'De menselijke maat, die is bijzonder in dit land'

Hij werd nationale knuffelbèta omdat hij zo enthousiasmerend over wetenschap kan vertellen. Als jong natuurkundige werkte hij in Amerika, maar hij kwam terug om hier, met zijn gezin, wortel te schieten....

Tekst Foto Peter Giesen en  Joost van den Broek

Denkend aan Holland‘Zie ik vooral een veilige thuisbasis. Om een vergelijking te maken: we hebben een huis met een heleboel kamertjes. Toen onze kinderen klein waren, was ik ze wel eens kwijt. Dan waren ze naar het kleinste kamertje gegaan, waar een grote kleerkast stond met een televisie erin. Met z’n drieën zaten ze dan in de kast tv te kijken. Met de deur dicht. Dat is ook een beetje mijn beeld van Nederland. Een heel prettig en handzaam land’, zegt Robbert Dijkgraaf (50), president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en hoogleraar natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Dijkgraaf werkt in een oer-Hollandse omgeving. De KNAW zetelt in het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam, gemodelleerd naar het Paleis op de Dam. Het grachtenpand werd in de 17de eeuw gebouwd door de gebroeders Trip, die fortuin hadden gemaakt in de wapenhandel. Daar maakten ze geen geheim van. De schoorstenen hebben de vorm van een kanonsloop, op een van de plafonds zijn engeltjes geschilderd met een geweer in hun hand.

Dijkgraaf werd ooit de nationale knuffelbèta genoemd, door de manier waarop hij een groot publiek voor de wetenschap weet te enthousiasmeren. Als jong natuurkundige trok Dijkgraaf naar de Verenigde Staten, zoals zo veel talentvolle wetenschappers. Hij werkte aan het Institute for Advanced Study in Princeton, een absolute topinstelling waar Albert Einstein ooit werkte. Toch keerde hij terug naar Nederland, omdat zijn wortels daar liggen, en omdat hij zijn kinderen niet wilde onderwerpen aan de Amerikaanse rat race.

‘Je moet ergens wortelschieten. Als je diepere wortels hebt, kun je uiteindelijk ook verder reiken in het leven. Ik zie dat ook bij mijn kinderen. Ons gezin is vrij klein en hecht, maar die veiligheid geeft ook vrijheid. Je durft dingen te ondernemen omdat je het gevoel hebt: ik heb ergens een ankertje liggen. Dat is een metafoor voor mijn gevoel bij Nederland’, zegt hij.

Dijkgraaf vindt wel dat onderwijs en wetenschap in Angelsaksische richting moeten opschuiven. Nederland is ‘wereldkampioen gemiddeld zijn’, zei hij ooit, toponderzoekers en topstudenten zouden meer aandacht moeten krijgen. Toch waarschuwt hij ook voor doorslaan. Nederland is een land van de menselijke maat. Dat moet vooral zo blijven.

‘We hebben moeite om Nederland te plaatsen’, zegt hij. ‘Het is geen groot land en geen klein land.’

Geen klein land?

‘In de wetenschap niet, zeker niet in sommige disciplines. In mijn vakgebied, de natuurkunde is Nederland altijd een grote speler geweest. Dat gaat terug tot de dagen van Christiaan Huygens. In de sterrenkunde zijn we de derde van de wereld. Bovendien zijn we vooruitstrevend. Na Zweden zijn we het land waar het bedrijfsleven het meest de technologie omarmt. Op het gebied van internet en pc-gebruik zijn we eerste of tweede in de wereld.’

Toch bestaat het beeld dat we handelaren zijn, niet bijster geïnteresseerd in technologie.

‘Er is een Europees onderzoek waarin de bevolking gevraagd werd of zij technologie belangrijk vindt voor de economie. Daarin stond Nederland vierde van onderen. Nederland is ook het enige Europese land dat de afgelopen tien jaar een groei van 0,0 procent heeft gekend in uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Die ,0 vind ik interessant, dat is volgens mij geen toeval. Er is bewust op gestuurd. Het is wel mooi zo. Terwijl veel andere landen denken: het is niet genoeg.

‘Maar Nederland is wel degelijk een technologisch land. Philips heeft ongeveer driekwart van alle patenten in Europa in beheer. We hebben echt een aantal industriële powerhouses. Dat zijn wel internationale bedrijven, die zich misschien nog Nederlands voelen, maar heel erg zijn verspreid over de wereld. Daardoor zie je hun impact in Nederland niet zo.’

Wat bevalt u niet aan Nederland?

‘Een zeker provincialisme zit wel in ons bloed. Dat zie je vooral in politiek en onderwijs, sectoren die meer nationaal gericht zijn dan de wetenschap en het bedrijfsleven. Voor een politicus is het al een hele stap om Europees te denken, terwijl iemand uit het bedrijfsleven weet: Europa is de opstap naar het wereldtoneel.’

Dat kosmopolitisme wordt al snel elitair gevonden. De gewone man heeft er geen boodschap aan.

‘Maar hij heeft er wel een boodschap aan hoe Nederland zijn geld verdient. We moeten beseffen dat de wereld steeds kleiner wordt. Toen de KNAW begon, tweehonderd jaar geleden, deden hoogleraren uit Groningen er 55 uur over om in Amsterdam te komen. Ze moesten nog met de boot over de Zuiderzee.’

‘Ik bestrijd ook dat beeld van een elite die over de wereld reist en elkaar alleen in de businesslounge van Schiphol tegenkomt. Dat is een verkeerd beeld. In de wetenschap zie je begaafde jongens en meisjes uit een land als India naar Nederland komen. Ze horen niet tot de jetset, ze reizen met de goedkoopste tickets en slapen in een klein kamertje. Maar ze willen wel graag onderdeel uitmaken van onze cultuur. Amerikanen zijn daarin veel opener. Ze denken: waar zit het talent? En ze steunen een jonge student uit een achterafland, omdat ze denken: misschien word jij wel een briljante laserfysicus en dan houden we je lekker zelf. 40 procent van de leden van de Amerikaanse academie van wetenschappen is niet in dat land geboren.’

Waarom bent u destijds naar Princeton gegaan?

‘Toen ik ging studeren, dacht ik in het begin niet verder dan Nederland. Het was een verrassing om te ontdekken dat je als wetenschapper als vanzelfsprekend tot een wereldgemeenschap behoort. Dat is ook het charmante van natuurkunde of wiskunde: het is een internationale taal. Als een wiskundige formule goed is in Nederland, is hij ook goed in Japan.

‘Mijn vakgebied is de snaartheorie. In Princeton zat een gigantische concentratie van goede mensen. Daar werd ik als een magneet naartoe getrokken. Ik reisde er ver voor, maar het voelde alsof ik thuiskwam. Het was fantastisch. Ik had absolute vrijheid, maar dat betekende juist maximale belasting. Nergens heb ik zo gevoeld dat ik iets met mijn leven moest doen als op deze plek. Want alle druk ligt bij jezelf. Elke ochtend zeggen je collega’s: en, wat is je nieuwste idee?

Wat is het verschil tussen werken in Amerika en in Nederland?

‘Het grote verschil is de onmiddellijkheid van het leven in Amerika. Mensen staan er echt in het hier en nu. Dat vond ik een enorme bevrijding.

‘In Nederland werken we wel hard, maar we stellen vaak geen prioriteiten. In de wetenschap moet je definiëren wat jouw kern is. Waarin investeer je als je over 10 jaar ergens wilt uitkomen? Dat vereist soms dat je een muur om je heen bouwt. Amerikanen doen dat gemakkelijker, Nederlanders veel minder.

‘De aandacht is vaak versnipperd. Misschien komt dat door onze poldernatuur. We willen iedereen een beetje tevredenstellen, ook de stemmen in onszelf. Dan verwateren de prioriteiten en krijg je weer een hele waslijst aan doelstellingen. Bovendien zijn we dan ook weer zo calvinistisch dat we ze alle twintig goed willen doen.

Waarom bent u teruggekomen?

‘Toen ik in Amerika zat, dacht ik: ik ga hier nooit meer weg. Maar toen kreeg ik tot mijn verrassing een telefoontje of ik hoogleraar in Amsterdam wilde worden. Ik dacht meteen: nu moet ik iets van Nederland zien. Het enige dat ik kon vinden in Princeton, was een historisch boek over het Paleis op de Dam. Ik zie mij nog die oude prenten bekijken.

‘Ik vond het een moeilijke beslissing. Uiteindelijk was het een emotionele keuze. Ik heb natuurlijk mijn wortels in Nederland, dat speelde een belangrijke rol. En je kijkt ook naar de volgende generatie. Hoe groeien onze kinderen op, wat wil je ze bieden, waar krijgen zíj hun wortels?’

De kinderen van Amerikaanse hoogleraren hebben het toch niet slecht?

‘Nee, maar ik vind dat het Angelsaksische denken een aantal uitwassen kent. Ik zie dat ook bij de kinderen van mijn Amerikaanse vrienden. Vanaf hun 12de zijn ze bezig met het opbouwen van een cv, omdat ze graag naar een goede universiteit willen. Dat is toch afschuwelijk? Uiteindelijk hebben die kinderen allemaal leadership en responsibility getoond. Als je de aanmeldingen voor de Amerikaanse topuniversiteiten doorleest, denk je: die kunnen allemaal meteen secretaris-generaal van de Verenigde Naties worden. Maar als je ze dan als eerstejaars tegenkomt, denk je: is dat het nou? Ik zie geen wezenlijk verschil met de jongeren die in Nederland in de collegebanken zitten.

‘Dat selectiecircus is echt doorgeslagen. Er gaat veel tijd in zitten. Al die ouders zijn elke zomer bezig om cursussen te regelen voor hun arme schaapjes, zodat ze die ervaring weer op hun cv kunnen zetten. Dat vind ik niet meer van een menselijke maat.

‘Het is natuurlijk een mooi gevoel als je na een strenge selectie wordt aangenomen. Ik ben ooit overgestapt van natuurkunde naar de Rietveld Academie, omdat ik graag wilde schilderen. Slechts een op de twintig kandidaten werd aangenomen. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld als op die dag.

Toch wordt in Nederland vaak gepleit voor selectie aan de poort van de universiteit.

‘Ik vind het goed dat Nederlandse universiteiten zich in Angelsaksische richting bewegen. Maar we moeten niet doorschieten. Als er in Nederland over het Amerikaanse systeem wordt gesproken, wordt altijd die selectie benadrukt. Wat ik veel mooier vind aan de Amerikaanse universiteiten is dat er veel meer wordt gekeken wat een student aan persoonlijke begeleiding nodig heeft. Onderwijs op maat. Iemand die hoogleraar astrofysica wil worden, heeft heel andere wensen dan iemand die topman van een groot bedrijf wil worden.

‘Ik vind het wel jammer als er langs de neus weg wordt gezegd: er gaan tegenwoordig wel heel veel mensen naar de universiteit. Sorry, ik dacht dat we daar een heel goed toelatingscriterium voor hadden: het vwo-diploma. Daar valt best iets op af te dingen, maar tegen al die mensen die klagen dat zo’n diploma niets meer voorstelt, zou ik willen zeggen: doe maar eens eindexamen scheikunde of Frans. Succes!

‘Het is juist goed dat het opleidingsniveau van de samenleving over de hele linie omhoog gaat. Maar wat we wel vergeten zijn is het toptalent daarbinnen. De vraag om meer aandacht voor talent bij alle opleidingen vind ik legitiem. Je moet mensen ook de kans geven en stimuleren op het hoogste niveau te excelleren.’

Past dat wel in de Nederlandse cultuur? We vinden het al snel zielig voor de mensen die niet als toptalent worden uitgekozen.

‘We zijn niet zo goed in keuzes maken. Maar sommige studenten hebben echt meer talent dan andere. De kunst is dat talent te ontdekken en aan te moedigen. Als je te vroeg en te strak selecteert, mis je te veel.

‘Wat je volgens mij beter kunt doen: op de bestaande universiteiten extra ruimte geven aan studenten die meer willen, door extra honours-programma’s aan te bieden, door university colleges te maken waar meer wordt gevraagd en geleverd. Dat betekent wel dat je keuzes maakt over de verdeling van geld en aandacht. Van een aantal mensen zeg je: die verdienen het om extra faciliteiten te krijgen. Dat is ook in het belang van Nederland. Traditioneel wordt van het Nederlandse onderwijs gezegd dat het een hoogvlakte is. De basis van ons systeem is in ieder geval goed. Maar het is de hoogste tijd om daar een paar pieken op te bouwen.

‘We moeten de menselijke maat niet uit het oog verliezen. Dat is iets bijzonders van dit land. Dat moeten we vasthouden. Nederland is in dat opzicht een proeftuin voor de wereld. Laat Amerika maar de absolute nummer één in de wetenschap zijn. Maar als wij topniveau kunnen combineren met de menselijke maat, kunnen we ook mondiaal heel aantrekkelijk zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden