De meelstrepen van de geschiedenis

TOEN KONINGIN Wilhelmina in maart 1945 voor het eerst na vijf jaar Londense ballingschap weer voet op vaderlandse bodem zou zetten, bleek de Belgisch-Nederlandse grens bij Eede (Zeeuws-Vlaanderen) niet gemarkeerd....

Symbolischer kon haast niet: over een verwaaibare en onder haar martiale stappen als het ware meteen ook tot uitwissen gedoemde streep van meel, nam majesteit weer bezit van haar bijna verloren koninkrijk.

De Leidse historicus Martin Bossenbroek, die voor de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) de geschiedenis schreef van hoe meer dan anderhalf miljoen ontheemde Nederlanders aan het eind van de Tweede Wereldoorlog moesten worden gerepatrieerd en heringepast in de samenleving, heeft zich de kans om dat paradigma uit te werken niet laten ontnemen. Hij noemde zijn boek De meelstreep. Mogelijk ook omdat hij het in z'n lijzigheid - met tweemaal die lange, melige dubbele e-klank - zo'n indrukwekkend nieuw Nederlands woord vond. Maar waarschijnlijk toch vooral omdat het hem als een perfecte metafoor kon dienen voor van alles en nog wat, en voor de geschiedschrijving in het bijzonder.

Dat hij met de anekdote in Eede zou beginnen, lag voor de hand: Wilhelmina was dan misschien niet de allereerste, maar wel de allerzinnebeeldigste van alle terugkeerders. Maar hij knoopt er meteen een kleine overdenking aan vast over de onachterhaalbaarheid van het verleden, dat zich aan de historicus voordoet als een oneindige verzameling meelstrepen die zelfs op een foto, laat staan in herinneringen, zelden een helder spoor achterlaten: niet eens vergruisde, maar veelal verstrooide beelden. Twee historische werkelijkheden staan in het boek tegenover elkaar.

De ene is van 1945. Al in Londen heeft de Nederlandse regering voortvarend plannen ontwikkeld om terugkeer en opvang van honderdduizenden onderdanen - joden, politieke gevangenen, Indische Nederlanders, dwangarbeiders, evacués, vluchtelingen: bij mekaar haast twintig procent van de toenmalige bevolking - in goede banen te leiden. Dat het reusachtige karwei zonder al te veel logistieke fouten en haperingen, en in betrekkelijk korte tijd geklaard werd, kon als een des te grotere prestatie gelden voor wie in aanmerking neemt dat het land in materieel en mentaal opzicht een staat van totale ontwrichting dicht was genaderd: van Arnhem tot in Limburg maandenlang slagveld geweest, in het bezet gebleven westen geïsoleerd en met hongersnood bedreigd, op vitale plekken (Zeeland, Wieringermeer) door geallieerde bombardementen of Duitse wraak onder water gezet. Niettemin: ver vóór 1946 was het gros van de over Europa verspreide oorlogsslachtoffers terug, en in dat jaar begon ook de grootschalige repatriëring uit Indië. Alle reden, leek het, voor tevredenheid.

De andere werkelijkheid is van vijftig jaar later. De onvrede van overlevenden of hun onmiddellijke nabestaanden, die in een totaal veranderde samenleving terugdenken aan de wijze waarop ze een halve eeuw tevoren feitelijk zijn 'opgevangen', voedt het besef dat er destijds eigenlijk helemaal niet, en in ieder geval niet helemaal reden tot tevredenheid is geweest. De steekwoorden zijn ambtelijkheid, gebrekkige empathie, kilte, tekort aan 'erkenning' of zelfs kortzichtigheid, onachtzaamheid, nalatigheid. Oude rekeningen - van materiële, maar vooral ook immateriële aard - blijken niet vereffend. En aan het eind van de twintigste eeuw maakt de Nederlandse overheid van dan schuldbewuste gebaren - in miljoenen aan geld, in een overvloed aan aandacht, in de oprichting (1998) en financiering van de onafhankelijke Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang waaraan een studie naar de tekortkomingen van de toenmalige overheid wordt toevertrouwd.

Wat is er gebeurd tussen de werkelijkheid van 1945 en die van nu?

Bossenbroeks boek is een consciëntieuze zoektocht naar 'meelstrepen' op een historisch terrein dat veel weg heeft van een emotioneel mijnenveld, omdat al die onderling verschillende groepen slachtoffers, met hun onderling zo ontzettend onderscheiden bevinding van hun slachtofferschap, van meet af aan een latente (en soms nauwelijks nog latente) competitie in ontbering hebben ontwikkeld: zoiets als een 'leed-hiërarchie', die door de autoriteiten van destijds in bepaalde gevallen - bijvoorbeeld ten aanzien van actieve leden van het verzet - ook is geëerbiedigd.

Nog altijd zijn er Indische Nederlanders die hun interneringskamp jaloers opgewaardeerd willen zien tot het niveau van Auschwitz, en altijd nog heb je Hollanders die hun hongerwinterbelevenissen in alle ernst 'erger' vinden dan de lotgevallen van landgenoten uit Indië waar het immers altijd warm en meestal zonnig was.

Zakelijkheid was geboden. En zakelijk is De meelstreep van de eerste tot en met de bijna zevenhonderdste bladzijde. De emoties zijn er niet uit weggelaten - in hun meest directe vorm zijn ze trouwens geïnventariseerd in de bundel Mensenheugenis, aanvullend deel van het SOTO-onderzoek - ze zijn ingebed in een sociaal-cultureel beeld dat van 1945 tot 2000 reikt. Bossenbroek citeert een verhelderende passage uit het programmaboekje bij het allegorische massaspel (regie: Carel Briels) dat op Koninginnedag 1945 in het Olympisch Stadion in Amsterdam werd opgevoerd. De bedoeling was, schreef men:

'den toeschouwers een onuitwischbare herinnering mede te geven van den tragischen strijd van een klein maar onverschrokken volk, dat wel tijdelijk geknecht kon worden door barbaarsche overmacht, maar dat zich nooit heeft laten berooven van zijn geloof in de zekerheid der overwinning van het recht.'

Of het hele onverschrokken volk dat zelfbeeld koesterde is misschien de vraag, maar vaststaat dat het van overheidswege met grote nadruk werd gepredikt. Het begrip 'volksgemeenschap' lag bestorven in de mond van bewindslieden, herdenkingsredenaars, burgemeesters en overige hoogwaardigheidsbekleders. En begrijpelijk. 'Volksherstel' was niet alleen een kwestie van nieuwe bruggen, nieuwe wegen, nieuwe fabrieken en nieuwe woningen, maar moest bovenal de sociale cohesie repareren in een samenleving waarbinnen men blijvende desintegratie vreesde.

Dat was ook de reden voor de oproep om collectief de armen uit de mouwen te steken - dat hielp niet alleen de economie, maar het kon de ex-gevangenen, ex-onderduikers, ex-dwangarbeiders en ex-vluchtelingen bovendien helpen hun nare ervaringen zo snel mogelijk te vergeten. Het was daarbij de reden om discriminatoire maatregelen te nemen tegen teruggekeerde Duitse joden die voor de oorlog naar Nederland waren gevlucht, en tegen 'in Indië gewortelden', wat een ambtelijk eufemisme was voor Indo-europeanen die Nederland verkozen boven de Republik Indonesia. De vraag was immers of zulke 'vreemde' bevolkingselementen de noodzakelijk geachte snelle reïntegratie binnen de volksgemeenschap niet zouden afremmen.

Bossenbroek onthoudt zich consequent van waardeoordelen. Hij noteert dat er al meteen in 1945 kritiek is geweest op het verkokerde opvangbeleid; dat in die naoorlogse dagen incidenteel sprake was van nauw verholen antisemitisme; dat Hilda Verwey-Jonker toen al als verklaring aandroeg dat het Nederlandse volk, 'dat zich tijdens de bezetting jegens zijn Joodse medeburgers allermiserabelst heeft gedragen', zichzelf daarvoor probeert te rechtvaardigen door de joden te kapittelen; en dat in een heel vroeg stadium door een enkele deskundige al is gewaarschuwd voor de onherroepelijke psychische gevolgen van syndromen die toen nog door niemand met het woord trauma werden benoemd.

Wederopbouw, een streep onder het verleden, en liefst zo gauw mogelijk allemaal weer 'gewoon doen' - daar lagen de politieke en maatschappelijke prioriteiten. En bij alle bezwaren die her en der ook toen al zijn aangevoerd tegen de pragmatische aanpak van problemen die schier onoverkomelijk leken, valt er objectief weinig op aan te merken. Bossenbroek doet dat ook niet. Zonder de autoriteiten van toen expliciet te verontschuldigen stelt hij vast, dat ze binnen hun horizon naar beste vermogen hebben gedaan wat ze moesten doen. Hun horizon is het criterium. De horizon van later tijd was niet aan de orde. 'Het vermijden van anachronismen', zei Huizinga al, 'is de helft van de geschiedwetenchap.'

Pas dertig tot veertig jaar na de oorlog leidde het onderzoek naar Amerikaanse Vietnam-veteranen tot de introductie van het begrip posttraumatische stress-stoornis, en tot het inzicht ook bij Nederlandse psychiaters dat de oorzaak van misschien wel de meeste klachten van oorlogsslachtoffers gezocht moest worden in hun 'inadequaat reagerende sociale omgeving', zoals Bossenbroek het samenvat. Of anders geformuleerd: in 1945 is de psychische en emotionele nood van de slachtoffers wel degelijk onderkend, maar men sprak er over in termen van een samenlevingsprobleem (ze waren als het ware even beschadigd als de nationale infrastructuur), en zelden of nooit in termen van individueel lijden.

Ook op het punt van de diagnose en de aanbevolen behandeling van de 'ziekteverschijnselen' onder oorlogsslachtoffers, begeeft Bossenbroek zich niet in waardeoordelen - en met des te minder reden, zou je zeggen, omdat de meelstrepen in de geschiedenis van de geestelijke volksgezondheid nog sneller met voeten getreden of door de wind weggeblazen raken dan op andere levensgebieden. Het trof me dat juist deze week de Volendamse brandwondenslachtoffers is voorgehouden dat ze toch maar het best met vergeten, werken en 'gewoon doen' hun beschadigde bestaan kunnen voortzetten: de therapie van 1945.

De meelstreep is een voorbeeldig boek, helder geschreven, intelligent gestructureerd, en nog helemaal los van z'n onmiddellijke slachtoffersaanleiding een leerzame samenlevingsgeschiedenis van Nederland in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden