De mythe van een goed pensioen

Het staat in Nederland in het collectieve geheugen gegrift: een pensioen bedraagt gemiddeld 70 procent van het laatst verdiende loon....

door Gijs Herderscheê

WEKENLANG leek de hal van het ABP-kantoor wel een bedevaartsoord. Alleen hing het niet vol met votiefplaatjes van dankbare gelovigen die hun gebeden met een wonderbaarlijke genezing hadden zien verhoord, maar met briefkaarten van dolgelukkige gepensioneerden. Het pensioenfonds kreeg naar schatting 15 duizend spontane bedankjes omdat het de gepensioneerden ter gelegenheid van de milleniumwisseling 100 euro ofwel 220 gulden extra had uitgekeerd.

'Die dankbetuigingen zijn tekenend voor de stille armoede onder gepensioneerden', zegt Pieter de Wind, de Che Guevara onder de gepensioneerden. Eerder trok hij ondanks tegenwerking van de sociale partners succesvol ten strijde tegen de pensioenbreuk, die uiteindelijk bijna acht jaar geleden bij wet grotendeels werd hersteld.

Nu knokt De Wind tegen de pensioenleugen, de misvatting dat het pensioen prima is geregeld. 'Iedereen laat zich in slaap sussen door de slagzin dat het pensioen garant staat voor 70 procent van het laatst verdiende loon. Maar bijna niemand haalt dat.'

De Wind windt zich daar over op. 'Niet voor mezelf, ik heb een goed pensioen. Maar vanwege het gebrek aan solidariteit. Pensioenfondsen bulken van het geld. Ze subsidiëren het bedrijfsleven door geen premie te heffen of zelfs miljoenen terug te geven aan werkgevers.' De Wind zou liever zien dat gepensioneerden meeprofiteren van het Nederlandse pensioenkapitaal. 'Het is tenslotte ook hun geld dat in de fondsen zit.'

Om te beginnen stelde De Wind samen met de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen aan de fondsen voor om een millenniumbonus van zeg tweeduizend gulden uit te keren. Een handvol gaf gehoor. Althans, ze keerden een bonus uit. ABP gaf 220 gulden, PGGM 300 gulden, Philips verhoogde de pensioenen met 2 procent. 'Alles bijeen heeft de helft van de ruim twee miljoen gepensioneerden een bonus gehad. Het begin is er', zegt De Wind.

De pensioenfondsen zien dat anders. Zij voelen niets voor structurele verhoging van lopende pensioenen. 'We komen gemaakte pensioenafspraken na. Gepensioneerden hebben al een voordeel. Ze leven bijvoorbeeld veel langer dan indertijd gedacht werd bij het aangaan van de verplichtingen', zegt Jan van den Brink, voorzitter van de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen. De leden van de VB zijn fondsen die pensioenen voor hele sectoren regelen, zoals PGGM (voor zorg en welzijn), ABP (ambtenaren), BPF Bouw (bouw) en PMI (metaal- en elektrotechnische industrie).

Van den Brink ziet de dankbetuigingen die ABP en de andere pensioenfondsen vanwege de millenniumbonus kregen vooral als een cultureel verschijnsel. 'Het gaat om generaties die nog bedanken voor onverwachte dingen.'

Het zijn ook de generaties die de opbouw van het pensioenstelsel grotendeels hebben meegemaakt. Het ABP is in 1922 opgericht, maar de meeste pensioenfondsen zijn veel jonger. Pas in 1949 werd de Wet op de bedrijfstakpensioenfondsen van kracht, die de pensioenregelingen per sector regelde. De eerste AOW-uitkeringen werden op 1 januari 1957 uitbetaald. Er zijn onder de 2,3 miljoen AOW'ers overigens nog steeds enkele tientallen hoogbejaarden die al vanaf 1957 'van Drees trekken'.

Van meet af aan hebben pensioenfondsen aan de regelingen gesleuteld. Eerst waren het spaarregelingen, vervolgens werd een pensioendoelstelling aan het gemiddeld verdiende loon gekoppeld. Pas in de jaren zestig en zeventig werd de spaardoelstelling gekoppeld aan het laatst verdiende loon. Zeventig procent werd de norm. De laatste tien jaar worden veel regelingen echter weer omgezet in middelloonregelingen die 70 procent van het gemiddeld verdiende salaris als doelstelling hebben. Dat hoeft overigens niet per se een verslechtering te zijn.

Hoewel de pensioennorm van 70 procent van het laatst verdiende salaris in het collectieve geheugen staat gegrift, haalt in de praktijk vrijwel niemand dat. 'Dat merken de meeste mensen pas als het te laat is. En dat is een bittere pil', zo stellen De Wind en Van den Brink gebroederlijk.

Boosdoeners zijn de voorwaarden die aan de 70-procents norm zijn gekoppeld. Om na het 65ste jaar die norm te halen moet bij vrijwel alle fondsen 40 jaar lang fulltime gewerkt zijn. Bovendien moet het fonds 40 jaar lang een regeling hebben gehad die een pensioen van 70 procent van het laatste loon beloofde. En dan moet de AOW ook nog naadloos aansluiten op het pensioen.

De norm geldt vanaf het moment dat het pensioenfonds die doelstelling introduceert. Pas dan sparen werknemers voor 70 procent van hun laatst verdiende salaris. Werknemers die in 1987 met pensioen gingen maar pas vanaf 1967 op die manier spaarden, hebben maar recht op de helft van dat pensioen, aangevuld met eerder opgebouwde rechten. Daardoor kon volgens het grote pensioenonderzoek in 1987 slechts 18 procent van de werknemers 60 procent van het laatste loon bijeen sparen. Door het verstrijken van de tijd, waardoor werknemers meer jaren aanspraak op een pensioen van 70 procent opbouwden, geldt dat nu voor 60 procent van de werknemers.

Beter wordt het niet. Want 40 jaar - van 25 tot 65 jaar - fulltime werken, in dezelfde pensioenregeling, is een fictie geworden. Jongeren leren langer door en beginnen dus later met werken en pensioensparen. Regelmatig wisselen van baan is een normale zaak geworden. Vroeger werd dat bestraft met een pensioenbreuk waarbij de rechten bij het pensioenfonds vaak werden bevroren en uiteindelijk door de inflatie verschrompelden. Dat draagt nog steeds bij aan armoe onder de huidige generaties gepensioneerden. Nu kan het opgebouwde pensioen wél worden meegenomen naar het pensioenfonds van de nieuwe werkgever, maar wie een goede overstap maakt en in salaris vooruit gaat, vergeet meestal te zorgen voor een bijstorting voor het pensioen. Een nieuwe baan kan zo een pensioengat opleveren.

Ook de moderne flexibele arbeidsduur ondergraaft de pensioendoelstelling. Werknemers werken steeds vaker periodiek in deeltijd. Bij zwangerschaps- en ouderschapsverlof in een fulltime baan wordt het pensioen meestal nog volledig voortgezet. Wie er echter voor kiest een paar jaar vier of drie dagen te gaan werken, bouwt minder pensioen op.

P

ENSIOENFONDSEN beginnen daar nu op in te spelen. De voorlichting over opgebouwde rechten verbetert mondjesmaat. En pensioenfondsen bieden nu bijspaaregelingen op maat aan, tot woede van verzekeraars, die oneerlijke concurrentie ontwaren - de fondsen hebben immers alle kennis over de pensioenopbouw van hun spaarders. Toch slaan de spaarregelingen niet aan, melden ABP, PGGM en PVF, uitvoerder van een dertigtal pensioenfondsen. 'Aanvullende regelingen worden nauwelijks benut', aldus het PVF.

De AOW tenslotte is om twee redenen een valkuil. Om te beginnen omdat elk pensioenfonds op eigen wijze rekening houdt met de AOW-bijdrage aan het pensioen. Meestal wordt met méér AOW rekening gehouden dan realistisch is. Hoe hoger de veronderstelde AOW-bijdrage, hoe minder pensioen wordt opgebouwd. Dat is extra nadelig voor de laagste inkomens die daardoor soms helemaal geen pensioen realiseren.

Vrouwen kunnen door echtscheiding extra in problemen raken, zeker als ze zelf geen pensioen hebben opgebouwd. Ze kunnen aanspraak maken op een deel van de pensioenrechten van hun ex-man, maar dat moet bevochten worden. En dan nog gaat het maar om een deel van het pensioen.

Daarnaast is de AOW in de praktijk geen vast bedrag. Alleenstaande ouderen, ouderen met een partner jonger dan 65 jaar en samenwonende of gehuwde gepensioneerden krijgen allemaal verschillende AOW-uitkeringen. Daar krijgen vooral tweeverdieners last van. Als hun pensioenfondsen ieder rekenen met een volledige AOW-uitkering, komen zij straks van een koude kermis thuis. Zij krijgen ieder zogezegd een halve AOW-uitkering. Dat scheelt hen samen circa 10 duizend gulden in pensioenopbouw.

Wie een volledige AOW-uitkering wil krijgen moet vanaf zijn vijftiende jaar wel onafgebroken in Nederland hebben gewoond. Deze regel leidt nu al tot armoede onder allochtonen, zoals de eerste generaties gastarbeiders. Wie op zijn 25ste naar Nederland kwam, krijgt 20 procent minder AOW. Oudere allochtone vrouwen die later voor gezinshereniging naar Nederland kwamen, worden nog harder getroffen, zeker als zij inmiddels weduwe zijn. Hun uitkering wordt meestal aangevuld met bijzondere bijstand.

Grote problemen zijn er tenslotte ook voor de jonge generaties die zijn opgegroeid met de idee dat ze op hun 60ste kunnen stoppen met werken. Hun vader ging dan immers met vut en het pensioen werd gewoon verder opgebouwd. De jongeren moeten zelf sparen voor vut en voortgezette betaling van de pensioenpremie. En dat is duur, heel duur.

Wie zich op voorhand rijk rekent met koopsompolissen, aandelen of eigen huis, vergeet dat de waarde daarvan een momentopname is. Dat heeft zo zijn risico's. Een pensioenfonds doet een toezegging en moet die nakomen - al zijn die toezeggingen niet met harde garanties omgeven. Doorwerken tot de 65ste verjaardag, desnoods in een lagere functie met lager salaris - demotie - is dan misschien geen wenkend perspectief maar bittere noodzaak.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden