De mens is vluchtig in elkaar geflanst

Wanneer je de bundels van Robert Anker achter elkaar doorleest, vertoont dit dichterschap een komeetachtige opbloei, gevolgd door een onmiskenbare uitdoving....

In de aanbiedingsbrief van de uitgever bij Nieuwe veters, de verzamelde gedichten van Robert Anker, staat, na enkele lovende woorden over de dichter en de informatie over omvang, prijs, boeknummer en verschijningsdatum, deze welhaast metafysische zin: ‘N.B. Er is niets mis gegaan bij de drukker, het garen in de rug is bewust zichtbaar.’

Het is goed mogelijk dat Anker er zelf voor gekozen heeft het boek op een gelikt nonchalante wijze te laten inbinden en vervolgens die ogenschijnlijk slordige zin heeft geconcipieerd.

Het garen in de rug is bewust zichtbaar: de mens is vluchtig in elkaar geflanst, maar dat was van meet af aan de bedoeling, al kost het enige inspanning het te leren begrijpen. Daarom moet ook poëzie een beetje losjes samenhangen, maar dan wel zo dat de aandachtige lezer begrijpt dat de dichter een kunstgreep toepast. Ziedaar het dichterschap van Robert Anker.

Anker (1946) debuteerde in 1979 als dichter met Waar ik nog ben, publiceerde tot nu toe zeven bundels en ontwikkelde zich bovendien als essayist en succesvol romanschrijver, dat alles naast een gedreven, maar energie vretend leraarschap. Geboren in het Westfriese dorpje Oostwoud vestigde hij zich in Amsterdam, waar hij steeds de vinger aan de pols van de maatschappelijke ontwikkelingen heeft gehouden.

Anker is een sensitief cultuurfilosoof die zich bewust is gebleven van zijn ontworteling: hét probleem van de moderne mens, en daarmee van de literatuur.

Nieuwe veters maakt het mogelijk Ankers poëzie tot nu toe te overzien. Wanneer je de bundels achter elkaar doorleest, vertoont dit dichterschap een komeetachtige opbloei, gevolgd door een onmiskenbare uitdoving.

Begonnen als verstild poëet met een dictie en een beeldtaal die aan Chr. J. van Geel doen denken, groeide Anker uit tot kritisch en betrokken beschouwer van de condition postmoderne, met als hoogtepunten het epische gedicht Goede manieren (1987) en een serie balladen in In het vertrek (1996), om in Heimwee naar (2006) nog wat na te pruttelen met hoogst geconstrueerde herinneringen.

Die laatste bundel wekt, ondanks de consequentie waarmee de thematiek is doorgevoerd, de indruk uit losse kruimels te bestaan. Het echte werk vindt voortaan plaats in de romans.

Voor wie de rijpe Anker kent is het bijna onvoorstelbaar dat hij begon met deze strofe:

De boom verwondert zich

om wat in groei is opgegaan,

door wortels aangedragen,

de zaden weggevoerd op wind.

De rest is hout.

Fraai en klassiek zijn de vorm en de toon, met een symboliek die ongetwijfeld van alle tijden is, maar zulke gedichten werden in de jaren zeventig per dozijn aangeleverd.

Al even schokkend, maar nu om zijn gemakzucht, is ‘Heimwee naar Reve’ uit de laatste bundel, dat uit bij elkaar geraapte citaten is opgebouwd:

‘Nadat hij 9 dagen lang aan een stuk door gedronken/ (maar je kon niks aan hem zien) hebbende geoudehoer/ met de zegen des gezochten Gods’. Zo’n gedicht kan iedereen in een half uur maken.

Nee, de echte Anker is een subtiele zoeker die zijn Nijhoff kent, een lucide weifelaar, een gretig deelnemer aan het volle leven, waarvan hij de voosheid doorziet. Het is opvallend hoe vaak de spreker in deze gedichten op weg is, meestal ergens tussen Amsterdam en West-Friesland, hoe vaak hij de wereld bekijkt vanuit de vlietende beslotenheid van een auto.

In Goede manieren is vooral de ringweg een typerende locatie: ‘Bij een stoplicht wijst de clignoteur naar links, de stad in/ maar bij groen stuurt zijn hand hem weer omhoog de ringweg op,/ het asfalt naar het noorden en algauw de klinkerwegen/ van het hart.’

De dichter kan en wil niet kiezen tussen de openheid van het stadsleven, waar ieder zijn eigen weg zoekt, en de geborgenheid van oude sociale verbanden. Wanneer hij een Turkse vader als een kameel ‘door de woestijn van het westen’ ziet lopen, weegt hij de waarde van onze verlichting:

‘de ratio/ die ons behoedt maar wat ons samenhield gebroken heeft,/ elke deur geopend heeft en staan we rillend in de tocht’.

We zijn gezond en ‘bevrijd tot op het bot,’ maar nerveus: ‘te kiezen wie je bent, te denken wat je kan.’ Het is slechts de taal die, zij het tijdelijk, houvast biedt: ‘Orde is een tent van woorden.’ Goede manieren is een groots gedicht.

Piet Gerbrandy

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden