De nauwe straatjes van Konk Kerne

Twee boeken van de Belg Georges Simenon (1903-1989) spelen zich in de Bretonse vissersplaats Concarneau af: Le chien jaune (1931) en Les demoiselles de Concarneau (1936)....

Concarneau is uitgestorven. De verlichte torenklok van het oude stadje, die 'over de wallen heen zichtbaar is, staat op vijf minuten voor elf. Het is hoog tij en een zuidwesterstorm maakt dat de boten in de haven tegen elkaar opbotsen. (. . .) Aan de Quai de l'Aiguillon is nergens licht te ontwaren. Alles is gesloten. Iedereen slaapt. Alleen de drie ramen van het Hotel de l'Amiral op de hoek van het plein en de kade zijn nog verlicht.'

Het is november 1931. Commissaris Jules Maigret – de creatie van Georges Simenon – arriveert in een stadje waar moord en doodslag opeens de rust verstoren. Hij neemt zijn intrek in Hotel de l'Amiral, wordt een vertrouwde verschijning in de nauwe straatjes en lost uiteraard alle raadsels op. Aan het einde van Le chien jaune (Maigret en de gele hond) schijnt zelfs de zon: 'Nu is er maar een enkel zonnestraaltje nodig om Concarneau een gedaanteverwisseling te laten doormaken, want dan krijgen de oude stadsmuren – die er in de regen zo naargeestig uitzien – prompt een vrolijke, uitbundig witte kleur.'

L'Amiral ligt inderdaad op de hoek van een plein (dat naar Jean Jaurès is vernoemd) en een avenue die niet l'Aiguillon, maar Pierre Guéguin heet. Aan de pleinzijde is op de gevel onder de luifel nog vaag het woord 'hotel' te onderscheiden. En boven een deur aan de avenue Guéguin staat 'Gd Hôtel'. Maar l'Amiral is geen hotel meer, het is een café-restaurant, met een terras en met als specialiteit fruits de mer. Die hier overal specialiteit zijn!

Wie op het terras zit, heeft uitzicht op de Ville-close, 'dat wil zeggen de oude, nog ommuurde stadswijk', 'de stad binnen de muren, zoals men zei vanwege zijn vestingwerken', 350 bij 100 meter, die de inwoners graag vergelijken met Saint-Malo, maar dan in het klein natuurlijk. Het is een bastion met muren uit de 14de eeuw, een vesting, later met torens versterkt en voltooid door Vauban, de befaamde militaire bouwmeester van Lodewijk XIV.

De Ville-close scheidt de haven waar gewerkt wordt van de haven waar gespelevaard wordt, zit aan de voorkant met een ophaalbrug aan de rest van de stad vast en houdt aan de achterkant dankzij een pontje contact met de wijk Passage (door Simenon in Les demoiselles de Concarneau – De meisjes van C – omgedoopt tot Le Bois).

Het is een petieterig bootje dat er prat op gaat 'de kortste zeereis ter wereld' te maken. Even diep ademhalen en de andere zijde is bereikt. Toch schreef Simenon: 'Ze liepen niet om de dokken heen, maar voeren een stuk door de haven met het veer dat heen en weer gaat tussen de Doorlaat en de oude stad'.

In Les demoiselles leidt de veerman een uiterst rustig bestaan. Hij zit 'op de bodem van zijn boot een pijpje te roken' of hij wacht 'tot het tien uur was om naar bed te gaan'. Dat is in 2003 wel even anders. Alleen op een matineus uur, als de souvenirwinkels nog niet open zijn en de terrasstoelen nog opgestapeld staan, is de Ville-close goed te verdragen.

Maar na negen uur stromen de nauwe straatjes vol en dientengevolge ook het pontje. De geur van crêpes verspreidt zich, schoolklassen trekken naar het Vissersmuseum, ondergebracht in een oud pakhuis, en de eerste koks posteren zich in de deuropeningen van de talloze eethuisjes om klanten te vangen. Valkenburg aan zee, zoiets.

Tonijnhaven Concarneau (in het Bretons Konk Kerne) kende een roerig verleden, met belegeringen en machtswisselingen, waaraan het de Ville-close overhield. Een toeristische trekpleister van jewelste, maar het scheelde eind 19de eeuw maar weinig of dit ommuurde gedeelte – toentertijd bevolkt door arme sardinevissers – was verkocht en mogelijk gesloopt. Een aantal kunstschilders, zich de Groupe de Concarneau noemende, schoot te hulp. Ze zetten een liefdadigheidsevenement op touw dat uitgroeide tot een vermaard festival, ieder jaar in augustus: het festival van Les Filets Bleus, de blauwe visnetten.

In de tijd dat Maigret in Concarneau opereerde, concentreerde het stadje zich nog grotendeels rond de haven. Het strand van Sables Blancs was alleen voor de rijken, én voor de burgervader: 'Het strand van Witzand, waar een rij villa's stond en onder meer een weids herenhuis dat de naam van kasteel verdiende en toebehoorde aan de burgemeester van de stad, strekte zich uit tussen twee rotspunten op drie kilometer afstand van Concarneau. Maigret en zijn metgezel zwoegden door het met zeewier overdekte zand en wierpen nauwelijks een blik op de leegstaande huizen met de gesloten luiken.'

Sables Blancs is inmiddels volgebouwd, met hotels en nog veel meer villa's en er is een boulevard plus de eindhalte van het toeristisch treintje dat tussen april en september door het stadje tuft en waarin Renaud Séchan zingt dat niet de man de zee pakt, maar de zee de man: C'est pas l'homme qui prend la mer, c'est la mer qui prend l'homme. De passagiers zien ondertussen die zee schuimbekken.

'Maigret stond roerloos te kijken, als betoverd door het schouwspel van het haventje, de Pointe du Cabélou links, met haar dennenbossen en uitspringende rotsen, de rood-en-zwarte boei, de felrode bakens die de vaargeul naar de Glenan-eilanden markeerden.'

Dat schouwspel is na meer dan zeventig jaar nog vrijwel onveranderd aanwezig. En dat schouwspel gadeslaan heeft als voordeel dat men met de rug naar de feitelijke stad Concarneau staat, een aaneenschakeling van grijze, saaie straten die maar beter ongemoeid kunnen blijven. De boulevard, de Ville-close, dat volstaat ruimschoots voor een dagje uit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.