De meesten willen geen taal spreken die iemand achter een bureau bedacht

Een vrijwilliger leest Kuifje in de Esperantobibliotheek in het Poolse Bialystok, waar bedenker Ludwik Zamenhof vandaan komt. Beeld afp

Op zoek naar een oude druk van Theo Thijssens Het taaie ongerief stuitte ik op een fascinerend feit: er bestaat een vertaling van het boek in het Esperanto. Tot mijn onuitsprekelijke vreugde vond ik zelfs een exemplaar te koop, voor 9 lullige eurootjes. De volgende dag lag het al op mijn veelgeplaagde deurmat: La nevenkebla geno, momentoj de tualeta mizero uit 1947.

Nu kan ik geen Esperanto verstaan of spreken, maar Het taaie ongerief ken ik zowat uit mijn hoofd. Van de meeste bladzijden die ik opensloeg kon ik daarom een deel min of meer meelezen. Esperanto heeft bovendien altijd mijn warme belangstelling gehad. Iets dat zó goed bedoeld is en toch zo flagrant mislukt, is altijd boeiend door de inherente tragiek, en dat geldt wel vooral voor idealistische kunsttalen.

Professor Lejzer Zamenhof (de Reve-liefhebber kent hem uit Werther Nieland) bedacht Esperanto in 1887 als internationale, politiek neutrale brug tussen talen en culturen. Esperanto is gemakkelijk te leren, heet het, en dat geloof ik ook wel; dat wil zeggen, voor wie bekend is met Romaanse en Slavische talen. Wie opgegroeid is met Arabisch of Swahili zal er weinig in herkennen; die 'brug tussen culturen' bleef, in weerwil van Zamenhofs goede bedoelingen, beperkt tot de culturen die Zamenhof zelf kende en/of geschikt achtte.

Zamenhofs idee was, de Toren van Babel indachtig, dat het gezamenlijk spreken van één wereldtaal een eind zou maken aan veel ellende op de wereld. Daarbij ging hij voorbij aan een niet onbelangrijk gegeven: De meeste mensen willen geen taal spreken die door iemand achter een bureau bedacht is, hoe makkelijk en logisch die taal ook is. Ze willen gewoon de taal spreken die ze om zich heen horen.

Waar twee of meer talen naast elkaar bestaan, ontstaat vaak op natuurlijke wijze een zogeheten pidgin-taal, een mengelmoes, vaak met beperkt idioom en syntaxis. Mijn zoontjes uiten wel teksten als 'Ewa, ik pleeggg aanslaggg op de kutje van je moeder'; een goed voorbeeld van natuurlijk gegroeid, Amsterdams pidgin. Maar Esperanto was en bleef kunstmatig, al bestaan er een paar mensen die Esperanto als moedertaal hebben, zo las ik tot mijn begrijpelijke opwinding: dat moeten kinderen zijn van tweetalige, ongetwijfeld ook weer idealistische ouders.

Er bestaan overigens tientallen kunsttalen, de ene nog boeiender dan de ander, en lang niet allemaal met de braafste bedoelingen. Zo bedacht een voortvarende Duitser in 1917 het 'Kolonial-Deutsch', met het oog op de door Duitsland gehoopte uitbreiding van het Duitse Rijk in Afrika. In 1917 behelsde dat nog alleen Zuidwest-Afrika (wat tegenwoordig Namibië heet), maar de Duitsers vormden een doortastend volkje en wrochtten alvast een 'Vorschläge einer künftigen Deutschen Kolonialsprache in systematisch grammatikalischer Darstellung und Begründung'. Ze hadden nota bene al een ándere kunstttaal bedacht, het 'Wereldduits' maar die werd te moeilijk geacht voor de natuurvolkeren in Afrika. Het Kolonial-Deutsch zou daarom slechts 500 à 800 woorden en uitdrukkingen behelzen, en een zeer beperkte grammatica.

Met de Duitse koloniën is het allemaal toch een beetje anders gelopen, en het Kolonial-Deutsch stierf reeds in vitro een wisse dood. Ik kan er zelfs nergens een voorbeeld van vinden, of zelfs maar een woordenlijst. Met al mijn geestkracht probeer ik mij grote groepen Namibiërs voor te stellen die een soort kleuter-Duits spreken, maar ook dat lukt niet.

Gelukkig maar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden