De mystiek van diepvrieskisten

De ene dichter kan je naar de andere voeren, merkt Arjan Peters bij het lezen van Jellema, Dèr Mouw, Wilmink en Menkveld. Zo kan herdenken een postuum feestje worden.

ARJAN PETERS

Na negentien jaar antwoord krijgen op een brief. Daar leek het op, toen ik een bundel met nagelaten essays en dankwoorden van de dichter C.O. Jellema (1936-2003) toegestuurd kreeg, getiteld In beelden aanwezig (uitgeverij Vliedorp; euro 15,95). Een van die teksten heet 'Over het optimale' en is in 1995 geschreven op uitnodiging van het tijdschrift Optima. Daar was ik toen redacteur van. Nu pas kan ik lezen wat Jellema heeft geschreven, maar om onbekende redenen niet heeft ingezonden.

Bijzonder aan dit verlate antwoord is ook de inhoud. Jellema schrijft over een beroemd sonnet van J.A. Dèr Mouw, die het gevoel oproept je van sterfelijkheid genezen te weten: 'Tot zekerheid je twijfel opgeheven,/ zo hang je als eeuwig boven je eigen leven:/ je bent de wolken en je bent de hei.' Aan dat sonnet knoopt Jellema deze overdenking vast: 'Zo zou ik, later aan het gewende bewustzijn voorbij, mijn eeuwig niet-meer-zijn willen ervaren, denk ik vaak als ik over het vlakke Groninger land onder zware waddenkustwolken fiets.'

Ruim tien jaar na Jellema's dood lees ik zijn antwoord op de vraag naar het optimale (we hadden een jubileum, het vijftigste nummer van Optima, en konden geen origineler thema bedenken). Net of ik een blik in het bestaan én het nabestaan van Jellema kan werpen - wat wordt versterkt door mijn herinnering aan de keren dat ik de dichter in het hoognoordelijke Leens heb opgezocht.

Weer zie ik hem op een vraag van mij eerst zwijgen en dan met zijn doordringende en droevige ogen naar buiten staren, alsof het antwoord zich daar schuilhield, terwijl de waddenkustwolken laag langs zeilden.

Lezen als vorm van dodenherdenking. Aan de cabaretier Herman Finkers schreef Willem Wilmink, ook in 2003 overleden, maar zijn brieven zijn net gepubliceerd (die andere postume verrassing), een jaar daarvoor over het lied De steen van Bram Vermeulen. Men kent dat nummer wel van uitvaarten, al dan niet in de uitvoering van Paul de Leeuw: 'Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.' Dat heeft Vermeulen van Dèr Mouw geleend, schrijft Wilmink, en hij citeert de laatste: 'Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden/ heb 'k zelf hem daar gelegd (...)/ alles vergaat: ben ik niet, die ik ben,/ en was en blijven zal in eeuwigheden?'

En zo zat ik opnieuw in Dèr Mouw te lezen, de dichter en denker die alle tegenstellingen overwon. Telefoondraden, God, een bord havermout en het sterrenstelsel kon hij met eenzelfde adoratie bezingen, en in één gedicht samenbrengen.

Wat me bij Erik Menkveld brengt, de op 30 maart gestorven criticus en dichter, die ik herdenk met de openingsregels uit zijn bundel Schapen nu!: 'Onder het uitspansel bij Paal Twaalf,/ in de verlaten strandtent waar wij zaten,/ slaan, kort na elkaar, twee diepvrieskisten aan.' Later in het gedicht mag ook benzine meedoen aan deze scène van onverwachte en onversneden mystiek.

Of hij ook zo van Dèr Mouw hield, kan ik Erik niet meer vragen. Maar op het postume Boekenbal hebben ze elkaar vast al gevonden.

undefined

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden