De mens moet dansen

Friedrich Nietzsche stelde het lichtvoetige, 'het dansen', tegenover de zwaarte van de christelijke moraal. Zelf was hij niet zo bewegelijk, maar in zijn geschriften duiken tal van dansmetaforen op....

ZEKER één keer in zijn leven heeft hij gedanst. Tenminste, als we Ernesto Fino mogen geloven, de zoon van een Turijnse kioskhouder bij wie Friedrich Nietzsche in 1888 inwoonde. Aan een Italiaanse journalist vertelt Fino in 1932 hoezeer zijn moeder onder de indruk was toen ze op een dag 'der Professor' hoorde zingen. Ze had, verontrust door andere geluiden, door het sleutelgat gekeken en hem naakt zien dansen. De door hoofdpijnen en oogkwalen gekwelde geleerde bereikte die dag ondanks alles een staat van vrolijke extase.

Een jaar later wordt Nietzsche waanzinnig, een toestand waarin hij elf jaar lang zal verzinken en uiteindelijk op 25 augustus 1900 zal sterven. De brieven uit die laatste periode, de zogenaamde waanzinsbrieven, ondertekent hij regelmatig met Dionysos. De god van de extase, wiens volgelingen, Bacchanten en Maenaden, opgetogen liederen zongen (dithyramben) en als bezetenen dansten. Aan het eind van zijn leven identificeert Nietzsche zich steeds meer met de Griekse godheid; zijn gedichten verzamelt hij onder de naam Dionysos-Dithyramben.

Zijn verheerlijking van Dionysos mag in die laatste episode een uiting van gekte zijn geweest, in zijn heldere jaren vormde die de bron voor zijn revolutionaire visie op kunst en cultuur. Zijn ideeën over de roes en de rede, over Dionysos en diens tegenpool Apollo, expliciet verwoord in De geboorte van de tragedie (1872), zijn voorboden van de opkomst van de moderne kunst aan het begin van de twintigste eeuw.

In De geboorte van de tragedie beargumenteert Nietzsche - geïnspireerd door zijn studie van het oude Griekenland, zijn vriendschap met Richard Wagner en hun gezamenlijke fascinatie voor de filosoof Arthur Schopenhauer - hoe kunst steeds wordt geboren uit twee elementen: het apollinische en het dionysische. Het eerste staat voor de vorm, de maat, het licht en de wetenschap - dat wat concreet, meetbaar is. Het tweede voor alle dingen daaraan tegengesteld. Het laatste moet getemd door het eerste, maar niet zonder een voortdurend tarten van de door Apollo gestelde grenzen. Nietzsche meent in de composities van Wagner de muzikale vervulling te horen van dit dynamische verbond.

Zijn waardering voor de scheppende oerkracht wordt rond 1900, kort na zijn dood, door kunstenaars aangegrepen om af te rekenen met het burgerlijk conservatisme van de negentiende eeuw. Het is de kunstwereld, niet de wijsgerige academie, waarin Nietzsches ideeën als eerste ingang vinden. Componisten als Gustav Mahler, Alphons Diepenbrock en Claude Debussy zetten zijn teksten op muziek of componeren symfonieën, geïnspireerd door zijn geschriften. Maar ook Jugendstil-architect en ontwerper Henry van de Velde en schrijver Alain Fournier ontpoppen zich als bewonderaars van Nietzsche. Veel kunstenaars omarmen zijn cultuurkritiek en zijn herwaardering van het lichaam: ze durven het knellende corset van de christelijke devotie en de Victoriaanse preutsheid los te laten.

Voor dansers geldt dat letterlijk. Waar de danskunst eeuwenlang is bepaald door eerst de pracht en praal van het hofballet en daarna de decoratie en strengheid van het academische ballet, ontstaat in 1895 in Amerika en Europa de vrije dans. De bovennatuurlijke wezens uit de sprookjesballetten maken plaats voor mensen van vlees en bloed. Pioniers als Loïe Fuller, Isadora Duncan, Ruth St. Denis en Doris Humphrey zetten de vormgerichte regels van het klassieke ballet opzij voor de vrijheid van organische, plastische lichaamshoudingen.

Ze laten zich niet meer insnoeren, maar hullen zich in doeken en wijde gewaden naar het voorbeeld van Griekse tunieken. De spitzen gaan uit, armen worden ontbloot, en voeten zijn om mee te stampen. Het ideaal schuilt niet langer in een eindeloze zweefsprong, maar in de aanbidding van de levenskracht van de aarde. Dionysos doet zijn intrede in de danskunst en Nietzsche wordt een van de grote inspirators van de moderne dans

Aan de geest kende hij een enorme bewegelijkheid toe; als een van de eerste filosofen maakte hij in zijn geschriften gebruik van dansmetaforen. Het 'dansen' stelde hij tegenover de zwaarte van de christelijke moraal: de mens moest leren dansen. Als hij de dansopera Carmen van Bizet voor de twintigste keer heeft gezien, schrijft hij: 'Het goede is lichtvoetig, al het goddelijke loopt op tere voetjes.'

De uitstraling van Isadora Duncan (1877-1927) is vaak beschreven als Dionysisch. Zij sleept haar bewonderaars mee door haar extatische manier van bewegen. Ze toont voor het eerst naakte ledematen. Natuurlijke, vanzelfsprekende lichaamshoudingen - lopen, huppelen, liggen, opstaan - doen hun intrede in de dans. Duncan laat zich daarbij inspireren door afbeeldingen van dansers op vazen uit de Griekse oudheid.

In 1911 danst ze het beruchte bacchanaal uit Tannhäuser, Wagners opera, waarover Nietzsche in 1868 de loftrompet steekt in een brief aan zijn vriend Erwin Rohde. Of hijzelf deze toentertijd gewaagde Venusbergdans heeft gezíen, is de vraag. Uit het onlangs verschenen boek Friedrich Nietzsche, Chronik in Bildern und Texten blijkt dat Nietzsche vooral concerten en opera's bezocht, en een enkele keer naar het circus of het theater (Shakespeare) ging.

Muziek zag hij als de hoogste kunstvorm, maar hij was ervan overtuigd dat het ritme direct tot de spieren spreekt. Denn in einem gewissen Grade redet noch aller Rhytmus zu unsern Muskeln, schrijft hij in zijn Götzendämmerung (1888). .

Isadora Duncan wordt met name in Europa aanbeden, haar landgenoten Ruth St. Denis en eega Ted Shawn vieren triomfen in de Verenigde Staten met exotisch danstheater. Uit hun school Denisshawn komen toonaangevende leerlingen voort, onder wie Doris Humphrey (1895-1958). Zij formuleert in de jaren twintig en dertig een danstheorie die is gebaseerd op Nietzsches De geboorte van de tragedie. Humphrey vertaalt het idee van het Appolinische versus het Dionysische, ratio tegenover controleverlies, naar de techniek van fall en recovery, vallen en herstellen. Haar danstheorie wordt een van de belangrijkste van Amerika.

De moderne dans laat zich ook in ruime mate beïnvloeden door de psycho-analyse die in dezelfde tijd opkomt. Bewegingen illustreren overduidelijk dieper liggende emoties en gedrag. Ook Nietzsche gebruikt in zijn geschriften dansmetaforen om de toestand van de mens te duiden. Zo dicht hij in De vrolijke wetenschap (1884) het danslied An dem Mistral, waarvan de zesde strofe luidt:

Tanze nun auf tausend Rücken,

Wellen/Rücken, Wellen/Tücken

- Heil, wer neue Tänze schafft!

Tanzen wir in tausend Weisen,

Frei - sei unsre Kunst geheissen,

Fröhlich - unsre Wissenschaft!

Uit: Die Fröhliche Wissenschaft, 1884.

Dansen nu op duizend ruggen,

Golven/ruggen, golven/nukken

- Heil, wie nieuwe dansen ons verschaft!

Dansen wij op duizend wijzen,

Onze kunst - zij hete vrij, en

Vrolijk - onze wetenschap!

Vertaling: P. Hawinkels, 1976, Arbeiderspers.

In tegenstelling tot de christelijke moraal die de zwakke, lijdende mens centraal stelt tegenover een almachtige God, kiest Nietzsche voor het aardse en sterke, voor de kracht van de natuur. Vaslav Nijínsky (1889-1950), 'de god van de dans', die later zelf waanzinnig wordt, lijkt zich daarin volledig te herkennen. Uit zijn dagboeken blijkt een levenslange fascinatie voor Nietzsche: 'Ik houd van Nietzsche. (. . .) De natuur is het leven, en het leven is de natuur', schrijft hij in zijn eerste schrift.

Nijínsky incorporeert niet alleen Nietzsches ideeën over de kracht van de natuur - hij danst zelf de rol van wellustige faun in zijn sensuele choreografie l'Après midi d'un faune - maar ook Nietzsches acceptatie van de pijn en het lijden, die een mens moet ondergaan. Dit blijkt bijvoorbeeld uit Nijínsky's aangrijpende vertolking van de titelrol in Petroesjka. Maar ook zijn dagboeken wijzen in die richting. Daarin omschrijft hij zijn eigen vermoeide toestand met een beeldspraak over een mishandeld paard, ontleend aan Nietzsche.

Nietzsches herwaardering van de aardse, erotische levenskracht vindt echter zijn sterkste equivalent in de dans bij Nijínsky's choreografie op Le sacre du printemps (1913) van Strawinsky. Daarin viert een primitieve, heidense stam een orgastisch ritueel als ode aan de vruchtbaarheid van de aarde. De driftige muziek- en dansthema's zijn rauw en barbaars, ze symboliseren de oerhartstochten van de mens. Er is wel eens beweerd dat deze Sacre, die in 1913 een schandaal veroorzaakte en tot op de dag van vandaag kunstenaars inspireert, nooit zou zijn gemaakt als Friedrich Nietzsche niet had bestaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden