De nasleep is levenslang

Aan het stempel 'joodse schrijfster die over de oorlog schrijft', heeft Marga Minco een hekel. 'Mijn boeken gaan niet over soldaten en er vallen geen bommen.' Ook haar tiende boek, 'Nagelaten dagen', gaat over de gevolgen van de jodenvervolging....

JE GAAT toch niet de hele tijd over HBK praten, hè', had dochter Jessica 's ochtends nog gewaarschuwd over de telefoon. (HBK is de huiselijke afkorting van Het Bittere Kruid.) Marga Minco: 'Dat zei Bert ook altijd: niet te veel over HBK praten. Ze weten dat het me emotioneert, dat ik me na afloop een beetje vervelend voel.' Ze valt even stil, zegt dan met een half verlegen, half spottend lachje: 'Het is zo lang geleden, meer dan vijftig jaar, je moet er onderhand toch tegen kunnen?'

Marga Minco is 77 jaar. Oud, vindt ze, en niet prettig. 'Je kunt op je tien vingers natellen dat je niet zo veel jaren meer te leven hebt. Dat vind ik een griezelig idee.' Oud? Als ze ('oh, de saucijsjes') naar de keuken snelt, heeft ze de hupse motoriek van een jonge meid. Klein en tenger is ze, maar zeker niet fragiel. Vriendelijk en onzeker, maar ook sterk en taai in het tegenstribbelen. Liever had ze geen interview, liever sprak ze niet over HBK, over de oorlog of wat haar is overkomen. 'Ik ben er niet goed in, ik reageer secundair.' Soms afhoudend ('Dat weet u toch allemaal al?') of verschrikt na een ontboezeming: 'Gaat u dit opnemen?' Weinreb? Moet dat? 'Ik heb nooit behoefte gevoeld aan het debat mee te doen. Ik begrijp niet waarom men zo met die man wegliep, dat ze hem niet doorzien hebben. Het moet zijn kracht zijn geweest, hij kon mensen kennelijk overtuigen.'

Praten over wat haar innerlijk beroert, valt haar moeilijk. Liever leest ze een verhaal voor. Dat kan ze heel goed, ze voelt de spanning in de zaal, doodstil wordt het dan, gisteren nog in de sjoel in Breda. 'Daar had u bij moeten zijn. Dan had u een heel andere indruk van mij.'

Mag ik toch nog wat vragen stellen?

'Ach ja, doe maar, u zit er nu toch.'

In het Nederlands Letterkundig Museum ligt Marga Minco in de vitrine: oorlogsliteratuur. Die behoefte aan hokjes vindt ze een beetje irritant, alhoewel ze droogjes toegeeft dat ze misschien wel aanleiding geeft. 'Ik word altijd in het hoekje geduwd van joodse schrijfster die over de oorlog schrijft. Maar in mijn boeken komen nauwelijks soldaten voor, er valt geen bom, er wordt niet gevochten en niet geschoten. Ik schrijf over de gevolgen van de jodenvervolging. Over de nasleep, over menselijke verhoudingen onder buitengewone omstandigheden.'

De nasleep is levenslang. Ze raakt er niet over uitgeschreven, elke dag, schriften vol, een la vol aanzetten, maar ze publiceert niet vaak. Nog geen tien boeken in vijftig jaar. 'Daarom heb ik zo'n succes.' Met uitgestreken gezicht: 'Ik wil wel hoor, elk jaar een boek, maar ik doe het niet, ik kijk wel uit'

Ze was een romantisch meisje, de jongste in het gezin, dat boven in haar tienerkamer gedichten las en zelf verhaaltjes en versjes maakte. Ze schreef een kinderboek toen ze 17 was. 'Het ging', zegt ze een beetje grinnikend, 'over kikkers die in een soort concentratiekamp terechtkwamen.' Op haar 18de stapte ze met een paar korte verhalen naar de hoofdredacteur van de Bredase Courant. Hij nam haar aan, en twee jaar lang werkte ze als leerling-journalist op de stadsredactie. 'Ik vond het heerlijk, ik deed brandjes, de oudste inwoner, vergaderingen, toneelrecensies, cursiefjes.' Later, wist ze, zou ze naar Amsterdam verhuizen, haar zus woonde daar al, ze wilde bij een grote krant gaan werken en schrijver worden.

Ze werd meteen bij het begin van de bezetting, omdat ze joods was, bij de krant ontslagen. Dat lag niet aan de hoofdredacteur of de redactie, vertelt ze, maar aan de commissarissen die tegenover de bezetter graag hun beste beentje wilden voorzetten. Ze kreeg tbc en werd opgenomen in een Amersfoorts ziekenhuis. Haar ouders gingen mee naar Amersfoort, en verhuisden in 1942 op last van de Duitsers naar het 'Judenviertel' in Amsterdam. Broer David en diens vrouw Lotte waren ondergedoken, ook in Amsterdam. Zuster Bettie en haar man Hans stonden veilig - dachten ze - op de lijst van Weinreb. Zij zouden naar Palestina gaan.

Na de oorlog was Marga Minco de romantiek kwijt, 'alsof ik een andere natuur had gekregen'. Ze had geen omhaal van woorden meer nodig, het onderwerp waarover ze wilde schrijven was al zwaar genoeg. 'Het tuinpoortje' heette haar eerste verhaal. 'Dat woord is het kantelpunt in mijn bestaan, dat is het begin geweest van een ander leven, daar is mijn leven in twee helften gesneden.'

Het was de oerversie van Het Bittere Kruid, ze schreef het begin jaren vijftig. Maar niemand wou het hebben. Ze herinnert het zich nog pijnlijk nauwkeurig. 'Ik had het Gerrit Borgers, redacteur van het literaire tijdschrift Podium, aangeboden. Op de kunstenaarssociëteit de Kring ging ik naast hem aan de bar zitten en vroeg ik wat hij ervan vond. Hij vond het niet goed, ik kreeg het terug.'

Jarenlang zweeg ze over haar oorlogservaringen, ze vond het zelf moeilijk, en anderen zaten er niet op te wachten, het was geen geliefd gespreksonderwerp. 'Iedereen wilde feesten en dansen, mensen waren vijf jaar onderdrukt geweest, ze sprongen uit hun huizen, dat moest gevierd worden en dat heeft jaren geduurd. Er brak een nieuwe tijd aan, het zou fantastisch worden, nooit meer oorlog, mensen zouden nooit meer tegenover elkaar staan, daar geloofde men in.

'Het was ook een bizarre tijd, zorgeloos. We bekommerden ons niet om geld, je maakte veel plezier, je ontmoette mensen, je las veel, je ging naar het theater. We waren zo arm als de mieren. Ik moest de melkflessen inleveren om een brood te kunnen kopen. Als Bert een boekrecensie voor De Groene had geschreven kwam hij opgetogen thuis met zeveneenhalve gulden, konden we weer een rekening betalen. Of drinken op de Kring.

'Maar ik kon niet altijd meedoen, het benauwde me. Ik trok me vaak terug, ik voelde een sterk wantrouwen jegens mensen. Ik deed wel mee, maar hield me afzijdig. Ik had het gevoel dat ik er niet helemaal bijhoorde. Het heeft een tijd geduurd voor ik me normaal kon gedragen, voordat ik de omgeving kon accepteren, mezelf kon accepteren. Ik heb een innerlijke strijd moeten voeren om dat op te lossen. Verwerken gaat niet, je moet ermee leven, en daar een vorm voor zien te vinden.'

ZE bleef schrijven, voor zichzelf en voor tijdschriften. Pas in 1957, twaalf jaar na de oorlog, kwam Het Bittere Kruid uit. 'Ik had het manuscript al eerder af, maar het heeft nog een jaar in de la bij de uitgever gelegen. Bert Bakker aarzelde, hij vond het goed, en hij had me ook aangespoord het te schrijven, maar hij was bang dat er geen belangstelling voor zou zijn. Dat dacht ik zelf eerlijk gezegd ook.'

Maar die was er wel. Het boek was meteen een succes. Het werd bekroond, en beleefde binnen een jaar drie drukken. Het Bittere Kruid werd een klassieker (inmiddels 41ste druk), het vestigde de reputatie van Marga Minco. Ook al heeft ze, vindt ze zelf, nadien betere boeken geschreven, Marga Minco blijft de schrijfster van Het Bittere Kruid.

In al haar werk, van Het Bittere Kruid tot Nagelaten dagen, is een prominente rol weggelegd voor het toeval. 'Dat frappeert me. Waarom liep ik op dat moment het tuinpoortje door, en niet een minuut eerder of later? Waarom sloeg ik linksaf en niet rechtsaf? Dan was ik waarschijnlijk ook opgepakt. Daar bij het tuinpoortje is mijn wedloop met het toeval begonnen, en sindsdien kom ik het voortdurend tegen. Misschien trek ik het aan.'

Het was toch niet alleen toeval, ze nam toch een besluit? 'Ja, ik wilde ontvluchten, ik wilde me er niet bij neerleggen. Dan is er een impuls. Zonder erbij na te denken, besluit je weg te gaan. Het gebeurt in een fractie van een seconde, je draait je om en verlaat het huis. Maar ik geloof ook dat mijn vader mij een wenk gaf, ik moest de jassen halen, hij hield de mannen die ons kwamen ophalen aan de praat.

'Ik ben nooit bang geweest. Wel voordat ik wegliep. Maar later, toen mijn ouders, mijn broer, mijn zuster, toen iedereen was opgehaald, hield de angst op en begon de onverschilligheid. Ik vond het bijna vanzelfsprekend dat ook ik eens gepakt zou worden. Niet dat ik aanstoot gaf, ik was weggelopen, die daad had ik gesteld, en daar trok ik de consequenties uit: ik zal mijn best doen in leven te blijven. Ik dook onder, had mijn haar geblondeerd, zorgde voor een goed persoonsbewijs. Maar ik bleef niet binnen, ik heb geen moment opgesloten gezeten.'

In het laatste oorlogsjaar raakte ze in verwachting. Het was niet helemaal de bedoeling, blij was ze wel. 'Hoogzwanger, met helblonde haren, liep ik over de Zeedijk, ik hoefde met mijn dikke buik niet in de rij. Ik was zo zwaar dat iedereen zei dat ik wel een beer zou baren.' In de hongerwinter van 1944 kwam onder primitieve omstandigheden, bijgelicht met een olielampje, haar oudste dochter Bettie (Beer) ter wereld.

'We woonden in een groot pand op de Kloveniersburgwal, vol onderduikers, joden, studenten. Het was een beetje een bohemien-achtige groep, een artistieke groep, een soort commune, we deelden alles, eten, drinken. We hadden een muurkrant en daar schreef ik stukjes voor, over mijn ervaringen. Ik heb al tijdens m'n onderduikjaren de laatste avond met mijn ouders in de Sarphatistraat willen beschrijven en ook de razzia die ik zag in de Lepelstraat. Alhoewel het riskant was, ben ik toch begonnen iets op papier te zetten, het moest in bedekte termen, er konden geen namen worden genoemd. Zelfs uit de boeken scheurde ik mijn naam, er mocht niks persoonlijks rondslingeren.'

Vijf jaar geleden hoorde ze van een vrouw uit Jeruzalem dat een zus van Hans, de man van Bettie, de oorlog had overleefd en in Amerika woonde. Er volgde een ontmoeting. Het was de basis voor een nieuw boek, Nagelaten dagen. 'Nee', zegt Marga Minco, 'ik had dit niet kunnen verzinnen. Elke jood kent dat koortsachtige zoeken, zou er nog iemand zijn. Maar ook iemand vinden? Nee, ik zou er niet opgekomen zijn, ik zou het ongeloofwaardig hebben gevonden.'

In Santa Barbara, op bezoek bij 'Eva', zag Marga Minco verloren gewaande familiefoto's, van haar grootouders, van haar zuster. En ze zag het album dat ze voor de trouwdag van haar zuster had gemaakt. 'Een album met versjes, tekeningen en tekstjes, ''herinneringsflitsen uit onze jeugd'', had ik erop geschreven. Ik was dat album totaal vergeten. Dat is toch raar? Waarom was ik dat vergeten? Maar de ene herinnering riep de andere op, ik herinnerde me toen weer dat ik naar de kantoorboekhandel ging om dat album te kopen, ik herinner me dat mijn zuster het album vergat mee te nemen en ik haar nafietste en het op het station nog aanreikte.'

Had ze zelf geen foto's meer van thuis? Jawel, ze aarzelt even en zegt dan: 'Het is allemaal dieptragisch, hoor.' Het klinkt haast verontschuldigend. 'Ik had een zwart tasje van leer, dat was gemaakt door mijn zuster, ik heb dat op de een of andere manier kunnen bewaren. In dat tasje had ik naast de gewone spullen ook altijd een mapje met familiefoto's. Maar op een keer, we zaten op de Kring, ging ik even weg en toen ik terugkwam was mijn tasje weg. Gestolen, het is nooit meer teruggevonden.'

De behoefte aan tastbare herinneringen blijft, dat beschrijft ze in 'Nagelaten dagen', een zekere onthechting is er echter ook. 'Het zou me niet veel doen als hier op een nacht alles gepikt wordt', zegt ze schertsend. 'Ik wilde vroeger natuurlijk wel de spullen van mijn ouders terug. Ik heb dat beschreven. Een paar jaar na de oorlog wilde ik weten wat mijn moeder allemaal had achtergelaten bij kennissen, het is een klassiek verhaal, het is met zoveel joden gebeurd. Ik belde aan, maar de deur werd voor m'n neus dichtgegooid. Later ging ik er nog eens langs, toen deed de dochter des huizes open en mocht ik wel naar binnen. In de gang hing ons oude chanoeka-ijzer, in de kamer zag ik dingen van thuis, het snijdt je door je ziel, een schilderij van m'n zusje hing aan de muur, dat heb ik wel teruggekregen.' Lachend vertelt ze dat ze toen de dochter even weg was snel een kastdeur opentrok en daar het doosje met zilveren lepeltjes van haar grootmoeder zag staan. 'Ik heb een graai gedaan en de lepeltjes in mijn tas laten glijden.'

De werkelijkheid is de basis van haar schrijverschap. Maar dat wil niet zeggen dat haar boeken samenvallen met de werkelijkheid, of dat de hoofdpersonen samenvallen met Marga Minco. Sommige lezers denken van wel, en sturen berichten van mededogen. 'Ik heb zo'n deernis met u', schreef een lezeres onlangs. Ze vindt dat pijnlijk. 'Ik heb een normaal leven, mijn dagelijks leven wordt niet beïnvloed door de thema's waarover ik schrijf. Ik heb aan mijn laatste boek twee jaar heel geïnspireerd zitten werken. Het was een heerlijke tijd, ik vind het jammer dat het af is.' Het schrijven is nooit smartelijk geweest. 'Het heeft me nooit somber gestemd, ik zie het puur als werk. Als het me zou deprimeren, had ik het niet gekund, of was het anders geworden, doordrenkt met tranen.'

'De tijd heelt de wonden niet. Die wil je ook niet laten helen. Wat er gebeurd is, raak je nooit meer kwijt. Ik heb het weggezet in een kast die ik af en toe opendoe. Als ik werk en bepaalde facetten uit die periode opneem, dan moet de kast open, dan denk ik eraan.'

VIJF jaar geleden overleed haar man, de dichter en toneelvertaler Bert Voeten. Ze zegt dat ze zich sindsdien ouder voelt. 'Voor hij stierf was ik al in de 70, maar ik merkte toen helemaal niet dat ik ouder werd. Dat riep ik ook altijd en ik deed alles wat ik twintig jaar daarvoor ook deed. Nu is dat anders.'

Ze had dat jaar grappige nieuwjaarskaarten gemaakt, met een afbeelding van een zonnebloem die de zomer ervoor onverwacht in de tuin was opgekomen. 'Bert was, tweede kerstdag 's middags, bezig die kaarten te schrijven. Ik wou er even uit en ging met Beer een tochtje maken in het bos. Toen we terugkwamen, was hij er niet. Vrienden gebeld, de boekhandel gebeld, niemand had hem gezien. De politie gebeld, de ambulance. Niks. Ik wist me geen raad, ik was ziek van ellende. Om half acht 's avonds kamen er twee agenten aan de deur. Ik begreep het meteen.

'Hij was naar het postkantoor gewandeld om de kaarten te posten. Op de terugweg, net voor het kruispunt, is hij in elkaar gezakt. Hij had niks op zak, men wist niet wie hij was, en kennelijk waren al mijn telefoontjes op de verkeerde plek terechtgekomen. Hij had een zwak hart, iemand heeft nog geprobeerd hem te reanimeren, maar hij was al gestorven, ik denk niet dat hij er iets van gemerkt heeft.

'Ik kende hem al voor de oorlog, uit Breda. Hij is in 1943 naar Heemstede gekomen waar ik ondergedoken zat. Daar zijn we opnieuw met elkaar begonnen. We hebben een turbulent leven gehad, met moeilijke tijden ook, met ups en downs, maar het was inspirerend en leuk, vooral toen de kinderen nog jong waren, we vormden een hecht gezin.'

'Nagelaten dagen' is het eerste boek dat ze zonder hem gemaakt heeft. 'Ik liet hem altijd alles lezen, hij had een goed oordeel, waarop ik erg vertrouwde. Het was heel vreemd zonder hem dat boek te schrijven, ik miste zijn oordeel. Ik vind het naar dat hij dit boek niet gelezen heeft.

'Alles is naar zonder hem. We hebben zo'n lang gezamenlijk leven achter de rug, zoveel samen gedaan. Als er een wegvalt, dan wordt er iets van je afgesneden. Zelf blijf je leven, dat wil je ook, maar je wordt ook verlaten, daarom vond ik die dood van hem zo onuitstaanbaar. Ik werd er kwaad van.

'Veel van wat hier in huis staat, herinnert aan hem. Ik heb een aantal dingen veranderd, om het voor mezelf een beetje leefbaar te maken. Zijn werkkamer is er nog, maar ik heb de meubels anders neergezet. We drinken er regelmatig koffie, het is een leuke, zonnige kamer.'

Het huis is niet leeg, haar oudste dochter woont nog bij haar, ze heeft dus gezelschap en iemand om voor te koken. Maar het was toch vooral haar eigen levenskracht waardoor ze de draad weer heeft opgepakt. 'Het tweede tuinpoortje', zegt ze. 'Ik moest weer, ik heb weer de keuze gemaakt, de draad opgepakt, zo goed en zo kwaad als het ging. Er zijn partners die op deze leeftijd achterblijven en het leven niet meer aankunnen. Er zijn ook stellen die tegelijk doodgaan, dat vind ik wel moedig, maar ik heb toch levensdrang, die heb ik altijd gehad. Ik heb nu eenmaal het leven en dat wil ik zo lang mogelijk volhouden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden