE VAN MANUEL CASTELLS OVER NIEUWE SAMENLEVING

I N DE verkiezingscampagne voor het Amerikaanse presidentschap van 1992 wilde vice-president Dan Quayle de teloorgang van traditionele familiewaarden aan de kaak stellen....

HANS WANSINK

Waar de brave Republikeinse voorman niet op had gerekend, was dat Murphy Brown terugsloeg. In de eerstvolgende aflevering van de serie zien we haar kijken naar een tv-interview met Quayle die haar kritiseert. Verontwaardigd hekelt ze de bemoeizucht van politici met het leven van vrouwen en verdedigt ze het recht op een nieuwe moraal.

Hiermee werd de vice-president van de Verenigde Staten dus getransformeerd tot een personage in een televisieserie. Op haar beurt kreeg Murphy Brown reële invloed, want haar identificatie met het lot van vele vrouwen leverde een wezenlijke bijdrage aan de verkiezingsnederlaag van de Republikeinse kandidaten Bush en Quayle.

De denkbeeldige, symbolische werkelijkheid wordt door de alomtegenwoordigheid van de elektronische media tot een echte ervaring, die invloed uitoefent in de 'echte' werkelijkheid. Een boodschap kan in de hedendaagse samenleving alleen een maatschappelijke rol spelen als hij via de media wordt verzonden.

De van origine Spaanse socioloog Manuel Castells noemt dit verschijnsel 'de cultuur van de reële virtualiteit'. Onze manier van denken vindt in toenemende mate zijn uitdrukking in de massamedia: 'Wij zijn in de media, de media zijn in ons.'

Het rapport dat Manuel Castells uitbrengt van zijn vijftienjarig onderzoek naar de ontwikkelingen die de wereldsamenleving een totaal ander aanzien hebben gegeven, is een fascinerende reis om de wereld in 1482 pagina's. Castells noemt de nieuwe maatschappijformatie in wording de 'mondiale netwerkmaatschappij'. Zelf is hij, geboren in 1942 in Barcelona en in 1962 voor het Franco-regime gevlucht naar Parijs, ook een groot netwerker. Gevestigd aan de universiteit van Californië in Berkely deed hij veldonderzoek in Rusland, Mexico en Japan, adviseerde hij de president van Brazilië en de Europes Unie, en was hij gasthoogleraar aan twintig universiteiten.

Castells' reis is een intellectueel avontuur, geen verhalende beschrijving. Hij is op zoek naar het nieuwe, naar discontinuïteit. Hij analyseert literatuur en gegevensbestanden, verifieert economische en sociologische theorieën en doet verslag van eigen onderzoek. Zijn studie is een effectieve remedie tegen liberaal dogmatisme, postmodern relativisme én linkse doemdenkerij.

Het ontstaan van de nieuwe wereld begon met de revolutionaire veranderingen in het productieproces als gevolg van de informatietechnologie. Diezelfde technologie stond aan de basis van een nieuw kapitalisme, dat geen hiërarchie kent, gebaseerd is op innovatievermogen, concurrentie en flexibiliteit en een einde heeft gemaakt aan het sociale contract tussen de georganiseerde arbeid, het industriële kapitaal en de verzorgingsstaat.

Ogenschijnlijk onafhankelijk van deze informatierevolutie voltrok zich een sociaal-culturele omwenteling, die zijn wortels vond in de studentenbeweging van de jaren zestig en waarvan Castells zelf als jonge docent aan de sociale faculteit in Parijs in 1968 ooggetuige was. De bewegingen voor seksuele bevrijding, tegen het patriarchaat en voor een leefbaar milieu hebben door hun open, experimentele en kosmopolitische karakter een grote bijdrage geleverd aan de erosie van hiërarchische structuren. De beweging zelf is grotendeels weggespoeld, maar ons cultureel klimaat is duurzaam beïnvloed door de ideeën omtrent feminisme, individualisering, ecologie, gelijkwaardigheid van blank en zwart, mensenrechten en directe democratie.

Castells neemt hiermee een afwijkend standpunt in. De culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig wordt door intellectuelen van uiteenlopende pluimage vandaag de dag juist als onbeduidend beschouwd. Dat geldt voor de oudere generatie marxistisch geïnspireerde geleerden als Eric Hobsbawm, Zygmunt Bauman of François Furet, voor teleurgestelde linkse generatiegenoten van Castells die zich slachtoffer voelen van een backlash, maar ook voor liberale aanzeggers van het einde van de geschiedenis als Francis Fukuyama. Zij allen hebben ongelijk.

Niet voor niets was het in Californië, centrum van flower power en andere alternatieve creativiteit, waar de informatierevolutie begon. De aanwezigheid van enkele belangrijke universiteiten en de stimulerende invloed van de defensie-industrie zorgden voor grootschalige researchprogramma's en grote afnemers bij de overheid. Een cultuur van gedecentraliseerde creativiteit met rolmodellen van snel persoonlijk succes (popsterren, filmmakers en computerontwerpers) deed de informatietechnologie opbloeien. Toen de take-off had plaatsgevonden, schiep die technologie zijn eigen vraag naar software, naar nieuwe toepassingen, en ontstonden er nieuwe markten, waarbij de nabijheid van Hollywood een extra stimulans betekende.

Wanneer Castells het heeft over de netwerkmaatschappij, gaat het over veel meer dan alleen Internet. De financiële markten vormen een netwerk, maar dat geldt ook voor bijvoorbeeld de Europese Unie. Castells beschrijft de internationale misdaad als een 'perverse connectie' die sterk in betekenis toeneemt, een 'mondiale netwerkeconomie met andere spelregels', waarin de cocavelden, de laboratoria, de geheime landingsbanen, de dealers, de corrupte overheidsfunctionarissen en de witwassers onmisbare schakels vormen.

Ook het bovengrondse bedrijfsleven opereert in netwerken. De mondiale onderneming zelf is een netwerk van flexibele werkmaatschappijen, waarin de informatie razendsnel circuleert en waarin kapitaal en arbeid op de meest profijtelijke manier over de hele wereld worden gecombineerd en gehergroepeerd.

De financiële wereldmarkten vormen het zenuwcentrum van het informatiekapitalisme. Daar komen alle winsten bij elkaar, op zoek naar nog hogere rendementen. Zo vormen deze markten wat Castells omschrijft als de 'moeder van alle accumulaties'. Omdat de technologie ruimte en tijd tot bijna nul heeft teruggebracht, is het mogelijk binnen enkele seconden de wereld af te grazen op zoek naar investeringsmogelijkheden.

De netwerkmaatschappij verschilt essentieel van de klassieke moderne samenleving. In de eerste plaats liggen de kracht en de samenhang van het netwerk in het verkeer tussen de knooppunten: er is geen cockpit of machtscentrum van waaruit een centrale regie tot uitvoering wordt gebracht. Gegeven de snelheid en de alomtegenwoordigheid van de informatietechnologie is de afstand tussen de knopen in het netwerk weggevallen. Locaties verliezen veel van hun zelfstandige betekenis, ze worden geabsorbeerd in het netwerk. Hetzelfde geldt voor het ritme van de klok, voor de tijd als herhaling van dagelijkse routine. De arbeidstijd wordt gediversifieerd, het onderscheid tussen werk en vrije tijd vervalt.

Als gevolg van wereldomspannende netwerken van rijkdom, macht en informatie heeft de moderne natiestaat veel van zijn soevereiniteit verloren, constateert Castells. De privatisering van publieke diensten en de ontmanteling van de verzorgingsstaat verbreken het historische compromis tussen kapitaal, arbeid en staat. De arbeidersbeweging verdampt als sociaal bindmiddel en kerken verliezen hun vermogen het gedrag van burgers te beïnvloeden.

De crisis van het patriarchale gezin verstoort de ordelijke overdracht van culturele codes van generatie op generatie en doet de grondslagen van persoonlijke veiligheid schudden. De bronnen van legitimerende identiteit spoelen weg. De organisaties van het maatschappelijk middenveld zijn lege schalen geworden en niet langer in staat mensen en hun waarden aan te spreken.

Het politieke systeem verliest aan geloofwaardigheid. Gevangen in de media-arena, gereduceerd tot gepersonifieerd leiderschap, afhankelijk van geavanceerde technieken van manipulatie en van onwettige financiering, heeft het partijwezen zijn aantrekkingskracht en betrouwbaarheid verloren.

M AAR ER is ook de opkomst van machtige alternatieve bronnen van identiteitsvorming: de vrouwenbeweging bijvoorbeeld, en de milieubeweging. Greenpeace, Amnesty en Artsen zonder Grenzen zijn volgens Castells manifestaties van nieuw wereldburgerschap. De logica van de netwerkmaatschappij roept zo zijn eigen tegenstand op. Maar ook de nieuwe sociale bewegingen nemen de vorm van netwerken aan. Gebruikmakend van informatietechnologie produceren en verspreiden zij nieuwe culturele codes. Zo worden zij netwerken van sociale verandering.

Castells acht defensieve identiteitsvorming, het je als gemeenschap afsluiten in verzet tegen de boze buitenwereld, bij uitstek typerend als reactie op de onzekerheid van de netwerkmaatschappij. Fundamentalisme is hypermodern en is een veel belangrijkere factor om de mensen in beweging te krijgen dan de politiek. Het is Jihad versus Mc World, om met Benjamin Barber te spreken. Het duikt overal op, maar vooral als reactie op de legitimatiecrisis van - veelal overhaast geconstrueerde - postkoloniale natiestaten met hun corruptie, inefficiëntie en afhankelijkheid van vreemde mogendheden.

Daaroverheen kwam economische ellende, die de verwachtingen van jonge, door de eerste hervorming vaak goed opgeleide, stedelingen frustreerde. Uiteindelijk is het plegen van geweld de enige vorm van zelfbevestiging. Dat zien we in Algerije, op de Balkan, in Midden-Afrika, maar ook in de zwarte wijken in Los Angeles.

Naties keren zich tegen kunstmatige staten. In Europa, de voormalige Sovjet-Unie, maar ook in Afrika. Het gelijkstellen van de emancipatie van het volk aan de emancipatie van de natie in één staat, 'nationale soevereiniteit', is volgens Castells een fatale vergissing.

Ernst Gellner en Hobsbawm hebben ongelijk, stelt Castells terecht. Zij beweren dat nationalisme niet meer is dan negentiende-eeuwse, door elites uitgevonden tradities, die aan een weerloos volk worden opgelegd. Dat is een onderschatting. Internationalisering van politieke instituten en cultuur heeft het nationalisme niet dood gemaakt. Het leeft onder het volk waar het van generatie op generatie wordt doorgegeven. Het is meer cultureel dan politiek, meer reactief dan actief. Het gaat om datgene wat de culturele gemeenschap ten opzichte van andere onderscheidt: dat is de essentie van de natie.

De trilogie van Manuel Castells is nog het best te vergelijken met het baanbrekende werk van de grote Franse historicus Fernand Braudel uit 1946 over de Middellandse-Zeebeschaving van de zestiende eeuw. Braudel bereisde in de jaren twintig en dertig de kusten van het Middellandse-Zeegebied, op zoek naar de meest uiteenlopende bronnen en archieven. Braudels ambitie was een integrale geschiedschrijving van de invloedssfeer van de toenmalige machtigste vorst: Filips II. Hij analyseerde daartoe de longue durée van zich nauwelijks wijzigende geologische en klimatologische voorwaarden van bestaan, vervolgens de seculiere trends in de economische en demografische sferen en in de ontwikkeling van technologie en oorlogsvoering, en tot slot de histoire événémentielle van politieke gebeurtenissen en de veranderingen in de machtsverhoudingen.

Braudel is de belichaming van de integrale geschiedschrijving, het ideaal van de meest ambitieuzen onder de geschiedwetenschappers. In de omschrijving van de sociaal-economische historicus Theo van Tijn: 'verschijnselen in onderlinge samenhang brengen door de maatschappelijke ontwikkeling in haar totaliteit te vatten en ze zo mogelijk als gevolgen van gemeenschappelijke oorzaken te verklaren.'

Castells' drieluik over het informatietijdperk voldoet zeker aan deze omschrijving. De grote verdienste van zijn werk is dat hij met zijn netwerkmaatschappij een formule heeft gevonden om greep te krijgen op de veranderingsprocessen die onze levensomstandigheden bepalen. Dat is een enorme stap vooruit vergeleken met het postmoderne paradigma, dat toch meer een omzien naar de twintigste eeuw is, dan een vooruitblik naar de eenentwintigste.

De integrale aanpak heeft ook gevaren: reductionisme en determinisme, miskenning van het toeval, van plotselinge veranderingen. Castells ontsnapt niet aan deze gevaren, hoezeer zijn studie ook vrij is van vooringenomenheid en intellectuele gemakzucht. Te veel is in het verhaal van Castells de wereldburger een ontheemd object van de overweldigende acceleratie van het leven.

Dat is een miskenning van de mens als handelend en nadenkend subject: van de macht van de consument, van het democratisch potentieel van elektronische communicatiemiddelen als Internet en van de mondialisering van westerse, liberaal-individualistische waarden. Hoezeer ook bevangen door wat Castells treffend omschrijft als 'geïnformeerde verbijstering', zijn de mensen meer dan ooit tot reflectie op hun handelen geneigd.

Juist doordat tradities, conventies en ideologieën hun vanzelfsprekendheid hebben verloren, zijn de keuzemogelijkheden in alle aspecten van het leven enorm toegenomen. Het moderne leven is vol spanning en onzekerheid, maar ook vol vrijheid, uitdaging - en in vele opzichten maakbaarder dan ooit. Dat is het vierde en ontbrekende deel van Castells' verhaal.

Hans Wansink

Manuel Castells: The Information Age: Economy, Society and Culture.

Volume I: The Rise of the Network Society.

Blackwell; 574 pagina's; * 64,95.

ISBN 1 55786 617 1.

Volume II: The Power of Identity.

Blackwell; 476 pagina's; * 64,95.

ISBN 1 55786 873 3.

Volume III: End of Millennium.

Blackwell; 432 pagina's; * 64,95.

ISBN 1 55786 872 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden