De nadagen van een topkrant

Non-fictie De redactie van The Washington Post is gehalveerd, maar won in 2008 nog wel 6 Pulitzerprijzen.

Het klassieke non-fictieboek over een Amerikaanse krant verscheen in 1969 en heette The Kingdom and the Power. Die titel zei eigenlijk alles al: Gay Talese beschreef The New York Times als een koninkrijk waar hevige interne oorlogen konden woeden, maar dat van buitenaf volstrekt onaantastbaar was.


Hij formuleerde het nergens expliciet, want in de literaire stijl van 'the new journalism' liet Talese liever zijn personages spreken en handelen, maar op bijna elke pagina van het boek werd duidelijk dat de beste krant van Amerika tegelijk een van de machtigste instituties van het land was.


Achteraf gezien moest de echte glorietijd van de kwaliteitskranten in de VS toen nog beginnen. In juni 1971 onthulde The New York Times de geheime Pentagon Papers, die aantoonden dat de Amerikaanse regering jarenlang systematisch had gelogen over de oorlog in Vietnam. Het ministerie van Justitie wist in eerste instantie een rechtbank te bewegen tot een verbod op verdere publicatie, maar het Hooggerechtshof maakte die beslissing binnen twee weken ongedaan.


Een jaar later, op 18 juni 1972, meldde The Washington Post dat er was ingebroken in het hoofdkantoor van de Democratische Partij. Dat eenvoudige nieuwsbericht zou uitgroeien tot het Watergate-schandaal. Het dwong president Nixon in augustus 1974 tot aftreden en het maakte het verslaggeversduo Bob Woodward en Carl Bernstein wereldberoemd.


De journalistieke triomfen gingen hand in hand met het zakelijke succes. The New York Times en The Washington Post beleefden in alle opzichten een kolossale groei: in oplage, in advertentieomzet, in winst - en dankzij hun verstandige eigenaren ook in redactieomvang en -budget. (In Nederland ging het in die jaren precies zo met de Volkskrant en NRC Handelsblad.)


Veertig jaar na The Kingdom and the Power heeft opnieuw een journalist geprobeerd het definitieve boek te schrijven over een grote Amerikaanse krant. Morning Miracle: Inside The Washington Post door de voormalige sportjournalist Dave Kindred maakt vóór alles duidelijk dat de tijden sinds 1969 radicaal zijn veranderd.


Anders dan Gay Talese heeft Kindred zijn boek grotendeels in reguliere reportagestijl gecomponeerd, waardoor hij ook zelf geregeld in veelzeggende scènes opduikt. In de inleiding zit de auteur over zijn plan voor het boek te praten met met Washington Post-journalist Gene Weingarten. Ze hebben net besproken dat de krantendivisie in de laatste 21 maanden 359 miljoen dollar verlies heeft gemaakt.


'Dit was het moment', schrijft Kindred, 'dat Weingarten over de tafel reikte en mij met een koekenpan de hersens insloeg. Dat, of hij sprak een simpele mededeling van tien woorden uit. In beide gevallen deed mijn hoofd pijn.


'Your book', zei hij, 'is about a great newspaper dying with dignity.'


Pas een pagina verder is Dave Kindred genoeg van de klap bekomen om Gene Weingarten in de slotzin van de inleiding tegen te spreken: 'It's about a great newspaper doing its damnedest to get out of this mess alive.'


In werkelijkheid beweegt Morning Miracle zich voortdurend tussen die twee polen: berusting in weemoed en laatste hoop op een wonder.


In het deel 'How Could Anyone Not Want To Be A Reporter?' schetst Kindred een galerij glorieuze staaltjes uit het recente verleden van The Washington Post. De verhalen van Dana Priest en Anne Hull, op basis van maandenlang onderzoek, over de beschamende behandeling van ernstig gehandicapte Irak- en Afghanistanveteranen in het Walter Reed Army Medical Center. De superieure nieuwsverslaggeving op de eerste dag van de eenmans schietpartij met 32 doden en 30 gewonden op de campus van Virginia Tech: tien verslaggevers ter plaatse, zeven op de redactie, daarnaast drie researchers. En de fantasievolle stunt van Gene Weingarten, die de klassieke vioolvedette Joshua Bell zo ver kreeg dat hij op een ochtend in de gang van een metrostation zijn Stradivarius uitpakte en de Chaconne uit de Partita No. 2 in d mineur van Johann Sebastian Bach inzette (in drie kwartier liepen er 1097 mensen langs, van wie er zeven stopten om te luisteren).


Dat loopt uit op 'de mooiste dag in de geschiedenis van The Washington Post', 7 april 2008, als de krant in één klap zes Pulitzerprijzen wint (onder de legendarische vorige hoofdredacteur Ben Bradlee was de totale score twaalf Pulitzerprijzen in 26 jaar). 'How ironic! How glorious!', heet dat hoofdstuk. Want de omineuze ondertoon begint dan al te overheersen: hoe lang zal dit soort kwaliteitsjournalistiek nog mogelijk zijn? De oplage was vanaf 1994 gaan dalen; de advertentiemarkt kelderde ook al jaren. In de eerste zes maanden van 2008 maakte de krant voor het eerst in 37 jaar verlies en daarna ging het in sneltreinvaart bergafwaarts.


Het was inderdaad ironisch, want The Washington Post kon zich erop beroemen voorop te hebben gelopen in de digitale media-revolutie. Al in 1992, vier jaar voor de publieke doorbraak van internet, had managing editor Bob Kaiser na een bezoek aan Japan een visionair memo geschreven, waarin hij rondbazuinde dat de krant als eerste ter wereld met een elektronische versie moest komen en tegelijkertijd zijn rubrieksadvertenties digitaal toegankelijk moest maken. De gedrukte krant zou de komende jaren immers belanden in 'een elektronische zee waar we uiteindelijk misschien worden verslonden - of genegeerd als een onnodig anachronisme'.


Hoewel Bob Kaisers alarm niet onmiddellijk gehoor kreeg, was de Post op 17 juni 1996 toch een van de eerste kranten die een gratis webeditie lanceerden. Washingtonpost.com trok al snel miljoenen lezers van overal ter wereld, maar kostte ook honderden miljoenen dollars. In 1999 bepleitte de nieuwe managing editor Steve Coll met kracht dat de krant al zijn kaarten op het wereldbereik via internet zou zetten. Uitgever-eigenaar Don Graham maakte daar korte metten mee: The Washington Post was een lokale krant en het was dodelijk elitarisme om iets anders te willen worden.


Dave Kindred suggereert dat dit een tragisch keerpunt is geweest. Maar ook hij moet toegeven dat je onmogelijk kunt weten of de ideeën van Steve Coll de economische rampspoed van de 21ste eeuw zouden hebben overleefd, laat staan dat je kunt zeggen dat zijn nationale en wereldwijde ambities geld zouden hebben opgeleverd.


De realiteit van 2010 is dat de redactie van The Washington Post sinds de hoogtijperiode met de helft is ingekrompen, tot 400 journalisten. En je moet wel erg goedgelovig zijn wil je de theorie onderschrijven dat je met minder redacteuren gemakkelijk een betere krant kunt maken - al doet Kindred nog een manmoedige poging door te verwijzen naar het feit dat de redactie ten tijde van Watergate ook maar 350 journalisten telde.


Dichter bij de werkelijkheid komt, vrees ik, een anoniem gehouden 'man whose business it was to know the Post's business'. Hoe kan The Washington Post weer gewone lezers terugwinnen? vroeg Dave Kindred hem.


De wijze man lachte en zei: 'Beats the shit out of me.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden