De meeste neuzen zijn vergeten

Het lezen van literatuurgeschiedenissen is doorgaans een moeizame aangelegenheid. Ter wille van de volledigheid worden alle schrijvers, groot en klein, erin behandeld, en het is moeilijk om uit de enorme opeenstapeling van namen, stromingen en feiten wijs te worden....

Studenten van het desbetreffende taalgebied ploegen zo'n handboek voor hun tentamens door en nemen het later hoogstens nog als naslagwerk ter hand lekker lezen is er niet bij.

Daarom is het veel aardiger als de samensteller van een literatuurgeschiedenis zich in de eerste plaats laat leiden door zijn eigen voorkeuren en niet plichtmatig de hele literatuur 'doet'.

In zijn Russische literatuur kiest Willem Weststeijn, hoogleraar Slavische Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, voor zo'n 'beperkte' benadering. Zijn boek (door Weststeijn om bovenstaande redenen 'geen literatuurgeschiedenis in de gebruikelijke zin des woords' genoemd) bevat, naast een beknopt historisch overzicht van de Russische literatuur, een aantal essays die hij de afgelopen vijftien jaar schreef voor uiteenlopende kranten en tijdschriften. De stukken, die zich ook apart laten lezen, beslaan de 19de en 20ste eeuw; ze zijn gewijd aan een schrijver, een bepaald werk of literair verschijnsel, en voorzien van een biografische of historische inleiding. Tezamen geven ze een uitgebreid beeld van de literaire ontwikkeling die Rusland in deze tijdspanne doormaakte.

Ja, het is jammer dat Gontsjarov, Nabokov en nog een paar groten niet worden behandeld, en dat schrijvers als Boenin en Babel slechts drie, vier pagina's krijgen toebedeeld. Maar daar staat tegenover dat weer andere, minder bekende aspecten van de Russische literatuur uitgebreid aan bod komen die om een of andere reden de interesse van de auteur hebben gewekt.

Bijvoorbeeld de rinoplastiek, ter sprakekomend in het hoofdstuk 'Neuzen in de negentiende eeuw' uiteraard naar aanleiding van Gogols beroemde verhaal.

Diens 'neus' blijkt lang zo bizar niet te zijn als de lezer van nu wel veronderstelt. Na de Russische vertaling van Laurence Sternes beroemde roman Tristram Shandy, waarin onder andere de gehavende neus van de titelheld een belangrijke rol speelt, werd de neus in het Rusland van de 19de eeuw een populair thema dat een stroom van anekdotes en verhalen in gang zette. Anders dan De neus van Gogol zijn de meeste daarvan nu vergeten.

Veel pagina's wijdt Weststeijn aan de vrij onbekende literator Fadej Boelgarin (1789-1859), die in de eerste plaats de geschiedenis is ingegaan als oprichter van de conservatieve, regeringsgezinde krant De noordelijke bij, en als spion voor de geheime politie. In die hoedanigheid schreef hij denunciaties over collega-schrijvers. Weststeijn citeertuitgebreid uit deze epistels ('Vjazemski . . . is een frondeur par esprit et caract. . . brengt zijn tijd door in dronkenschap en vermaak samen met de jeugd en troost zich met satires en epigrammen. . . Poesjkin, dit ongelukkig schepsel dat begiftigd is met een enorm talent, is er het levende voorbeeld van dat verstand zonder ziel een zwaard in de hand van een waanzinnige is. Ondankbaarheid en trots zijn de twee onderscheidende kenmerken van zijn karakter').

De geschriften zijn interessant, niet zozeer uit literair oogpunt als wel omdat ze een goed inzicht geven in de atmosfeer van die jaren en begrijpelijk maken waarom diezelfde Boelgarin het mikpunt werd van Poesjkins venijnige pen.

De meeste grote schrijvers en dichters van de laatste twee eeuwen worden besproken, van Poesjkin tot Solzjenitsyn, van Majakovski tot de onlangs in het Nederlands vertaalde Makanin. Ehoofdstuk is speciaal gewijd aan de plagiaatkwestie van De stille Don, een roman die de Sovjet-auteur Michail Sjolochov in 1965 de Nobelprijs opleverde. Het zal niet bij velen bekend zijn dat specialisten tot op heden serieus betwijfelen of Sjolochov wel de auteur ervan is geweest.

Voor zijn favorieten pakt Weststeijn extra uit. Bijvoorbeeld voor de futuristische dichter Chlebnikov (1885-1922), van wie hij eerder zelf werken vertaalde.Ook de ontwikkeling in Rusland na de perestrojka en glasnost en de weerslag ervan op het literaire klimaat komen aan bod: het verdwijnen van de didactische en moralistische Sovjet-literatuur, de enorme honger naar voorheen verboden schrijvers van eigen en vreemde bodem, de gelogenstrafte verwachting dat met het verdwijnen van de censuur de Russische literatuur een ongekende bloei tegemoet zou gaan, en het lot van de avant-gardisten uit het vroegere illegale circuit die nu moeten opboksen tegen de miljoenenoplages van de triviaalliteratuur.

Eonderdeel uit die branche doet het exceptioneel goed: de eindeloze stroom, in verbijsterend grote oplages verschijnende detectives van vrouwelijke auteurs, en dan met name de liefdesdetectiveroman ('standaard vierhonderd pagina's lang; de lettergrootte wordt aangepast om deze omvang te halen'). Ze zijn een eigentijdse, Russische mix van damesroman en harde werkelijkheid, waarin Weststeijn zelfs nog een vleugje dostojevskiaans masochisme meent te ontwaren.

Weststeijns 'literatuurgeschiedenis' is een aanrader voor iedereen die meer over Ruslands literatuur wil weten. Een groot pluspunt van de bundel is daarbij dat de meeste van de besproken werken in het Nederlands zijn vertaald en er dus op nageslagen kunnen worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden