De moord op de joden van Jedwabne

IN VEEL landen in Oost-Europa heeft de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog nog altijd een heel directe, levende betekenis. Verwonderlijk is dat niet....

In veel gevallen leidde de bevrijding van het verleden uit de kluisters van de heersende ideologie tot een herleving van een vurig nationalisme en een nostalgisch verlangen naar een roemrijke geschiedenis. Hier en daar ontaardde deze beweging zelfs in racisme en antisemitisme.

Aan de andere kant kon men in de landen die zich het meest op West-Europa oriënteerden, zoals Polen en Tsjechië, al vroeg een tendens in een andere richting ontwaren, waarbij geprobeerd werd de geschiedenis van dergelijke benauwende voorstellingen te ontdoen en een pluralistisch beeld van het verleden ingang te doen vinden.

Wie bijvoorbeeld de filmvoorstelling van het historisch museum in Warschau bezoekt, zal ontdekken dat niet alleen veel aandacht wordt besteed aan de nationalistische opstand en de verwoesting van de stad in 1944, maar ook aan de vervolging en vernietiging van drie miljoen Poolse joden en de opstand van het getto in het voorgaande jaar. Door deze gebeurtenissen parallel in beeld te brengen, als een geschiedenis van gedeeld slachtofferschap, wil het museum afstand nemen van de vroegere, eenzijdig nationalistische voorstellingen en recht doen aan de pluriformiteit van de geschiedenis.

De grote opschudding die vorig jaar ontstond bij het verschijnen van de Poolse editie van Neighbors, een studie van de Pools-Amerikaanse historicus Jan Tomasz Gross, en de uitzending van de televisiedocumentaire Waar is mijn oudere broer Kaïn van de cineaste Agnieszka Arnold toont echter aan dat zo'n verandering in het geschiedbeeld minder eenvoudig verloopt dan sommigen zouden willen.

Veel Polen konden nauwelijks geloven wat Gross en Arnold hadden ontdekt: de zestienhonderd joden van het dorp Jedwabne werden in 1941 niet vermoord door de nazi's, zoals tot voor kort te lezen was op een stenen monument, maar door hun Poolse dorpsgenoten.

Volgens de gangbare geschiedschrijving waren de moorddadige acties die voorafgingen aan de vernietiging van de joden in de gaskamers, uitsluitend het werk van de Duitsers. Speciale commando's trokken in september 1939 achter de frontlinies op en ontketenden een nietsontziende terreur tegen zowel de Poolse elite als de joodse inwoners. Dit proces zou zich herhalen in juni 1941, toen Duitsland het verdrag met Rusland verbrak en het oostelijk deel van Polen binnentrok.

Het gebied rond Jedwabne, gelegen in het noord-oostelijk deel van Polen, viel al vroeg in handen van Hitlers troepen. Het Duitse leger, dat in sommige dorpen als bevrijder werd ingehaald, trok snel verder; slechts een handjevol bezetters bleef achter. De afrekening van de lokale bevolking met de door de Russen in het zadel geholpen communisten liet niet lang op zich wachten. Maar daar bleef het niet bij. Wat zich de volgende weken afspeelde, is door Gross en Arnold met behulp van oude processtukken, fotoboeken, archiefmateriaal en interviews nauwkeurig gereconstrueerd.

Voordat het geweld in Jedwabne losbarstte, was het in enkele omliggende plaatsen al tot heftige anti-joodse acties gekomen, meestal op instigatie van groepjes uit de lokale bevolking, soms met steun van Duitse ordetroepen. Honderden joden werden mishandeld, vernederd en vermoord, terwijl de omstanders klapten en joelden. Ontsnappen was vrijwel onmogelijk, doordat de boeren de wegen rond de dorpen hadden afgesloten.

Het geweld plantte zich als een schokgolf voort door de streek en bereikte op 10 juli 1941 Jedwabne. Wie het initiatief tot de pogrom heeft genomen, is niet precies te achterhalen, maar zeker is dat het nieuwe, zelfbenoemde lokale bestuur de acties coördineerde, na zich verzekerd te hebben van de goedkeuring van de Duitse bezetter.

De pogrom begon, precies als elders, met mishandeling en publieke vernedering. Zo werd een groep inwoners gedwongen om een loodzwaar, massief standbeeld van Lenin, neergezet tijdens de korte periode van de Sovjet-overheersing, neer te halen en de brokstukken onder aanvoering van een rabbi zingend rond te dragen. De tocht werd besloten bij een graf, waarin niet alleen de brokstukken van het monument maar ook de dragers verdwenen.

De orgie van geweld duurde minder dan acht uur. Het werd de aanstichters al snel duidelijk dat messen, knuppels en andere voorwerpen niet voldoende waren om de bijeengedreven joodse bevolking in haar geheel om te brengen en zij gingen daarom - precies zoals enkele dagen eerder in een naburig dorp was gebeurd - op zoek naar een boerenschuur, groot genoeg voor vijftienhonderd mannen, vrouwen en kinderen. Die schuur werd met bezine overgoten en in brand gestoken. Het duurde dagen voordat de berg van halfverkoolde en verstijfde lijken was opgeruimd. Slechts een dozijn joodse dorpelingen overleefde de slachtig van Jedwabne.

De gebeurtenissen in Jedwabne moeten volgens Gross los worden gezien van de nazistische vernietigingspolitiek. Als uitdrukking van een betrekkelijk primitief, christelijk geïnspireerd antisemitisme paste de pogrom in een lange traditie, al lijkt ook roofzucht hier een belangrijk motief te zijn geweest.

Op dit punt lijkt Gross' analyse relevant voor vergelijkbare drama's, zoals die zich de laatste jaren in landen als Joegoslavië en Rwanda hebben afgespeeld. De daders waren 'gewone' burgers, met uiteenlopende beroepen, vaders en zonen, nette katholieken, die door de oorlogshandelingen plotseling in een bestuurlijk vacuüm terechtkwamen en zich realiseerden dat acties tegen hun dorpsgenoten voor henzelf lonend zouden kunnen zijn.

De commotie die het verhaal van Gross en Arnold teweegbracht, is op zichzelf genomen veelzeggend. De ware toedracht was immers allang bekend: de oudste getuigenis gaat terug tot 5 april 1945, onmiddellijk na de bevrijding van Polen. Naar aanleiding van deze getuigenis werd een onderzoek ingesteld, dat leidde tot de veroordeling van veertien dorpsbewoners in twee slordig, haastig afgewerkte processen in 1949 en 1953. Het feit dat de waarheid werd 'vergeten', zegt evenveel over de manier waarop in Polen met de geschiedenis werd omgegaan, als de reacties van verbijstering nu.

De onthulling van de gruwelijke moord vormde in Polen voorpaginanieuws en leidde tot een stroom van publicaties waarin de pijnlijke verhoudingen tussen joden en niet-joden tijdens de Duitse bezetting werden ontrafeld. Vanuit nationalistische hoek werd scherp geprotesteerd. Enkele historici gingen op zoek naar ontlastende verklaringen en kwamen voor de zoveelste keer met het argument dat het gedrag van de dorpsbewoners moest worden gezien als een 'begrijpelijke reactie' op de 'oververtegenwoordiging' van de joden in het communistische bestuur tijdens de Sovjet-overheersing in de jaren 1939-1941 - een gegeven dat Gross is zijn boek overigens vakkundig had ontkracht.

De feiten bleken echter onweerlegbaar: de eenzijdige voorstelling van Polen als land van louter slachtoffers was niet langer houdbaar. Zowel de leiding van de katholieke kerk als de sociaal-democratische president Kwasniewski heeft erkend dat de moord het werk is geweest van de inwoners van het dorp, terwijl de regering een officiële onderzoekscommissie heeft ingesteld. Het oude monument waarop de moord aan de nazi's werd toegeschreven, is intussen alvast neergehaald.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden