De metamorfose van Bobby Kennedy TELG UIT BEFAAMDE FAMILIE SCHOOF STEEDS VERDER NAAR LINKS

DE geschiedschrijving over de Kennedy's is in ruim dertig jaar uitgegroeid tot een kleine academische industrie. Boeken over de Kennedy's verschijnen aan de lopende band en televisieseries en films over beroemde telgen uit deze familie zijn kassakrakers....

De enorme belangstelling is niet alleen ontstaan door de moorden op John Kennedy (in 1963) en Bobby Kennedy (in 1968) en de eindeloze speculaties over mogelijke samenzweringen die daarachter zouden steken. De Kennedy's beschikten over een onmiskenbaar charisma.

Het jeugdige elan en het idealisme van John inspireerden talloze Amerikanen. Filmsterren, journalisten en intellectuelen raakten in de ban van een president die volgens veel historici op wetgevend gebied slechts weinig tot stand heeft gebracht. Maar de mystiek leeft voort. De Kennedy's zijn ooit het Amerikaanse surrogaat voor een koninklijke dynastie genoemd. Veel leden van de familie hebben hoge posities bekleed en de roddelpers zit hen op de hielen met een verbetenheid die in andere landen alleen voor koninklijke families is weggelegd.

Nog aantrekkelijker dan een dynastie is natuurlijk een gevallen dynastie. De tragiek achtervolgt de Kennedy's. Het gaat daarbij niet alleen om de dood van John en Bobby. In 1980 trok hun jongere broer senator Ted Kennedy zich wegens een schandaal terug uit de race om het presidentschap en hun nazaten schijnen zowat allemaal aan de drugs of de drank te zijn. De Kennedy's kregen alles wat Joseph Kennedy, de stichter van de dynastie, voor zijn kinderen en kleinkinderen wilde bereiken. Maar alle rijkdom, aanzien en macht hebben hun niet veel goeds gebracht. Een romanschrijver had het niet mooier kunnen verzinnen.

De biografie van David Heymann over Bobby Kennedy met de titel RFK (Robert Francis Kennedy), leest als een roman en is in een vlekkeloze stijl geschreven. De ondertitel, A Candid Biography, doet echter niet veel goeds vermoeden. Het boek stijgt soms niet uit boven het niveau van een pulproman. Het is dan ook, zoals op de achterflap vermeld staat, uitverkoren om een major motion picture te worden. Daar is op zichzelf niets op tegen, wel als dat leidt tot ellenlange, niet ter zake doende uitweidingen over het liefdesleven van Bobby.

Heymann heeft bovendien niet erg diep gegraven in de intellectuele discussies over de Kennedy's. Hij heeft niets te melden over het historische debat over het presidentschap van John Kennedy, toen Bobby diens rechterhand was als minister van Justitie. Hij geeft evenmin een verklaring voor de aantrekkingskracht die de Kennedy's bezaten.

Dat is jammer, want er is veel werk verzet om dit boek tot stand te brengen. Heymann heeft een hele batterij onderzoeksassistenten ingeschakeld, die ruim duizend interviews hebben afgenomen, en de literatuurlijst is indrukwekkend. Archiefmateriaal is daarentegen vrijwel niet gebruikt. Voor de politieke campagnes van Bobby leunt Heymann zwaar op het in 1978 gepubliceerde Robert Kennedy and His Times van Arthur M. Schlesinger jr., zonder overigens diens bewonderende toon over te nemen.

De passages over de politieke campagnes zijn nog de meest interessante onderdelen van de biografie. Bobby, geboren in 1925, was campagneleider van John bij de Democratische voorverkiezingen in 1960. Hij was een rasorganisator. Het organisatorische hart van zijn campagne was een systeem van drieduizend kaarten, één voor elke afgevaardigde bij de Democratische conventie. Op elke kaart stonden naast persoonlijke gegevens de politieke invloed van de desbetreffende persoon vermeld en welke kandidaat zijn voorkeur had.

Op de vloer van de conventiehal liep een legertje assistenten van Bobby rond, dat - soms met Bobby zelf aan het hoofd als het om invloedrijke Democraten ging - de weifelaars omringde, op hen inpraatte en hen probeerde over te halen op Kennedy te stemmen. Geen enkele andere Democratische presidentskandidaat beschikte over een organisatie die wat aandacht voor details en planning betreft met die van Bobby kon worden vergeleken. Ook de nipte zege die John vervolgens op de Republikein Richard M. Nixon behaalde, was voor een groot deel aan Bobby's talenten te danken. Bobby voelde intuïtief dat de stemmen van minderheden de doorslag zouden geven in de nek-aan-nek race tussen de kandidaten. Daarom stuurde hij medewerkers naar zwarte getto's en wijken van Spaans-Amerikanen om de vaak politiek passieve lokale bevolking op te roepen zich als kiezer te laten registreren.

Andere politici verklaarden hem voor gek. Ook John zag aanvankelijk het belang van de minderheden niet in. De strijd om de burgerrechten stond in 1960 nog in de kinderschoenen. Martin Luther King was bij de meeste blanken nog onbekend. John wilde bovendien de blanken in de electoraal belangrijke zuidelijke staten niet van zich vervreemden.

Toen King in het racistische zuiden voor een triviale overtreding tot een lange gevangenisstraf werd veroordeeld, besloot John pas na lang aandringen van zijn campagnestaf de vrouw van King op te bellen en haar zijn sympathie te betuigen. Het telefoongesprek, dat breeduit in de media werd weergegeven, maakte een enorme indruk op de zwarte gemeenschap. Een politieke aardverschuiving was het gevolg. In 1956 had 60 procent van de zwarten nog voor de Republikeinen gekozen. Vier jaar later kreeg de Democraat Kennedy 70 procent van de zwarte stemmen, wat hem de noodzakelijke marge opleverde voor de overwinning op Nixon.

Tijdens de ambtsperiode van John bleef Bobby in diens schaduw. Als minister van Justitie was hij wel zijn voornaamste adviseur en tijdens de Cuba-crisis in oktober 1962 was hij zijn grote steun en toeverlaat. Er bestond een soort telepathie tussen de twee broers. Alles deelden ze met elkaar, zelfs vrouwen. Nadat John een affaire met Marilyn Monroe had afgebroken, gaf hij haar als het ware door aan zijn broer.

Heymann besteedt vele tientallen pagina's aan de seksuele uitspattingen van Bobby en John en de reacties van hun echtgenoten en kinderen, zonder dat hij zich ooit afvraagt of al die aandacht wel gerechtvaardigd is. Hij verklaart evenmin hoe het mogelijk is dat al die beroemde filmsterren als Marilyn Monroe, Kim Novak en Jayne Mansfield als een soort groupies rond de twee broers bleven cirkelen.

Na de moord op John in 1963 begonnen Bobby en Johns echtgenote Jackie een verhouding, die door Heymann tot in de meest banale details uit de doeken wordt gedaan. Heymann citeert zelfs een buurvrouw van de Kennedy's in Palm Beach, die in geuren en kleuren een vrijage tussen Bobby en Jackie aan het zwembad beschrijft. In 1965 werd de romance in ieder geval afgebroken. Bobby was inmiddels tot senator voor de staat New York gekozen en hij trad uit de schaduw van zijn broer. Als oudste zoon was hij hoofd van de Kennedy-clan.

B OBBY SCHOOF steeds verder op naar links in zijn politieke opvattingen. De dood van zijn broer, suggereert Heymann, maakte hem gevoeliger voor grote sociale problemen. Tijdens een reis naar Zuid-Afrika bezocht hij, tegen de wil van het apartheidsregime, leden van de door de Zuid-Afrikaanse regering vervolgde oppositie. Hij gaf openlijk kritiek op de rassenscheiding. In de Verenigde Staten verklaarde hij zich solidair met Cesar Chavez, de toen vermaarde leider van Spaans-Amerikaanse druivenplukkers in Californië, die zich in een vakbond wilden organiseren en daarbij door grote landeigenaren werden geterroriseerd.

Deze radicalisering was een hele metamorfose in Bobby's politieke carrière. Aan het begin van de jaren vijftig, na de voltooiing van zijn rechtenstudie, was hij juridisch assistent geweest van Joe McCarthy, die toen een heksenjacht had ontketend op alles wat maar naar links zweemde. De vraag kan dan ook gesteld worden of de nieuwe politieke opstelling oprecht was of voortkwam uit opportunisme.

Heymann constateert terecht dat het van allebei wat was, maar dat de balans doorsloeg naar oprechtheid. Bobby kon in besloten kring, zij het bij hoge uitzondering, weleens racistische opmerkingen maken, maar hij steunde Chavez op een moment dat diens zaak bepaald niet populair was bij de Amerikaanse bevolking. Hij had tevens ontmoetingen met de evenmin populaire leiders van de linkse studentenbeweging in de Verenigde Staten.

Bobby deed bovendien vaak radicale, in het conservatieve Amerika politiek niet erg handige uitspraken. Zo verklaarde hij in 1967: 'If I hadn't been born rich, I'd probably be a revolutionary.' Dat waren ongewone woorden uit de mond van een lid van de Amerikaanse senaat. Zijn adviseurs vreesden dan ook dat hij door dergelijke uitlatingen bij veel Amerikanen te radicaal zou overkomen.

Die radicalisering betekende niet dat Bobby alle voorzichtigheid overboord zette. Dat gold vooral voor de Amerikaanse interventie in de oorlog in Vietnam. Hoewel Bobby al in 1965 twijfelde aan de wijsheid van president Johnson om honderdduizenden soldaten naar Zuid-Vietnam te sturen, kwam hij toen niet in het openbaar voor zijn mening uit.

Hij twijfelde omdat hij dan een beleid zou aanvallen waarvoor hij zelf tijdens het presidentschap van John mede de grondslag had gelegd. Hij wilde evenmin zijn partijgenoot Johnson afvallen, om er niet van beschuldigd te worden verdeeldheid te zaaien in de Democratische gelederen.

Na een heftige ruzie met Johnson, die in tegenstelling tot Bobby de bombardementen op Noord-Vietnam wilde verhevigen, voelde Bobby zich niet langer verplicht hem te steunen. In een toespraak voor de senaat in 1967 verklaarde hij dat de Verenigde Staten zo snel mogelijk onderhandelingen moesten beginnen met Noord-Vietnam. Daar was wel enige moed voor nodig op een ogenblik dat ruim 70 procent van de Amerikaanse bevolking Johnson's beleid nog steunde.

In maart 1968 stelde Bobby zich kandidaat voor het presidentschap, vlak voordat Johnson zich vanwege de desastreus verlopende oorlog in Vietnam uit de race terugtrok. De voornaamste rivaal voor Bobby was de toenmalige vice-president Hubert Humphrey, die de steun van een groot deel van het Democratische partijkader genoot. Bobby's kansen waren dan ook niet al te groot. Zijn enige hoop was een van de grootste partijbonzen van de Democratische partij, burgemeester Richard Daley van Chicago, die hem zijn steun toezegde als hij de voorverkiezingen in Californië zou winnen.

Bobby behaalde inderdaad de zege, maar hij zou de vruchten ervan nooit plukken. Op 5 juni 1968, kort na zijn overwinning in Californië, werd hij neergeschoten door Sirhan Sirhan, een in de Verenigde Staten wonende Arabier, die wraak wilde nemen voor Bobby's steun aan de staat Israël. Net als bij de moord op John gingen er ook nu geruchten dat er sprake was van een samenzwering, maar Heymann stelt na uitvoerig onderzoek vast dat daarvoor nooit een spoor van bewijs is gevonden.

Sirhan Sirhan werd tot levenslang veroordeeld en slijt zijn dagen in de Soledad-gevangenis in Californië. Humphrey werd in 1968 de presidentskandidaat van de Democraten, maar verloor in november van Richard Nixon, die daarmee een verrassende comeback maakte in de Amerikaanse politiek.

Over Bobby resten alleen de speculaties. Sommigen twijfelen nog altijd sterk aan zijn kansen in 1968 om de Democratische kandidatuur te verwerven. Voor veel van zijn bewonderaars blijft hij evenwel een eeuwige belofte, die als president de oorlog in Vietnam spoedig zou hebben beëindigd en de Verenigde Staten het Watergate-schandaal zou hebben bespaard.

Jos van der Linden

C. David Heymann: RFK - A Candid Biography.

William Heinemann, import Nilsson & Lamm; 596 pagina's; * 56,40.

ISBN 0 434 32937 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden