De metamorfose van de Volkskrant

De onstuimige jaren zestig waren voor de naoorlogse Volkskrant een sleutelperiode. De krant verliet de katholieke kerk en de KVP, om vervolgens in snel tempo te radicaliseren....

De kerk: niet langer de wij-vorm

Nederlandse katholieken hielden zichzelf graag voor dat zij in de roomse wereldkerk een bijzondere plaats innamen. 'Hoe verder van Rome, des te beter katholiek', heette het. In de jaren zestig veranderde deze situatie in snel tempo. Nauwelijks tien jaar waren nodig om het hechte katholieke bolwerk, dat met zoveel ijver en discipline was opgebouwd, uiteen te doen spatten. Wat van de katholieke zuil overeind bleef, waren vooral dienstverlenende en verzorgende instellingen, zoals ziekenhuizen en scholen, vaak stichtingen met financiële vermogens. De rest verdween of schrapte de aanduiding 'katholiek': de vakbonden en de sportclubs, de jeugd- en vrouwenverenigingen, de Katholieke Volkspartij, de harmonie en de bibliotheek.

De katholieke dagbladpers, die een sleutelrol had vervuld bij de opbouw van de eigen organisaties en meer dan eens door de leiding van de kerk was geprezen als een voorbeeld voor de rest van de wereld, onttrok zich niet aan deze veranderingen, integendeel. Met name de Volkskrant, sinds de Tweede Wereldoorlog onbetwist de grootste katholieke krant, ontpopte zich in de loop van de jaren steeds nadrukkelijker als een van de belangrijkste gangmakers van de ontzuiling en de ontkerkelijking.

In een poging het begin van de radicalisering van de Volkskrant te dateren is vaak gewezen op het schrappen van de ondertitel 'Katholiek dagblad voor Nederland' in september 1965, toen de krant verhuisde van de Amsterdamse binnenstad naar een nieuw gebouw aan de Wibautstraat. De hoofdredacteur van de krant, Jan van der Pluijm, drukte de lezers bij die gelegenheid evenwel op het hart dat de verdwijning niet mocht worden uitgelegd als een koerswijziging. 'Wij blijven een katholieke krant en zullen dat niet camoufleren', schreef hij in een hoofdartikel op de eerste pagina van de vernieuwde krant.

Later zijn deze woorden wel afgeschilderd als een slimme poging de meer behoudende lezers van de Volkskrant niet kwijt te raken, maar Van der Pluijm zou dat in alle toonaarden ontkennen. Het stuk, waaraan alle belangrijke redacteuren hadden meegewerkt, was niet bedoeld als een rookgordijn: 'Ik ben er heilig van overtuigd, dat we het allemaal zo meenden als we het toen opschreven.' De uitspraak lijkt te worden bevestigd door de oude krantenleggers: wie die doorbladert, moet vaststellen dat de Volkskrant ook in de tweede helft van de jaren zestig nog een katholieke krant was.

Een treffende illustratie daarvan levert de paaskrant van 1968, bijna drie jaar na het schrappen van de ondertitel. 'Opstandig halleluja' luidde de kop boven het hoofdartikel waarmee de krant, volgens de beste tradities van de katholieke journalistiek, het paasthema 'Opstand en Opstanding' bij haar lezers introduceerde. Het leek allemaal zo vertrouwd. Precies als in voorgaande jaren bracht de krant de laatste dagen van de Goede Week een groot aantal beschouwingen, gedichten en illustraties die verband hielden met de dood en verrijzenis van Christus. Maar de toon en inhoud van deze paaskranten verschilden hemelsbreed van die van vroeger.

In het nieuwe christelijke denken, aldus het opgewekte commentaar, 'wordt de opstanding niet langer gebracht als een triomfaal slot van een geschiedenis, maar als een begin met een dwingende opdracht naar de toekomst (...). Er is zelfs een, zij het aarzelend, begin van waardering voor de betekenis van het conflict, voor de zin van het verzet, en in een enkel geval voor de onmogelijkheid van het vermijden van de revolutie.' Wie bang is dat deze houding zal leiden tot een verlies van religieuze waarden 'schaart zichzelf voorbarig in de gelederen van de kleingelovigen', aldus de krant, want 'er is geen menselijke situatie die meer roept om opstanding, en eigenlijk het geloof daarin ook al uitdrukt, dan die waarin mensen opstaan omdat de mens wordt bedreigd'.

Dat de krant zich midden jaren zestig beschouwde als de spreekbuis van de vooruitstrevende oppositie, bewees zij in de eerste plaats in haar vrijmoedige en bewogen commentaren op de daden en uitspraken van het Vaticaan. Zo trad de krant in het krijt voor de theologen die omwille van hun verlichte denkbeelden door Rome ter verantwoording waren geroepen, zoals de dominicaan E. Schillebeeckx, wiens ideeën door kerkelijk redacteur Richard Auwerda enthousiast werden gepopulariseerd en verdedigd. Typerend was ook de reactie op de pauselijke encycliek over geboortebeperking, Humanae Vitae, in de zomer van 1968, waarvan de Volkskrant als eerste krant in Nederland de tekst bezat. 'Bevolkingsgroei in arme landen voert naar catastrofe' luidde de veelzeggende kop boven een artikel waarin oud-redacteur Ponsioen, inmiddels ook ex-pater, de pauselijke boodschap onder de loep nam.

De kritische houding bezorgde de krant spoedig vijanden, zoals bleek bij de viering van de tweede verjaardag van de kroning van paus Paulus VI in juni 1965, toen de Volkskrant niet uitgenodigd bleek te zijn voor een receptie op het gezantschap van het Vaticaan in Den Haag. Van der Pluijm vroeg onmiddellijk audiëntie bij de internuntius, mgr. G. Beltrami. Uit dat onderhoud bleek dat de krant niet was genodigd omdat in niet nader genoemde kringen veel weerstand bestond tegen haar 'agressieve en te uitgesproken progressieve' opstelling.

Dat de intenties van de krant oprecht waren, bleek ook uit de rol die zij zichzelf had aangemeten: zij opponeerde, maar als medespeler. Een treffende illustratie vormt de briefwisseling tussen de redactie en Cor de Groot in januari 1967, nauwelijks een maand na zijn aanstelling tot correspondent in Rome. De Groot, die meer dan tien jaar in Frankrijk was gestationeerd geweest, had naar aanleiding van de groeiende moeilijkheden tussen het Vaticaan en de Nederlandse kerkprovincie een stuk geschreven over wat hij noemde 'de communicatie-stoornis tussen Nederland en Rome'. Voor de meest betrokken redacteuren was het artikel onaanvaardbaar, liet Van der Pluijm de verbouwereerde correspondent weten, en men vroeg zich af door welke informanten hij zich in de luren had laten leggen. Van der Pluijm formuleerde het anders, maar het kwam erop neer dat de redactie de voorstelling van de oplopende spanningen als een 'communicatie-stoornis' ronduit naëf vond. 'Wij moeten (...) vaststellen dat er ook in Rome nog maar weinig begrip bestaat voor wat er elders in de wereld aan de gang is. Dat is er in het verleden helemaal niet geweest. Wij hebben hier echt wel zaken achter de rug zoals die van dr Terruwe en die van de Linie en andere mensen. Neem de kwestie van Van Kilsdonk, die gewoon vanuit Rome zo faliekant fout is gespeeld, dat wij nu niet apaiserend mogen gaan zeggen van 'goed, er moet aan twee kanten wat meer begrip voor elkaar ontstaan', want dat is toch niet het hele probleem', aldus Van der Pluijm in zijn brief - het zoveelste bewijs van de stelling dat de betrokkenheid van de krant zelfs in de tweede helft van de jaren zestig allerminst een pose voor de katholieke abonnees was.

In haar rol als oppositionele 'medespeler' legde de krant zich evenwel ook beperkingen op. Niet alleen werd de kritische toon veelvuldig verzacht door te strooien met termen als 'begrip', 'gewetensnood' en 'goede wil', de krant had ook niet de behoefte 'tot de rand te gaan', zoals Van der Pluijm in een interview met Het Parool naar aanleiding van het schrappen van de onderkop in 1965 stelde. Als hoofdredacteur droeg hij immers 'een zware verantwoordelijkheid', want 'een hoofdartikel in de Volkskrant kan de geestelijke zekerheid van duizenden herstellen of ondergraven'.

Er waren natuurlijk ook minder hoogstaande motieven om voorzichtig te zijn. De krant liep op eieren en het evenwicht was wankel. Het bezoek van Van der Pluijm aan Beltrami was dan ook vooral bedoeld om de lont uit het kruitvat te trekken. De repercussies van een openlijk conflict over de houding van de krant in religieuze en kerkelijke kwesties zouden niet te overzien zijn, was het gevoelen. Weliswaar kon de stijging van het aantal abonnees sinds het midden van 1966 worden uitgelegd als een aanwijzing dat de krant op de goede weg was, de stroom van ingezonden brieven over kerkelijke en religieuze zaken fungeerde als een aansporing tot voorzichtigheid. Tot begin jaren zeventig kwamen maandelijks enige tientallen - en soms wel meer dan honderd - reacties binnen.

'We manoeuvreerden uiterst behoedzaam', zou Van der Pluijm veel later schrijven. Cartoonist Wibo en politiek tekenaar Opland kregen het verzoek om 'katholieke' onderwerpen te laten rusten en ook in andere rubrieken, zoals Dag in dag uit en zelfs de column van Jan Blokker, werd een milde vorm van (zelf)censuur toegepast. Nog in 1970 verzocht de hoofdredacteur zijn verzamelde medewerkers om 'grote prudentie in mopjes over de paus, de kardinalen en het celibaat. Een groot deel van onze lezers is zeer emotioneel bij dit probleem betrokken. Met veel moeite aanvaarden ze nog wel een zakelijke stellingname, maar als wij daaroverheen in allerlei columns en rubrieken de zaak ook nog eens op de humoristische toer gaan benaderen, gaan ze ons hersenspoeling en bevooroordeeldheid verwijten, vooral omdat wij naar hun overtuiging voor hun oprechte mening nauwelijks enige ruimte beschikbaar stellen.'

De geleidelijke verwijdering van het katholicisme - niet alleen van Rome, maar van de kerk als zodanig - kwam aan het einde van de jaren zestig vooral ook tot uitdrukking in de 'journalistieke normalisering' van het onderwerp. Een korte interne mededeling van begin 1969, waarin bijna terloops werd aangekondigd dat in de commentaren en beschouwingen niet langer de wij-vorm zou worden gehanteerd wanneer het over katholieken ging, mag in dat verband welhaast symbolisch worden genoemd. Kerkelijk nieuws werd meer en meer naar journalistieke maatstaven beoordeeld, geselecteerd, gepresenteerd en eventueel geanalyseerd en van commentaar voorzien, aldus Auwerda later. Voortaan golden ook hier de gewone regels.

Met de benoeming van Simonis en Gijsen verdwenen de laatste resten van het geloof in de vernieuwing van de kerk, waarvan de krant zo'n enthousiast vertolker was geweest. Men voelde geen verbondenheid meer met de kerk als instituut. Dat gold in ieder geval voor de hoofdredacteur persoonlijk. Van der Pluijm, die volgens zijn echtgenote altijd een actief belijdend gelovige was geweest, liet zich na lang tobben uiteindelijk heel impulsief als katholiek uitschrijven, 'toen hij toch een keer voor een vergadering in het raadhuis moest zijn' - een symbolische daad die in de eerste plaats onderstreepte hoe diep zijn betrokkenheid was geweest. De meeste andere redacteuren waren dat punt al lang gepasseerd - al schijnt er bij gelegenheid van de volkstelling ter redactie nog campagne te zijn gevoerd om zich als katholiek te laten uitschrijven. Niet alleen waren kerkelijke en religieuze kwesties steeds meer het domein van één man - Richard Auwerda - geworden, ook tijdens vergaderingen kwam het onderwerp vrijwel niet meer aan de orde. De discussies gingen vanaf het einde van de jaren zestig over politieke en sociale vraagstukken, over onderwijs en gezondheidszorg, over het milieu en de Derde Wereld.

Buitenland: snelle wendingen

De beoordeling van het Amerikaanse optreden in Vietnam leidde vooral in 1966 en 1967 tot grote spanningen. Dat was vooral het gevolg van de opstelling van de buitenlandredactie onder leiding van Manus van Wordragen, een overtuigd voorstander van de Amerikaanse politiek, die voldoende kennis en gezag bezat om de Volkskrant tot begin jaren zeventig op een betrekkelijk gematigde koers te houden. Weliswaar sprak de krant zich al in 1967 onomwonden uit tegen de noodlottige militaire interventie, tot een overheersend anti-Amerikanisme leidde die kritiek vooralsnog niet. Daarmee week de ontwikkeling van het standpunt van de Volkskrant, althans in de hoofdartikelen, niet zoveel af van die van de publieke opinie in Nederland.

De verschuiving in het oordeel van de krant ging een aantal redacteuren echter niet snel en ver genoeg. Tijdens de dagelijkse redactievergadering roerden deze critici zich danig: de commentaren moesten scherper, de nieuwsvoorziening was eenzijdig pro-Amerikaans en de beoordeling van het Zuid-Vietnamese Bevrijdingsfront te negatief. De emoties konden daarbij soms hoog oplopen, al kregen de critici spoedig gelegenheid hun eigen visie op de zaak te geven. Dag in dag uit fungeerde als een geliefde uitlaatklep, maar ook in andere rubrieken werden kritische noten gekraakt: in de prenten van Opland, de boekbesprekingen en de interviews van Martin Ruyter - tot in de artikelen van de buitenlandredactie toe. Zo eindigde het jaaroverzicht van 1968 in een hard oordeel over de 'tragiek van Johnson': hij meende een historische taak in Zuidoost-Azië te moeten vervullen, maar maakte daarbij de fout nationalisme en communistische agressie op één hoop te vegen. Hij begreep niet 'dat het in Vietnam ging om een bevrijdingsoorlog van Vietnamezen tegen een overheersende, conservatieve klasse'.

Met de uitbreiding van de oorlog tot Cambodja, in april 1970, keerde de Volkskrant zich ook in de hoofdartikelen steeds heftiger tegen de Amerikaanse politiek. Deze ontwikkeling vond haar eindpunt in een speciale Vietnam-bijlage, die verscheen in januari 1973, enkele weken na de zware Amerikaanse bombardementen op Noord-Vietnam, die rond de kerst honderdduizenden in de hele wereld de straat op hadden doen gaan en waren beëindigd met een plotselinge en definitieve wapenstilstand. Het nummer opende met een algemene beschouwing, 'Vrede in Vietnam', van de hand van Jan de Vries, die zich al vroeg had ontpopt als een scherp criticus van de Amerikaanse Vietnam-politiek en nu in felle bewoordingen zijn gelijk haalde. De bijdrage van chef buitenland Van Wordragen bestond uit een paginagroot, maar betrekkelijk a-politiek dubbelportret van de Noord-Vietnamese leiders Ho Chi Minh en generaal Giap.

Van Wordragen had bij jongere collega's de naam een verstokte, zij het wat excentrieke anti-communist te zijn. 't Is weer voorbij het tijdperk-Manus / dat Marx en Mao nog lang heugen zal / het leek of er geen einde aan zou komen / in 't Kremlin klinkt vandaag het feestgeknal, zongen zij spottend bij zijn afscheid in januari 1978 op de melodie van 't Is weer voorbij die mooie zomer. Toch kon hij zich soms ook opmerkelijk soepel opstellen. Ronduit spectaculair was zijn initiatief om de voormalige hoofdredacteur van De Waarheid, A.J. Koejemans, ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van de DDR in 1969 een zeer uitvoerig reisverslag te laten schrijven.

Koejemans, in 1955 uit de CPN gezet en vervolgens toegetreden tot de doopsgezinde gemeente, had zich in de jaren zestig ontpopt als een warm pleitbezorger van de dialoog tussen christenen en communisten. Van deze gezindheid maakte hij ook in de Volkskrant geen geheim. Al in de eerste aflevering van de serie 'Mensen in Oost-Duitsland' presenteerde hij een bijna romantisch beeld van de jonge staat, voortgekomen uit de strijd tegen de 'bruine pest' en de erfgenaam van het vroegere linkse Duitsland, waartoe hij niet alleen Kautsky en Luxemburg, maar ook figuren als Thomas Mann, Bonhoeffer en Ossietzky rekende. De redactie schrok er blijkbaar zelf van, want in een kaderstukje bij de tweede aflevering werd duidelijk geprobeerd afstand tot de auteur te scheppen. Nu pas werden de lezers uitvoeriger ingelicht over zijn achtergronden: Koejemans, aldus de krant, geloofde in 1930 als jongeman nog in de geboorte van één totaal Sovjet-Duitsland.

De lezersreacties waren niet mals. 'Ik vind deze artikelen belachelijk, kinderachtig. Het lijkt wel iemand die bij Goebbels van het Dritte Reich in de les is geweest. Wat 'n onzin kraamt die man eruit' aldus een abonnee in Limburg, die zich afvroeg of de krant ook zulke reportages over Griekenland, Spanje en Zuid-Afrika zou publiceren. Van der Pluijm, die dergelijke brieven in beginsel zelf beantwoordde, verwees in zijn antwoord niet alleen naar het redactionele kaderstukje, maar ook naar de behoefte om, in het kader van de dialoog tussen Oost en West, de beweegredenen van anderen te leren kennen.

Om het discussiekarakter van de serie te onderstrepen publiceerde de krant bovendien een aantal van de tientallen ingezonden brieven en een uitvoerige reactie in de rubriek Open Forum, waarin Koejemans treffend werd neergezet als een van die 'ongetwijfeld ontroerende mensen, die nog steeds leven in de overtuiging dat er tenslotte een politieke aspirine tegen alle vormen van sociaal kwaad zal worden uitgevonden'.

Voorzichtiger en tegelijk beslister en consequenter was de wending van de krant inzake het Midden-Oosten. De Volkskrant besteedde, evenals andere bladen, al eerder aandacht aan de erbarmelijke omstandigheden waarin de Palestijnse vluchtelingen verkeerden. Van Wordragen bezocht begin 1966 enkele kampen op uitnodiging van de 'Landscommanderije Nederland van de Ridderorde van het Heilig Graf van Jeruzalem', die de Vaticaanse politiek van internationalisering van de heilige plaatsen en niet-erkenning van Israël ondersteunde en daartoe een inzamelingsactie onder Nederlandse katholieken wilde organiseren. Toch week de opstelling van de krant tijdens de Zesdaagse Oorlog in juni 1967 niet af van die van de meerderheid van de Nederlandse bevolking, die zich als één man achter Israël schaarde.

Onmiddellijk na de Israëlische overwinning trad echter een lichte verschuiving in het oordeel van de krant op. De Volkskrant bleef weliswaar loyaal jegens Israël, maar keerde zich steeds openlijker tegen het oog-om-oog-tand-om-tand-principe en de geringe bereidheid van zijn regering om concessies te doen. Tegelijk groeide de belangstelling voor de drijfveren en omstandigheden van Israëls tegenstanders. Volgens Jan Luijten, die in deze jaren als redacteur het Midden-Oosten onder zijn hoede had, was de voorzichtige koerswending na de Zesdaagse Oorlog ingegeven door professionele overwegingen. 'Het is een goed journalistiek gebruik om bij een conflict beide partijen aan het woord te laten: het principe van hoor en wederhoor. In het Midden-Oosten werd dit principe consequent genegeerd. Ik wilde zowel het Israëlische als het Arabische standpunt in de krant.'

Men kan zich afvragen of ook andere motieven en gevoelens een rol kunnen hebben gespeeld, vooral waar het ging om het tempo waarmee de krant haar redactionele beleidswijziging doorvoerde - en kón doorvoeren. Zo waren de gevoelens van verbondenheid met Israël onder katholieken, in vergelijking met andere bevolkingsgroepen, minder hecht, hetgeen de krant een grotere speelruimte verschafte. Dat gold in ieder geval - in negatieve zin - voor de chef van de buitenlandredactie, Manus van Wordragen, die zich op andere terreinen doorgaans betrekkelijk behoudend opstelde: intern liet hij bij herhaling blijken behept te zijn met dezelfde anti-joodse sentimenten die men vooral vóór de oorlog nog wijd en zijd in christelijke en katholieke kringen kon aantreffen. Er is evenwel geen enkele aanwijzing dat de houding van Van Wordragen van invloed is geweest op het redactiebeleid.

De behoefte om de andere, onbekende kanten van het Midden-Oosten en de Arabische wereld te laten zien, kwam ook in andere artikelen tot uitdrukking. Zo publiceerde de krant vanaf 1967 een aantal bijdragen over de islam en een uitvoerig verslag van een reis door zeven islamitische landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, geschreven door medewerkers van het Instituut voor het Moderne Nabije Oosten van de Universiteit van Amsterdam.

Het was ten slotte de populaire commentator G.B.J. Hiltermann die in zijn zondagse causerie De toestand in de wereld op 12 oktober 1969 de kat de bel aanbond. Hiltermann, die met Lücker bevriend was sinds de tijd dat zij nog beiden aan De Telegraaf verbonden waren, droeg de Volkskrant geen warm hart toe. Twee jaar voordat hij de krant voor de AVRO-microfoon publiekelijk te schande maakte, had hij haar al eens betiteld als 'een boosaardig blad onder slechte leiding' - een mild oordeel in vergelijking met de bewoordingen die hij in zijn wekelijkse tour du monde bezigde. Aangeland bij de toestand in het Midden-Oosten, bracht hij de Israëlische reactie op een Egyptisch vredesaanbod ter sprake. Deze reactie, aldus Hiltermann, was positief en 'ik zeg dit met een zekere nadruk omdat in ons land o.a. de Volkskrant zozeer de vergoeilijker van het communisme is geworden, dat deze katholieke krant ook rondweg antisemitisch althans anti-Israël is geworden, en op dit punt geheel onjuiste voorlichting geeft'.

De redactie voelde zich door deze aantijging gegriefd - niet zo verwonderlijk, wanneer men zich realiseert dat de Volkskrant tot de bladen behoorde die zich al vroeg ontvankelijk toonden voor een kritische visie op de bezettingsjaren - een visie, waarin de vervolging van de joden en de collaboratie en passiviteit van de meerderheid van de bevolking centraal stonden. Tegelijk realiseerde men zich dat een openlijke beschuldiging van antisemitisme, uit de mond van een commentator die door velen als een autoriteit werd beschouwd, een gevaarlijke uitwerking kon hebben. De redactievergadering achtte het daarom 'onontkoombaar dat de Volkskrant gerechtelijk heel snel moet handelen, heel openbaar moet handelen en genoegen moet nemen met een grove, maar snelle uitspraak' - in de vorm van een kort geding.

Het kort geding dat drie weken na de bewuste uitzending diende, eindigde tot verbijstering van de redactie in een juridische nederlaag. De president van de Amsterdamse arrondissementsrechtbank, U.W.H. Stheeman, meende dat er geen grond was om de eis tot rectificatie in te willigen. In zijn ogen was het lot van de joden in de wereld zozeer afhankelijk van het bestaan van de staat Israël dat de woorden 'antisemitisch, althans anti-Israël' niet als een beschuldiging van antisemitisme zonder meer mochten worden opgevat. Voorts meende de rechtbank dat het toeschrijven van een antisemitische gezindheid zich in zoveel gradaties en schakeringen voordeed dat dit op zich niet als een aantasting van eer en goede naam mocht worden beschouwd. Ten slotte meende Stheeman dat het materiaal waarmee Hiltermann zijn beweringen probeerde te staven, inderdaad getuigde van 'een zodanig gebrek aan objectiviteit' dat een oordeel als dat van Hiltermann billijk mocht worden genoemd.

De krant legde zich niet bij de uitspraak neer en kondigde aan in hoger beroep te zullen gaan. In een uitvoerige beschouwing werden de elf bewijsstukken van Hiltermann en de motivering van de rechtbank onder de loep genomen en van een weerwoord voorzien. Voor het eerst konden de lezers vernemen waarop Hiltermann zijn kwalificatie baseerde.

Het gerechtshof zou de Volkskrant twee maanden later in het gelijk stellen. Door zich te bedienen van een zo beladen terminologie - 'rondweg antisemitisch' - had Hiltermann bij zijn toehoorders onvermijdelijk associaties opgeroepen met de antisemitische agitatie en jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. Kritiek op de berichtgeving van de Volkskrant inzake het Midden-Oosten vormde in de ogen van het hof geen rechtvaardiging van het gebruik van dergelijke termen. Hiltermann was daarmee gedwongen zijn woorden terug te nemen. De toestand in de wereld van 11 januari 1970 begon met het uitspreken van een door het hof opgestelde rectificatie.

Den Haag: meer deelnemen dan waarnemen

Zoals de verbintenis met Romme het imago van de krant in de jaren veertig en vijftig had bepaald, zo bezorgde de Haagse redactie de Volkskrant in de jaren zeventig de reputatie de PvdA - en in het bijzonder de linkervleugel daarvan - te willen propageren en protegeren. Het beeld is op zichzelf niet onjuist, maar dient wel op enkele punten genuanceerd te worden. Ten eerste was de relatie van de krant met de PvdA van geheel andere orde dan die met de KVP onder de verzuilde verhoudingen; ten tweede was niet alleen 'Den Haag', maar ook een groot deel van 'Amsterdam' - de sociaal-economische redactie, bijvoorbeeld, en de onderwijsredactie - PvdA-angehaucht.

Niet alleen in de beeldvorming, ook in personeel opzicht was er sprake van een voortzetting van een traditie. Het vertrek van de geëngageerde Faas, die de krant gevaarlijk dicht in de buurt van de PPR had gebracht, maar tenslotte vanuit Amsterdam gedwongen was de banden wat te laten vieren, leidde nauwelijks tot meer distantie. Terwijl Van Schaveren in zijn commentaren het thema van de centrum-linkse coalitie bleef bespelen en zich in dat verband scherp afzette tegen de anti-KVP-resolutie die het PvdA-congres onder druk van Nieuw Links had aanvaard - tapte de rest van de Haagse redactie uit een ander vaatje. KVP'ers zijn altijd de eersten om met holle schrikogen het idee van polarisatie binnen de maatschappij of binnen de politiek van de hand te wijzen, aldus politiek redacteur Jan Joost Lindner in de aanloop naar de vervroegde verkiezingen in 1972. Hij was een van de jongere redacteuren die hun pen slepen om links en rechts verder uit elkaar te spelen en zo een bijdrage te leveren aan de polarisatie.

'Kabinet van start' kopte de Volkskrant over vier kolommen de ochtend vóór het oprichtingsberaad van het kabinet-Den Uyl, op 1O mei 1973, na een formatie van maar liefst 163 dagen. De daarop volgende maanden liet de krant in haar koppen, nieuwsartikelen, analyses, interviews en afbeeldingen zonder omhaal blijken waar zij stond. Alleen Jan Blokker zorgde voor enige relativering met een ironisch antwoord op Piet Grijs' oproep in Vrij Nederland om de gelederen te sluiten totdat Den Uyl, bij de volgende verkiezingen, voor een linkse meerderheid zou hebben gezorgd. 'Ik heb veel over voor de ideale samenleving en ik wil er zelfs een tijdje mijn bek voor houden. Maar hoe lang precies? (...) Ik wil, met Piet Grijs, best meeroepen: 'Zet 'm op, Joop', maar uit zelfbehoud zeg ik erbij dat ik geen Tilanus heet en me dus niet zakelijk tegenover zijn kabinet zal opstellen. Integendeel: omdat links me liever is dan rechts, zal ik hem sterker wantrouwen dan ik ooit Biesheuvel heb gedaan.'

De redactie van de Volkskrant zou uiteindelijk evenmin gehoor geven aan de oproep van Piet Grijs. Was de toon jegens het kabinet en, in het bijzonder, premier Den Uyl de eerste twee jaar zeer welwillend, vanaf de zomer van 1975 was er ook iets van teleurstelling te bespeuren over de verrichtingen van de coalitie. Het kabinet mocht dan naar samenstelling het meest linkse uit de moderne Nederlandse geschiedenis zijn, de deelname van KVP en ARP verhinderde dat de maatschappelijke vernieuwing werkelijk gestalte kon krijgen, stelde de krant in 1976 met enig verbittering vast. De krant verschoof onmiskenbaar in de richting van de linkervleugel van de PvdA, met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de krant zelf, maar uiteindelijk ook voor de politieke verhoudingen tijdens de kabinetsformatie van 1977.

Het gezicht van de Haagse redactie, die in de eerste helft van de jaren zeventig bestond uit ongeveer tien journalisten, onder wie vijf of zes departementale verslaggevers, werd na het vertrek van Faas vooral bepaald door Kees Bastianen, Jan Joost Lindner en de oude commentator Van Schaveren.

Het lijdt geen twijfel dat Bastianen, Lindner en de departementale verslaggevers - onder wie Hansen (defensie), Bruinsma (onderwijs, cultuur en maatschappelijk werk) en Harry van Seumeren, sociaal-economische sector) - met hun politieke voorkeuren de gevoelens van een grote meerderheid van de redactie vertolkten. Commentator Van Schaveren en de enkele redacteur die openlijk blijk gaf van zijn trouw aan de KVP en later het CDA, vormden een kleine minderheid. Tijdens de chaotische vergaderingen die begin jaren zeventig aan de politieke lijn van de krant werden gewijd - 'Ellenbroek stelt voor om de hele verkiezingscampagne uiterst summier te begeleiden, omdat politici toch niets te zeggen hebben' - bleek het niet mogelijk tot een gemeenschappelijk standpunt te komen, al zou men er nog zo lang over praten. En dat wilde men niet, blijkens de afwijzing van een voorstel van Bank 'om gedurende de komende maand alle andere beraden (...) maar stop te zetten en een maand lang te discussiëren over de politieke lijn'.

Met name Bastianen ontpopte zich als een exponent van de participerende journalistiek par excellence. Zijn vakmanschap werd niet in twijfel getrokken, zijn politieke voorkeur evenmin. 'Een aardige man, maar je wist dat hij een Uyliaan was, en dat hij het met je eens was voorzover jij het met Den Uyl eens was', aldus Ruud Lubbers, destijds minister van Economische Zaken. De kritische geluiden kwamen niet alleen van buiten de krant, ook op de redactievergaderingen gingen rond het midden van de jaren zeventig incidenteel stemmen op tegen de vooringenomenheid die uit sommige bijdragen zou spreken. De analytische beschouwingen van Lindner lokten daarentegen zelden kritiek uit, ook niet toen hij, ongeduldig over het tempo van de hervormingen en de gematigde opstelling van Den Uyl als premier, afstand begon te nemen van het kabinet. Die opstelling vond overigens ook, in een lichtelijk afgezwakte vorm, haar weerslag in de commentaren waarmee Lindner als lid van de Ten Geleide-kerngroep na het vertrek van Van Schaveren was belast.

'Sterk begint de vraag zich op te dringen of dit eerste kabinet met een numeriek links overwicht wel tot enige wezenlijke hervomingen in staat is', schreef Lindner op 5 februari I976 in een Ten Geleide naar aanleiding van het compromis van de coalitiepartijen over een van de speerpunten van de progressieve politiek, de wet op de ondernemingsraden. Die vraag liet Lindner, en met hem Opland en andere redacteuren, tot de verkiezingen van mei 1977 steeds luider klinken, al werden de PvdA en haar leider Den Uyl in de aanloop tot die verkiezingen in woord en beeld met opmerkelijk veel sympathie bejegend.

Over deze redactionele koers, die duidelijk tot doel had het kabinet en, in het bijzonder, de PvdA naar links te trekken, was niet alleen in Den Haag, maar ook in het bredere Ten Geleide-beraad uitvoerig gesproken. 'We zuigen van links af tegen dit kabinet aan; maar niet al te hard', zo vatte Lindner de redactionele politiek een jaar voor de verkiezingen samen. De krant was zich ervan bewust dat zij niet zo ver mocht gaan dat de CDA-lezers daarmee zouden worden 'weggeschreven'.

De eclatante verkiezingsoverwinning van de PvdA in mei 1977 - tien zetels winst - gaf nieuw voedsel aan de verwachting dat het beleid naar links kon worden verlegd. In de formatie die moest leiden naar het tweede kabinet-Den Uyl, hield de krant dan ook vast aan de koers die het jaar daarvoor was uitgezet. De krant zat daarmee op één lijn met de linkervleugel van de PvdA, die haar invloed vooral deed gelden buiten de Kamerfractie, in de partij-organen op gewestelijk en nationaal niveau. Ed van Thijn, die als fractieleider van de PvdA de onderhandelingen over het regeerakkoord voerde, moest met lede ogen aanzien hoe zijn achterban, met steun van de Volkskrant, steeds hardere eisen stelde en een overeenkomst met de confessionelen bemoeilijkte.

'De krant gaf de sfeer in de PvdA niet alleen uitstekend weer, maar bepaalde die sfeer ook', aldus Van Thijn later. 'De krant had grote invloed. Als ik 's morgens een partijraad bezocht en het beleid moest verdedigen, dan had iedereen Jan Joost Lindner op schoot. Kees Bastianen hield bijna permanent enquêtes onder 'partijbaronnen' om te weten hoe de vlag erbij hing. Als er iets aan de hand was, verscheen er altijd wel een artikel waarvoor hij in hoog tempo alle gewestelijke afdelingen had gebeld, om te weten te komen wat zij van de zaak vonden. Heel lastig was zijn primeurjacht. Waar hij zijn primeurs vandaan haalde, ik weet het niet, maar het kwam vaak slecht u. Maar ik kon er ook bewondering voor opbrengen, omdat dit tenslotte het zout in de journalistieke pa

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden