DE MUUR IS AL BIJNA EEN LEGENDE Cees Nooteboom keert terug naar Berlijn

De autoradio kondigt het einde van de jaren tachtig aan: 'Ze staan op de Muur' Die avond, 9 november 1989, horen schrijver Cees Nooteboom en Volkskrant-verslaggever Cees Zoon het bericht in een Berlijnse taxi....

'De geschiedenis wist haar sporen uit', mompelt Cees Nooteboom. We staan op het perron van het Lehrter Bahnhof en vergapen ons aan de oneindige bouwput Berlijn, die zich naar alle kanten uitstrekt. Een skyline van louter hijskranen. 'Het lijkt hier wel een enorme Messe van kranen: zoek je eigen kraan uit.' In de verte de nog open koepel van de Reichstag, waar de Duitse vlag dapper tussen de steigers en bergen bouwmaterialen flappert.

Het loopt tegen het einde van het millennium, maar hier lijkt het wel 1945: de oorlog is voorbij en Berlijn stort zich manmoedig op de wederopbouw van de verwoeste stad. Dat zou evenwel betekenen dat een hele periode, zeg maar een heel verleden is zoekgeraakt. Want er ligt bijna een halve eeuw tussen het einde van de oorlog en het moment dat Berlijn de wonden van zijn geschiedenis eindelijk kan gaan dichten.

Een groot deel van die periode was het Lehrter Bahnhof een van de verboden stations waar de trein van West naar Oost niet stopte. Wie het in zijn hoofd haalde 'into the cold' te gaan, moest doorrijden tot station Friedrichstrasse, waar hij belandde in de molens van de Oost-Duitse grenswachten. Eind jaren tachtig ondernam Cees Nooteboom keer op keer de onaangename reis naar het andere Berlijn om poolshoogte te nemen van de aanzwellende opstand tegen het communistische bewind. Een opstand die uiteindelijk de Muur die de stad in tweeën deelde zou slechten, en een einde zou maken aan de Koude Oorlog en aan een heel ideologisch systeem.

We stappen uit op station Friedrichstrasse, dat zich bij de bouwgekte heeft aangesloten. Het moet een van de grootste stations van Berlijn worden. De roltrappen zijn al af, en je wandelt, begeleid door het helse lawaai van schuurmachines, langs afgetimmerde galerijen waar winkeltjes komen. Het is moeilijk in dit doolhof de uitgang te vinden. Vroeger was dat geen probleem, je sloot gewoon aan bij de rij wachtenden die zich eerst de intimidaties van de koeionerende grenswachten moesten laten welgevallen.

We lopen van oost naar west, zoals op die ene avond een half volk deed. Hele straten vol blakend nieuwe kantoorflats, op het oog allemaal leeg, wachtend op de politici uit Bonn en de boom die dezen hopelijk veroorzaken. Tot de Brandenburger Tor, waar opnieuw de hijskranen opdoemen. 'Ik heb niet de indruk dat er iets moois aan het ontstaan is', zegt Nooteboom. 'Dat is jammer, want welke stad krijgt zo'n kans. Hier zou een nieuw Brasilia moeten verrijzen, maar dat lijkt er niet van te komen.'

Op 9 november 1989 stond ik met Cees Nooteboom op deze zelfde plaats, zij het met onze gezichten naar het oosten gekeerd. De schrijver woonde al ruim een half jaar in Berlijn als gast van de Daad, een Duitse stichting die uitwisselingsprogramma's voor wetenschappers en kunstenaars organiseert. Zijn hele leven heeft Nooteboom verslag gedaan van gebeurtenissen in den vreemde en dat hij de lezer op de hoogte zou houden van het reilen en zeilen van Berlijn lag voor de hand. Maar voor hij zich goed en wel had gevestigd, bleken de ontwikkelingen in een ongekende stroomversnelling te geraken. Nooteboom viel weer eens met zijn neus in de boter.

'Ik zit loge eerste rang', vertelde hij me in die dagen. 'Deze keer is het zelfs balkon, want van hier zie je uit over wat er in het oosten gebeurt.' Puur toeval wilde hij zijn aanwezigheid in Berlijn niet noemen: 'Het is een kwestie van kansberekening. Als je zo veel reist als ik, heb je een redelijke kans af en toe op het juiste moment op de juiste plaats te zijn.' In Berlijn kreeg hij plotseling 'het gevoel dat mij de rol van voyeur wordt opgedrongen'.

Die 9de november hadden we net de maaltijd in een restaurant achter de rug en nog onbewust van de gebeurtenissen die avond, gingen we op zoek naar een etablissement dat een naam op koffiegebied had hoog te houden. In de taxi stond de radio aan. Het was half tien. Er stond een radioverslaggever bij de Muur wiens toonhoogte met de minuut steeg: 'Ze staan op de muur' De chauffeuse draaide de taxi, met onze gretige instemming, en in een ommezien stonden we aan de voet van de Brandenburger Tor.

Heel West-Berlijn begon zich in ijltempo te verzamelen bij het middelpunt van de Muur, waar zojuist de eerste Oostberlijners overheen geklauterd waren. Bij het licht van de net gearriveerde televisielampen hield een jongeman boven op de Muur stand tegen de grensbewakers die hem er met een brandslang probeerden af te spuiten. Even later bleek de Muur niet langer bestand tegen het aanstormende volk en gaven de communistische autoriteiten de opdracht de sluizen naar het Westen open te zetten.

Het middelpunt van de bekroning van deze Aufstand gegen Zwang und Lüge is onherkenbaar: de Potsdammer Platz is veranderd in wat de grootste bouwput uit de geschiedenis moet zijn. We beklimmen het platform boven op het informatiegebouw dat de burgers enig inzicht in het resultaat van deze mammoetoperatie tracht te verschaffen. Nooteboom voelt 'een beetje nostalgie omdat ik hier echt heb gewoond, maar ook een soort schrik voor wat er allemaal gebeurt. Voor de radicaliteit waarmee het gebeurt. Als je boven op dat infohuis staat, zie je beneden hele legers aan het werk, het lijkt wel of je kijkt naar de bouw van de piramide van Cheops.

'Het wordt natuurlijk een Europees kruispunt. Het beangstigt me niet echt, maar het is onmogelijk er niet van onder de indruk te zijn. Die geweldige energie. Het wordt of de Toren van Babel, en die is zoals je weet in de lucht geëindigd, of het begin van een tunnel naar Moskou. Daar kom ik op omdat het allemaal zo diep is. Berlijn is een gateway naar wat nu zo keurig de emerging markets van Oost-Europa worden genoemd.' De bouwput is inmiddels een toeristische attractie op zich geworden: 'De attractie van dit alles is dat je duidelijk voelt: here we come.'

Na lang speuren vond Nooteboom Hotel Esplanade terug, een bouwval die vrijwel geheel is opgeslokt door de betonnen monsters van wat later het Sony Centre gaat worden. Het hotel maakt deel uit van een van Nootebooms Berlijnse verledens, dit keer uit de jaren zestig, toen hij er verschillende winters dagenlang doorbracht, gefascineerd door 'het open uitzicht op alle engigheid van het Oosten.'

Voor de ingang van het informatiecentrum staat een laatste segment van de Muur, bijna geheel gevuld met het kleurige opschrift Ozon. Vanaf het platform ontwaar je nog een lichte vleug van het verleden van deze plaats: een wachttoren, een slagboom, onkruid van het niemandsland tussen de twee Berlijnen. Even verderop spelen kinderen op een echt stuk Muur, een metertje of tien lang, dat voor de toeristen moet blijven staan, 'als een opzijgeschoven decorstuk na een mislukte voorstelling'.

Nooteboom vertelt de lotgevallen van een ander Muursegment, dat belandde op de campus van de Loyola Marymount University nabij Los Angeles. De schrijver was uitgenodigd voor de 'onthulling' van dit geschenk van de stad Berlijn en raakte enigszins van zijn a propos, want 'dat stuk muur staat daar voor joker, te midden van de Amerikaanse studenten met die lawaaishirts. De toekomst van gisteren heeft met een onnavolgbare alchemistische manoeuvre de dreiging en de dwang die bij dat stuk steen hoorde, omgetoverd in toeristische onschadelijkheid. Ik moet er de beelden van mannen met honden en geweren, van uitkijktorens en schijnwerpers voor oproepen om nog iets van een werkelijkheid te voelen.'

Een ander op zijn plaats gebleven stuk Muur vinden we in de Niederkirchnerstrasse, hoek Wilhelmstrasse. Aan de achterkant, tegen de muur aan, is de openluchttentoonstelling Topographie des Terrors ingericht: hier stond het Reichssicherheitshauptamt, de martelkamer van de nazi's. Een bordje op het toegangshek zegt: Betreten auf eigene Gefahr. Nooteboom: 'Dat mogen we als een ironie van de geschiedenis beschouwen. Hier komen twee verledens samen, die samen bezig zijn begraven te worden.'

We lopen verder naar Café Adler, ooit het laatste café van het Westen, pal voor Checkpoint Charlie, de meest beruchte grenspost van de eeuw en het onmiskenbare symbool van de Koude Oorlog. Voor de deur van dit café sloegen we op de ochtend van de 10e november 1989 de invasie van Oostduitsers gade. De eindeloze stroom pruttelende Trabants tezamen met een hevig geëmotioneerde massa te voet die met bloemen en tranen werd onthaald door de landgenoten van het Westen.

Er staat nog een restant van een wachthuisje dat deel uitmaakte van deze sluis waar de grenswachten je direct met je neus op de aantrekkelijkheden van het DDR-regime drukten. Op de muur ernaast nog altijd de reclame voor het partijblad de Neue Zeit, door een vrolijke reclamejongen nu gecounterd met een groot doek dat spreekt van Hochste Zeit. Nog meer humor die inspeelt op het verleden: een enorm bord met als opschrift Halt. Hier wird gebaut.

Het leven lijkt op deze plek genormaliseerd. Café Adler is niet eens meer gevuld met toeristen, het is een pleisterplaats voor jongeren, studentachtige types die zich nauwelijks voor de omgeving lijken te interesseren. Maar die omgeving wordt dan ook gedomineerd door splinternieuwe kantoorgebouwen van het soort dat je in elke Europese stad aantreft.

'In 1963 was ik hier al voor een partijcongres van de SED', zegt Nooteboom. 'Die hele maatschappij die ik toen aantrof, heeft in die gedaante veertig jaar bestaan en dat verleden wordt nu ondergeploegd. Maar daaronder zit nog een verleden en ook dat wordt nu begraven. Als je in termen van opgravingen denkt, kun je hier in Berlijn lang blijven graven. Dat maakt het zo fascinerend. Het systeem was vreselijk in het Oosten, maar een aantal van de mensen die daar groot in waren, waren daarvoor helden geweest in een ander systeem. Die waren gemarteld, hadden in concentratiekampen gezeten, en daarna kwam dit.'

Het verleden van Berlijn verdwijnt 'onder de fundamenten van de tempels van de nieuwe machten', maar Nooteboom bestrijdt het verwijt als zouden de Duitsers zich niet genoeg met hun eigen verleden hebben beziggehouden. 'De laatste jaren had ik zelfs het gevoel dat het de vorm van een orgie aannam. Maar een maatschappij moet verder. Een volk kan niet altijd in het verleden blijven leven, zeker niet als het zo negatief is ingekleurd.'

Berlijn was decennia lang een gesloten stad. Voor een man als Cees Nooteboom, die er graag uitvliegt, was het isolement van de stad een van de weinige onaangename kanten van zijn verblijf in 1989. 'Je kon er niet uit. Nou ja, als je echt wilde, kon je eruit, dat was het verschil met een gevangenis. Maar je gaat niet elk weekeinde een vliegticket kopen of een paar honderd kilometer in de auto zitten.

'Op zondag ging je dan net zo ver als je maar kon, die paar stukjes bos in. Maar onvermijdelijk lag ie daar weer. En een muur is een muur, hoe je het ook wendt of keert, ook al ligt ie in de verte bij zonsondergang en ziet ie er nog een beetje mooi uit. Het blijft een realiteit. Het was een rare ervaring om in die buurt te wandelen. Als je even stilhield en langer dan een minuut bleef staan, dan dwong je daarmee iemand, alsof je hem aan een touwtje had, zijn armen op te heffen en met zijn grote kijker naar je te kijken.

'Wanneer iemand daar nu zomaar wordt neergelaten, dan heeft hij geen idee. Beseft hij niet dat hij ergens loopt waar hij tien jaar geleden onherroepelijk was doodgeschoten. Alsof het niet bestaan heeft. De geschiedenis wist haar sporen uit en wordt daardoor juist geschiedenis. En de volgende generatie heeft geen idee, die denkt: ja, hier was het ergens ooit. En dan zit je al bijna op het terrein van de legende.'

Terugkeer naar Berlijn, door Cees Nooteboom verschijnt deze maand bij uitgeverij Atlas, *25,-

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.