De mediamajoor

Binnenkort heeft hij zijn buste in de senaat: Lodewijk Thomson, in 1913 betrokken bij Nederlands eerste vredesmissie. Vanwaar deze hernieuwde belangstelling? En waarom opnieuw verhit debat?

Op zijn best kan Lodewijk Thomson (1869-1914) als een bekende onbekende worden aangemerkt. Hij was de tweede man van Nederlands eerste vredesmissie, in Albanië (najaar 1913-zomer 1914). En hij sneuvelde op 15 juni 1914 in Durrës, de toenmalige hoofdstad van Albanië. Precies honderd jaar geleden dus, een kleine twee weken voor de moord in Sarajevo die de Eerste Wereldoorlog tot gevolg had. Maar de moord op Thomson maakte in Nederland destijds veel meer indruk. De vredesmissie werd met hem vereenzelvigd, en niet met zijn superieur kolonel Willem de Veer (1857-1931). Thomson werd met standbeelden bedacht, ook in Durrës. Hij trad zelfs op als drakendoder in een Albanese ballade. Toen Thomson uiteindelijk in de vergetelheid raakte, bevonden zijn vroegere metgezellen zich daar allang.


Bij de nadering van zijn honderdste sterfdag is zijn nagedachtenis weer enigszins afgestoft. Over twee weken zal in de galerij van de Eerste Kamer een buste van Thomson worden onthuld - het vierde monument voor Thomson in Nederland. Jan Spek Rozen BV kweekte een aan Thomson opgedragen roos - 'een zeer gezonde doorbloeiende roos van 70-80 centimeter hoog' met de handelsnaam Rosa Majoor Lodewijk Thomson waarvan honderd stuks in de tuin van het Vredespaleis zijn geplant. Over de vredesmissie in Albanië verschenen onlangs drie boeken, waaronder - voor de zeer gemotiveerde liefhebber - een tweedelige bronnenpublicatie van bijna duizend pagina's van de gepensioneerde Shell-werknemer Joep Zonne. Opmerkelijk voor een episode die hooguit af en toe opduikt in de Nationale Geschiedenisquiz.


Maar de Thomson-revival gaat ook gepaard met een controverse tussen de paar historici - overwegend amateurs - die zich met het Nederlands avontuur in het Balkanstaatje bezighouden. Zo kan het kloeke naslagwerk van Joep Zonne, uitgegeven door de Albanees/Nederlandse uitgeverij Skanderberg Books, worden opgevat als een poging tot eerherstel van kolonel Willem de Veer. Ofwel: als een correctie van de gangbare opvatting dat Thomson de good guy van de Albanese vredesmissie was. Daarop is volgens Zonne wel wat af te dingen. 'Als militair had De Veer z'n zaakjes veel beter op orde dan Thomson, maar Thomson wist, vooral vanwege zijn goede betrekkingen met de pers, lauweren te oogsten. Alles wat goed ging, werd aan Thomson toegeschreven. Voor de fouten werd De Veer verantwoordelijk gehouden. Daarin had Thomson de hand. Hij was ervan uitgegaan dat hij commandant van de vredesmissie zou worden en manipuleerde de pers op meesterlijke wijze om De Veer in diskrediet te brengen.'


Thomson was ontegenzeglijk behendiger in de omgang dan de stroeve, formele De Veer. Hij stond dichter bij de andere Nederlandse officieren, kon beter omgaan met de Albanezen en wist zijn eigen belangen ook beter te behartigen bij vorst Wilhelm zu Wied, het door de grootmachten geparachuteerde staatshoofd van Albanië. Die benoemde Thomson tot 'directeur de la force armée', een functie die zich nog het best laat vergelijken met die van minister van Defensie, en stuurde De Veer naar het noorden van het land. De Veer aanvaardde deze feitelijke degradatie niet en ging op verlof in Nederland. Kort daarna sneuvelde Thomson. 'De ironie was dat hij op dat moment waarschijnlijk in gesprek was met een aantal journalisten', zegt Zonne. Zijn sociale vaardigheden werden hem, met andere woorden, uiteindelijk fataal.


Die suggestie was tegen het zere been van de Harense godsdienstdocente en trouwambtenaar Jolien Berendsen-Prins, de vurigste pleitbezorger van Lodewijk Thomson. In een (niet gepubliceerde) brief aan NRC Handelsblad citeerde ze uit het officiële rapport over de dood van Thomson van 18 juni 1914 dat 'ik persoonlijk uit handen van een achterkleinzoon van Thomson kreeg'. Daaruit kan niet worden opgemaakt dat hij zich bezighield met het onderhoud van zijn mediacontacten toen hij werd beschoten.


Uit de omvang en de toonzetting van de lezersbrief bleek de sterke betrokkenheid van de auteur bij het onderwerp: zij wilde een held behoeden voor postume verdachtmakingen. Dit engagement is opmerkelijk. De betrokkenheid van Joep Zonne bij het thema vloeit voort uit zijn familieband met een van de naar Albanië uitgezonden officieren, kapitein Julius H. Sonne. Een - beduidend handzamer - boek over de wederwaardigheden in Albanië van majoor-arts Tiddo Reddingius is geschreven door de echtgenoot van diens kleindochter. Maar Berendsen heeft niet zo'n familieband met Thomson. En toch gaat ze voor hem door het vuur. Sterker: zij ziet het als haar levenstaak om hem een passende plek te geven in ons collectief geheugen.


Berendsen had nog nooit van Thomson gehoord tot zij in 2002 de toenmalige Albanese ambassadeur in Den Haag trof die haar over de Nederlander vertelde die in Albanië was gevallen. Sindsdien is Thomson alomtegenwoordig in haar leven. Zozeer zelfs dat een van haar kinderen ooit aandrong op Thomson-vrije gesprekken. Want die waren op een zeker moment heel zeldzaam in het ouderlijk huis.


Ze beijverde zich ervoor dat de Groningse buste van Thomson, die na de afbraak van de Rabenhauptkazerne naar de Zuiderbegraafplaats in Groningen was verplaatst, naar zijn oorspronkelijke plek terugkeerde. Ze gaf, als voorzitter van de Thomson Foundation, opdracht voor het componeren van de 'Majoor Thomson vredeshymne'. Ze zette zich in voor een gedenkteken voor Thomson op de KMA in Breda, en ze zorgde op verzoek van de Albanese 'Vrienden van Thomson' voor een replica van diens Groningse buste (die in 2003 in Durrës werd onthuld). En ze arrangeerde de postume hereniging van Thomson en zijn weduwe, Jet Slotemaker, door haar stoffelijke resten te laten overbrengen naar Groningen. 'Thomsons grafsteen zag eruit als een tweepersoonsbed waarvan de helft onbeslapen was', zegt Berendsen. 'Voor haar helft heb ik een nieuwe inscriptie laten maken.' Twee weken geleden was er nog een Albanese televisieploeg op bezoek.


Wat haar zo aantrekt in Thomson? Zijn tegendraadsheid, vermoedt ze. Die 'innemende trek' tekende Thomson als militair en politicus - hij was enkele jaren Kamerlid en lid van de Haagse gemeenteraad voor de (vooruitstrevende) Liberale Unie. Hij ageerde tegen duels, die destijds in het leger nog betrekkelijk gangbaar waren. Hij beklaagde zich over het 'vandaalistisch' optreden van Nederlandse militairen in Atjeh. Hij maakte bezwaar tegen de monopoliepositie van de Duitse staal- en wapenproducent Krupp als leverancier van het Nederlandse leger. En hij bepleitte een zekere 'democratisering' van het leger. Bij zijn meerderen gold hij als een man 'die niet te breidelen noch in te toomen was'. Vanwege deze verdiende reputatie werd hij bij promoties menigmaal overgeslagen.


'Hij was zo aardig', resumeert Berendsen. Zo anders dan de manipulator in het naslagwerk van Zonne. Tot haar eigen verbazing kan hij haar met zijn medemenselijkheid nog steeds emotioneren.


Wat Zonne en Berendsen met elkaar gemeen hebben, is dat ze ruim tien jaar aan de Nederlandse vredesmissie hebben gespendeerd. Beiden zijn ze gegrepen door de tragiek van een onderneming die niet kon slagen en door de worsteling van Nederlandse militairen met een cultuur die hun volkomen vreemd was. Maar over de verdiensten van Thomson lopen hun opvattingen diametraal uiteen. 'Op drie plaatsen in Nederland staat al een buste van Thomson', zegt Zonne, 'en nu komt er wéér een bij. En dan heb ik het nog niet eens over die Thomson-rozen. Ik vind het wat veel allemaal. Ik had liever een plaquette gezien met de namen van alle Albanië-gangers. Want Thomson heeft de anderen wel tekort gedaan. Tot op de dag van vandaag.'

undefined

'SREBRENICA IN HET KLEIN'

Na de uitroeping van zijn onafhankelijkheid, op 28 november 1912, werd Albanië belaagd door zijn buurlanden Montenegro, Servië, Macedonië en Griekenland. De grote Europese mogendheden vroegen Nederland (nadat Zweden beleefd voor de eer had bedankt) zorg te dragen voor de opleiding van een gendarmerie - een kleine zelfverdedigingsmacht. Met deze missie werd een eenheid van zeventien officieren belast onder leiding van kolonel Willem de Veer (1857-1931) en majoor Lodewijk Thomson (1869-1914). De deelnemers aan de kleine vredesmacht gingen voor de duur van de missie over in Albanese krijgsdienst en werden allen in rang bevorderd. Vandaar dat Thomson soms als majoor (zijn Nederlandse rang) en soms als luitenant-kolonel in de literatuur figureert.


De Nederlandse militairen beseften al snel dat ze niet op hun taak waren berekend. Albanië was nog niet in de moderne tijd aangekomen. Het gevaar dreigde niet alleen van buiten, ook binnenlandse krijgsheren roerden zich. Van het geparachuteerde staatshoofd Wilhelm zu Wied (1876-1945) ging geen enkel gezag uit. De Nederlandse majoor Tiddo Reddingius hield hem in een milde bui voor 'een grote sul, die zich nergens vertoonde maar wel gezanten te dineren had'.


Het welslagen van de missie werd evenzeer belast door de uiterst geprikkelde verstandhouding tussen De Veer en Thomson. De Veer was volgens Thomson 'een op en top oud-modisch militair in de slechtsten zin van het woord'. De Veer op zijn beurt stoorde zich aan het 'brutaal en ongepast optreden' van zijn rechterhand.


Op de vroege ochtend van 15 juni 1914 sneuvelde Thomson tijdens de verdediging van Durrës. Een maand later werd hij met militaire eer in Groningen begraven. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verlieten de laatste Nederlanders Albanië. Hun onmogelijke missie deed Zonne onwillekeurig denken aan 'het drama van Srebrenica'.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden