De moed om stilte te laten horen

Platenlabel ECM stond altijd voor kale, sferische Scandinavische klanken. Maar producer Manfred Eicher heeft de blik verruimd. ‘Ik ontdek de rest van Europa....

Op een koude dag in Oslo gleed Manfred Eicher uit op straat en brak zijn enkel. Daardoor is het geluid van ECM, het hoogst gewaardeerde en meest consistente jazzlabel ter wereld, veranderd. Na veertig jaar en meer dan duizend platen. ‘Het deed pijn, die voet. Ik heb er ontzettend lang last van gehad. Ik wilde even niet meer naar Oslo.’ Toen de producer in een klein studiootje in het Italiaanse plaatsje Udine een cd opnam met trompettist Enrico Rava, beviel het hem daar uitstekend. ‘Ik kon relaxt met mijn krukken door het dorpje naar de studio hinken.’

De terugkeer na twintig jaar van trompetheld Rava naar ECM en het prachtige resultaat Easy Living leidde tot een reeks opnamen met Italianen. Ook zijn er de laatste jaren beduidend meer cd’s van jonge muzikanten, Zwitsers, Grieken, Fransen en stevige elektronische muziek. Het valt op bij het label dat al decennia vooral wordt geassocieerd met kale, sferische Scandinavische klanken. De Rainbow Studio in Oslo was de vaste stek. Nu minder. ‘Het komt niet alleen door die voet, natuurlijk.’

Manfred Eicher ís ECM. De producer bepaalt in zijn eentje met wie hij opneemt, wat er wordt gespeeld, in welke volgorde het op de cd komt en hoe de hoes eruit komt te zien. Zijn herkenbaar heldere stijl is vaak tevergeefs geprobeerd te kopiëren. ‘Er is door grote bedrijven wel geprobeerd om ECM voor geweldige bedragen te kopen. Ze wilden altijd de garantie dat ik er zou blijven werken.’ Eicher is niet de eigenaar van ECM. Dat is de investeerder van het eerste uur. ‘Ik heb wel aandelen in het bedrijf, maar al mijn geld blijft erin. Ik bezit zo weinig mogelijk. Geen huis, geen auto, geen studio. Mijn woning in München huur ik. Ik wil elk moment kunnen bewegen. Ik heb geen mobiele telefoon en geen email. Mijn brieven dicteer ik, net als vroeger.’

De 66-jarige producer zit aan het raam van het Ritz Carlton Hotel in Berlijn, met uitzicht op de Potzdammer Platz. Het waait en regent. Eicher is warmer en vriendelijker dan je zou verwachten van de ‘spiritus rector’ van de platenmaatschappij met het serieuze imago. Eerst zat hij in een ander hotel. Maar Keith Jarrett wilde Eicher graag bij hem in de buurt. De Amerikaanse sterpianist zal ’s avonds een concert geven in de Philharmonie, ter gelegenheid van veertig jaar ECM. Jarrett is nerveus, want hij heeft lang niet in Berlijn gespeeld. Die avond zal hij na traditiegetrouw verschillende hoesters, flitsers en stoelenschuivers er van langs te hebben gegeven vijf toegiften spelen.

In dezelfde zaal speelde Manfred Eicher in zijn jonge jaren als contrabassist van het Berliner Philharmoniker. Maar al snel besloot hij dat het opnemen van muziek hem beter beviel. In 1969 richtte hij Edition of Contemporary Music op om een plaat te maken met pianist Mal Waldron: Free at Last. De in Amsterdam wonende drummer Clarence Becton speelt erop mee. Op dat moment had Eicher nog niet de ambitie om van ECM een conceptueel fenomeen te maken. ‘Met mijn ervaring als klassiek bassist wilde ik de sfeer van kamermuziekopnames toepassen op geïmproviseerde muziek en jazz. De muziek niet als rumoerig kroegvermaak neerzetten. Dat was het enige criterium. Van daaruit ben ik langzaam, zonder vanuit een concept of budget te denken, verder gegaan. Ik begon in mijn eentje, na vier jaar waren we met zijn drieën. Nu werken in München veertien mensen. En we hebben kleine kantoortjes in New York, Tokio en Parijs.’

Het is opvallend hoeveel beroemde Amerikaanse en Europese musici hun carrière zijn begonnen bij Eicher. Pat Metheny, Chick Corea en Jan Garbarek waren twintigers toen ze hun eerste platen voor ECM maakten. ‘Ik doe niet bewust aan scouting. Ik werk intuïtief. Zoals een vos of een wolf verscherpte zintuigen heeft, zo heb ik gevoel voor talent dat ontgonnen moet worden, nog voordat het echt ontgonnen is. Je moet het juiste moment pakken, kleine dingetjes horen, oogcontact hebben, zien hoe iemand beweegt.’ Eichers intuïtie liet hem zelden in de steek. Het is in veertig jaar maar drie of vier keer gebeurd dat een plaat op de plank is blijven liggen.

‘Keith Jarrett hoorde ik voor het eerst in een Amerikaans radioprogramma, midden in de nacht. Ik vond hem fantastisch klinken. Misschien iets te druk, iets te veel noten en euforie. Later hoorde ik hem in Stockholm, een paar jaar daarna in Bologna en toen wist ik zeker dat ik met hem wilde werken. Toen hij in 1970 met Miles Davis naar München kwam hebben we een lange wandeling gemaakt en besloten een soloplaat te maken: Facing You. Vanaf het eerste moment wisten we dat we dezelfde doelen hadden.’

Een andere belangrijke artiest voor Eicher is de Estlandse componist Arvo Pärt. Die samenwerking bracht hem ertoe om in 1984 een aparte serie op te zetten voor contemporaine muziek: ECM New Series. Pärts Tabula Rasa is nog altijd een bestseller. Wat zijn eigenlijk de vergeten kindjes van ECM, muzikanten waarvoor Eicher de gelegenheid zou willen aangrijpen om ze extra onder de aandacht te brengen? ‘Er zijn geen worst sellers. Het is een culturele verplichting om bepaalde platen te maken. Platen die niet iedereen koopt kunnen wel een artistiek verlangen bevredigen. Dat is heel belangrijk. Ik wil nu geen artiesten noemen, omdat ik het niet eerlijk vind. Het is de taak van het publiek en de journalistiek om de muziek eruit te pikken die ertoe doet. Of tenminste een stevig beargumenteerde mening te hebben. Dat mis ik wel hoor, een goed inhoudelijk debat over muziek. In de jaren zestig en zeventig discussieerden we over alles en iedereen. Han Bennink, Peter Brötzmann, het Berlijnse Free Music Produktions... Discours is nodig om iets levend te houden.’

Voor het maken van een cd trekt Manfred Eicher standaard een week uit. Drie dagen voor het opnemen, twee voor het mixen, editen en masteren. Maar verder moet Eicher niet denken aan standaardprocedures. ‘Alles hangt af van de inhoud. Van de persoonlijkheid van de musici. Ik reken er nooit op dat een bepaalde microfoon goed klinkt, bijvoorbeeld. Het stomste wat je kunt doen als producer is in de mixruimte blijven zitten en uitgaan van het geluid dat door de kabels binnenkomt. Je moet eerst bij de muzikanten in de ruimte staan. Kijken hoe ze zich voelen, hoe ze met elkaar omgaan. Met ze praten over intonatie en dynamiek. Misschien moet de saxofonist wel een ander riet gebruiken. Je moet de ruimte zelfs op de muzikanten uitkiezen. Het gaat om de osmose du zone. Daarom werk ik in verschillende studio’s, in concertzalen en kerken.’

De verschuiving weg van de befaamde Rainbow Studio in Oslo heeft dus niet alleen met Eichers gebroken voet te maken. ‘De studio is vernieuwd, ik moet eraan wennen. Ook staat er nu een andere piano. Maar het belangrijkst is de verschuiving van mijn inhoudelijke interesse. De eerste generatie Noorse muzikanten was geweldig. Garbarek, Terje Rypdal, Johan Christensen. De tweede was ook goed, met onder andere Nils-Petter Molvaer en Bugge Wesseltoft. Maar de derde generatie interesseert me minder. Ze zijn een beetje zelfingenomen geworden. Alles wat uit Noorwegen komt is zogenaamd goed. Nou, dat is helemaal niet zo. Ik ontdek de rest van Europa. Het opent zich. Waar tegelijk licht en duisternis zijn, is ook de zone van het onverklaarbare. Dat wil ik ontdekken. Waar is het. Waar is het mysterie.’

Onlangs ontdekte Eicher voor het eerst in de geschiedenis van ECM een Nederlandse muzikant die hij wilde uitbrengen: de 35-jarige pianist Wolfert Brederode. Twee jaar geleden verscheen zijn plaat Currents, in het voorjaar wordt een nieuwe opgenomen. ‘Wolfert stuurde me zijn opnamen. Meestal luister ik daar niet naar, maar nu toevallig wel. Ik vond hem in het begin nog te veel als Bill Evans spelen maar gaandeweg vindt hij zijn eigen stijl. En hij schrijft goede stukken. Het is niet zo dat ik me nooit bewust ben geweest van de geweldige eigenzinnige Nederlandse jazz hoor, ik heb alleen nooit de ambitie gehad het uit te brengen. Mijn focus lag ergens anders. Nu de wind in meerdere richtingen waait kan het best zijn dat er meer Nederlandse muziek bij ECM uitkomt.’

Nog meer dan bij andere maatschappijen is bij ECM de volgorde van de nummers belangrijk. Cinefiel Eicher – de Nouvelle Vague is favoriet – beschouwt een cd als een film of als een roman. De meeste platen zijn lang, het artwork is belangrijk. De huisstijl is onmiddellijk herkenbaar en tot in de puntjes verzorgd. Bij jazz heeft Eicher liever geen toelichting in de boekjes, maar bij gecomponeerde muziek staan er flinke essays in. Allemaal dingen die bij de huidige manier van muziek consumeren onder druk staan. Hoe ziet hij de toekomst van ECM nu de platenindustrie in zwaar weer verkeert?

‘Natuurlijk is er een nieuwe realiteit wat verkoopcijfers betreft. Elke plaat verkoopt minder. Maar ik ga het aantal titels voorlopig niet terugschroeven. We hebben de oude platen die nog steeds lopen en nog altijd nieuwe verrassingen. Dit jaar verschijnen er dertig cd’s, vorig jaar zelfs veertig. Het is moeilijk om minder te doen omdat onze cirkel van musici steeds groter wordt. Ik zet geen oude aan de kant, daar heb ik geen reden voor. Dus ik heb meer werk. Maar daar ben ik blij mee, ik ben vol energie. Ik zou in principe wel in zijn voor een rechterhand, maar voorlopig heeft zich nog niemand aangediend. We zijn niet een echte business-business. Ik wil de beste kwaliteit.’

Aan de vaste waarden van ECM weigert Eicher te morrelen. ‘Ik vind het prima als mensen de nummers van een cd in hun eigen volgorde beluisteren, maar eerst wil ik het ze aanbieden zoals ik het samen met de muzikanten heb bedacht. Zo zijn de pauzes tussen de nummers van groot belang. Die moeten soms langer zijn, soms kort.’

Voor sommigen gekmakend, voor anderen een verademing zijn de vijf seconden stilte waarmee iedere cd van ECM begint. Je denkt tegenwoordig al snel dat de cd niet pakt of dat de download is mislukt. En is het niet erg dwingend? Mag de luisteraar niet zelf bepalen wanneer de muziek begint? ‘Ik beslis wanneer het begint, ja. Wat mij betreft hadden het wel tien seconden mogen zijn. Ik zal je vertellen hoe ik erbij gekomen ben. Toen ik jong was, woonde ik aan het meer van Konstanz, waar ik Zwitserse radio kon ontvangen. Na elk programma was er stilte tot het nieuws kwam. Twintig seconden ofzo. Er was de moed om stilte te laten horen. Dat voelt dus niet gek voor mij, zo ben ik opgegroeid. Waarom zou een plaat je moeten bespringen? Laten we gaan zitten, de cd erin stoppen en vervolgens de kans hebben om tenminste één keer adem te halen. Voor mij begint de muziek mentaal dus wel degelijk meteen. Wie pas wil beginnen bij de eerste noot, ja, die moet vijf seconden geduld hebben. Wanneer je die niet kunt opbrengen denk ik dat de muziek ook niets voor je zal zijn. Als je echt tijd wilt hebben voor iets, dan is die er. Altijd.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden