De meeste wetenschapsfraude blijft netjes onder ons

Eindelijk: cijfers over wetenschapsfraude, zij het Amerikaanse. Hoe zit het hier? Veel blijft onbekend, zegt kenner Dirk de Hen. Door Martijn van Calmthout..

Secretaris Dirk de Hen van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) heeft ze met meer dan gewone belangstelling gelezen, de cijfers over wetenschappelijke fraude die deze week in Nature zijn gepubliceerd. In het blad analyseren drie Amerikaanse (voormalig) directeuren van instellingen die tegen wetenschappelijke fraude waken, hoeveel er werkelijk gerommeld wordt door wetenschappers.

Schokkende gegevens zijn het, vooral omdat de officiële cijfers zoveel lager zijn: het Office of Research Integrity (ORI) krijgt per jaar gemiddeld 24 rapporten van fraude-onderzoeken bij instellingen uit de hele VS die geld krijgen van de National Institutes of Health (NIH). Op 155 duizend met NIH-geld betaalde onderzoekers en onderzoeksprojecten is dat niet bepaald veel, benadrukken Sandra L. Titus en haar mede-auteurs. ‘Het is een topje van de ijsberg.’

Jurist Dirk de Hen, in het dagelijkse leven gestationeerd bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen in Amsterdam dat samen met universiteitenvereniging VSNU en financier NWO het LOWI in 2003 opzette, denkt dat ook. De Hen: ‘Er zijn heel veel redenen om lang niet alles wat je weet of ziet, ook officieel aanhangig te maken. Alleen gedupeerden zetten door.’

De Amerikaanse cijfers liegen er wat dat betreft niet om. Titus en de haren benaderden in 2006 bijna 4300 door NIH gefinancierde onderzoekers met de vraag naar gevallen van (vermoede) fraude in de drie jaren ervoor. De helft van hen reageerde (2212), en 192 van hen kenden bewezen of vermoede fraudegevallen, in totaal 265 incidenten, vooral van het verzinnen of vervalsen van meetgegevens, of plagiaat. Na correcties bleven daarvan 201 gevallen over, gemeld door 164 onderzoekers.

Van die gevallen, zo gaven de respondenten ook aan, was 58 procent gemeld bij de instelling waar zij werkten. 24 procent had dat zelf gedaan. De rest wist dat een ander aangifte had gedaan. Zeker 37 procent van de incidenten was, voor zover de respondenten wisten, nooit officieel gemeld.

Interessant is ook, wie de fraudeurs in deze gevallen waren. Zowel hoogleraren als postdocs springen eruit, met respectievelijk 22 en 25 procent van de incidenten. Met een kleine 15 procent zijn studenten nog relatief netjes.

Titus maakt een kleine extrapolatie, er vanuit gaande dat de onderzoekers die geen antwoord gaven op de enquête geen fraude-incidenten kenden. In dat geval zouden er per jaar iets van 2325 mogelijke fraudezaken moeten worden vermoed, waarvan er toch op zijn minst zo’n 1350 het ORI ter ore zouden moeten komen.

Onduidelijker

Onduidelijker
Andere koek dan de in werkelijkheid gerapporteerde 24 gevallen per jaar, zegt ook De Hen van het Nederlandse LOWI. En in feite, zegt hij, is de zaak in Nederland onduidelijker. ‘Er is een groot gebrek aan openbare gegevens over wat er aan de universiteiten gebeurt. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld het CBS, KNMI, RIVM of TNO.’

Onduidelijker
LOWI is de instantie waar universitaire partijen heen gaan als ze er binnen de eigen institutie niet uitkomen, bijvoorbeeld omdat een verdachte het niet eens is met het oordeel van een intern fraude-onderzoek. In de jaarverslagen over 2005 en 2006 staat de oogst van deze praktijk: welgeteld 7 gevallen, die vervolgens ook nog allemaal niet-ontvankelijk moesten worden verklaard. In 2006 zijn wel twee zaken aangedragen die in 2007 tot een oordeel van het LOWI hebben geleid.

Onduidelijker
Maar hoe het er aan toe gaat bij onderzoeksinstellingen zelf, weet de Nederlandse samenleving eigenlijk niet, beseft De Hen. Belangrijk punt daarbij is, dat vakgroepen, faculteiten of hele universiteiten of instituten niet erg happig zijn op openheid van zaken bij vermeende fraudekwesties.

Onduidelijker
De Hen: ‘Liefst handelt men een kwestie af zonder er openbare ruchtbaarheid aan te geven.’ Er staan immers altijd direct reputaties op het spel, van de onderzoeker of van de instelling zelf.

Onduidelijker
Volgens De Hen moeten onderzoeksinstellingen zich beter realiseren dat een krachtig eigen anti-fraudebeleid, via onderwijs en opleiding en heldere procedures, per saldo vooral goed is voor het imago. Inclusief openheid, als harde stok achter de deur. ‘Zie het als een kwaliteitsgarantie. Erkennen dat er iets is misgegaan, is niet leuk en zal pijnlijke vragen oproepen over hoe zoiets heeft kunnen gebeuren. Maar als verzwegen fraude aan het licht komt, ben je waarschijnlijk nog veel verder van huis.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden