De maskerade van Het Parool

Het Parool maakte onlangs bekend voor zichzelf te willen beginnen, omdat de toekomst er slecht uitziet voor de PCM-dochter. Maar de toekomst ziet er al een jaar of vijfentwintig slecht uit voor de krant....

HOE VAAK ZAL het mij eind jaren zestig op de redactie van Het Parool zijn toegeroepen? 'Denk toch aan de lezer in de Pijp!' Ik was als leerling-verslaggever in dienst getreden bij 'de grootste krant in Amsterdam', zoals de zorgvuldig gekozen reclameslogan luidde - want De Telegraaf was ook toen al veel groter. Maar met 110 duizend Amsterdamse abonnees, zo'n 40 procent van de hoofdstedelijke huishoudens, was Het Parool toch dominant op zijn thuismarkt.

Het was niet alleen een succesvolle krant, met een landelijke oplage van zo'n 160 duizend en een uitstekend rendement, maar ook een prestigieuze. Simon Carmiggelt schreef zijn dagelijkse Kronkel, Henri A.A.R. Knap zijn Amsterdams Dagboek. Alle Nederlandse journalisten keken met jaloers ontzag naar de flitsende reportages op de pagina Extra. En ik kreeg er een eersteklas opleiding in feitelijke nieuwsverslaggeving. Als ik schreef over een 'drukbezochte vergadering', werd ik door mijn chef op de vingers getikt wegens het geven van een subjectief oordeel. 'De vergadering trok ongeveer 150 belangstellenden', was de correcte formulering.

De krant die geboren was uit het verzet in 1940-1945, keek in 1968 trots en zelfbewust de toekomst tegemoet. Als Het Parool niet het beste dagblad van Nederland was, welke krant dan wel? Toch waren toen al de voorwaarden vervuld voor de onafgebroken neergang die Het Parool vanaf de jaren zeventig zou doormaken.

Om te beginnen was 'de lezer in de Pijp' de korte samenvatting van een rampzalige demografische misrekening. Bij het maken van de krant had de redactieleiding als prototypische Parool-abonnee ('ijkpersoon' in het tegenwoordige bladenmakersjargon) een soort toffe Mokumse tramconducteur voor ogen. Niemand stond erbij stil dat die categorie Amsterdammers in snel tempo de Pijp verruilde voor Purmerend of Lelystad. Hun plaats in de stad werd ingenomen door allochtonen, die vooralsnog weinig Nederlandse kranten lazen, maar ook door een groep die voor de toekomst van Het Parool van levensbelang was: de Amsterdamse student van 1968, oftewel de komende 'lezer op de Brouwersgracht'.

De manier waarop Het Parool eind jaren zestig met harde hand zijn potentiële abonnees de deur uitjoeg, is in de persgeschiedenis nog altijd uniek. Onder leiding van mr. H.W. Sandberg, hoofdredacteur sinds 1961, koesterde de krant zijn onaantastbare gelijk: het communisme was verwerpelijk, Nieuw-Links in de PvdA bijna net zo erg, Amerika had ons bevrijd, dus dienden wij onverkort achter de oorlog in Vietnam te staan en moesten jongeren niet zeuren over het fascistische Portugal in de NAVO.

OP DE redacties van de Volkskrant en het pas gefuseerde NRC Handelsblad moet dit schouwspel met vreugdevolle verbijstering zijn gadegeslagen. Wie had kunnen dromen dat het voormalige dagblad voor de katholieke arbeiders en de bedaagde krant voor liberale ondernemers wél zouden profiteren van de linkse jeugdrebellie die vanuit Amsterdam over Nederland golfde, en Het Parool als hippe Amsterdamse krant niet?

Ook binnen de Parool-redactie had de verjagingstactiek van de hoofdredactie effect. Tijdens de studentenbezettingen van 1969 merkte ik tot mijn schrik dat op de redactie geknoeid werd met het nieuws. Ik hield mij als verslaggever nog trouw aan de regels van feitelijkheid en waardenvrijheid die Het Parool mij had bijgebracht, maar de krant zelf bleek in zijn verwerking van het aangeleverde nieuws inmiddels andere methoden te hanteren. Een paar maanden later vertrok ik naar de Haagse Post. Tientallen andere jonge Parool-redacteuren hielden het in die jaren ook voor gezien en stapten over naar een concurrerend dagblad, een opinieweekblad of de televisie.

Omstreeks 1975 waren de kaarten geschud. Het Parool had de slag om de jonge grootstedelijke lezer - én die om het jonge journalistieke talent - door eigen toedoen verloren en zou in oplage krimpen van 160 duizend tot nauwelijks de helft. Volkskrant en NRC Handelsblad werden de onstuimig groeiende kwaliteitskranten die een ruime verdubbeling van hun oplagen tegemoet gingen.

Op dat moment begon rond Het Parool een even tragische als fascinerende maskerade, een wedloop met de waarheid die pas nu, na ruim 25 jaar, zijn einde lijkt te naderen. Hoofdredactie en directie van Het Parool maakten in hun eigen ogen nog steeds een voortreffelijke krant, die alleen even in een oplage-dipje zat doordat het lezerspubliek tijdelijk slachtoffer was geworden van de waan van de dag. Er bestond geen reden tot drastisch bezuinigen, want het kon onmogelijk lang duren voor het verstand zegevierde en de abonnees zouden terugkeren.

Die maskerade werd mogelijk gemaakt door de paradoxale structuur van Perscombinatie, het uitgeversbedrijf waarin Het Parool en de Volkskrant vanaf 1968 samenwerkten en waarvan ook Trouw, in 1975, deel ging uitmaken. Enerzijds bleek al spoedig dat de Volkskrant door zijn voortdurend stijgende oplage en advertentie-omzet een goudmijn werd, terwijl Het Parool, en in mindere mate Trouw, alleen maar verlies leden. De machtsverhoudingen binnen Perscombinatie lagen even duidelijk, maar dan wel andersom: de Stichting Het Parool bezat het leeuwendeel van de aandelen.

Een serieuze discussie over de financiële situatie van Het Parool was daardoor jarenlang taboe. In plaats daarvan werd drie keer achter elkaar hetzelfde toneelstukje opgevoerd. Er kwam een nieuwe hoofdredacteur (in 1981 Wouter Gortzak, in 1988 Sytze van der Zee, in 1996 Matthijs van Nieuwkerk), en als de man zo'n anderhalf jaar in functie was, barstte Perscombinatie los in gejuich. 'Het Parool verliest niet meer', was de favoriete formulering. Met kunst en vliegwerk - en zonodig met boekhoudkundige trucs - was de oplagedaling dan een jaartje tot staan gebracht. Het feit dat de krant in werkelijkheid nog steeds catastrofale verliezen in guldens leed, soms tientallen miljoenen per jaar, moest op die manier aan het oog van de wereld worden onttrokken.

Wouter Gortzak vertelde na zijn hoofdredacteurschap een keer het verhaal van zijn bezoek aan een krantencongres in Amerika. In gesprek met Amerikaanse collega's schetste hij de positie van Het Parool: plaatselijk avondblad, in oplage derde op zijn thuismarkt. 'Man, you're a loser', luidde de prompte reactie. Een paar jaar later moest Gortzak vertrekken, maar de verwoede pogingen van zijn opvolger Van der Zee om van Het Parool 'de NRC van Buitenveldert' te maken, boekten even weinig succes.

Het eerste stukje realiteitstoetsing begon in 1996. Onder aanvoering van Matthijs van Nieuwkerk werd de jarenlang volgehouden pretentie dat Het Parool eigenlijk een landelijk kwaliteitsdagblad was, definitief opgegeven. Het moest nu een dynamische, onderhoudende grotestadskrant worden. De journalistieke reputatie van Het Parool werd inderdaad een stuk vrolijker, maar de oplageontwikkeling bleef moeizaam, en een krant die niet meer dan 16 procent van de Amsterdamse huishoudens bereikte, maakte ook op de advertentiemarkt weinig kans.

INMIDDELS was de commerciële context van Het Parool ingrijpend veranderd. Perscombinatie fuseerde in 1994 met uitgeverij Meulenhoff tot PCM, en een jaar later haalde het concern ook NRC Handelsblad en het Algemeen Dagblad binnen. De Stichting Het Parool bezit nog altijd 57 procent van de aandelen PCM, maar de hoofddirectie stelt zich de laatste jaren allengs harder en zakelijker op. Een vuistregel uit de wereld van de regionale dagbladen luidt dat een plaatselijke krant voor elke duizend abonnees één redacteur kan hebben. Voor Het Parool zou dat nu neerkomen op het vertrek van twintig à dertig journalisten.

Van Nieuwkerk zag de bui in 2000 hangen en nam de wijk naar de televisie. Zijn opvolger Erik van Gruijthuijsen moest na anderhalf jaar ervaren dat het toneelstukje 'Het Parool verliest niet meer' geen vierde opvoering zou krijgen. Samen met zijn redactie besloot hij daarom twee weken geleden tot een vlucht naar voren. 'We gaan voor onszelf beginnen', was de nieuwe leuze. Het artikel waarin de hoofdredacteur zijn lezers over de plannen informeerde, ronkte in de beste Parool-traditie: 'De vernieuwing was succesvol... Het Parool is leidend in de berichtgeving over de stad en onmisbaar voor het maatschappelijke debat... Een redactie die niet alleen een hechte eenheid vormt, maar bovenal een unieke samenballing van journalistiek talent is'.

Minder duidelijk was Van Gruijthuijsen over de financiering van zijn stoutmoedige voornemen. Daar valt op dit moment weinig meer over te zeggen dan dat er nog een aanzienlijk gat in zit, ook met een flinke afscheidslening van de Stichting Het Parool en wie weet een welwillend krediet van het Bedrijfsfonds voor de Pers. Dus die twintig à dertig Parool-redacteuren moeten, binnen of buiten PCM, nog steeds voor hun stoel vrezen.

Net zomin als de Parool-redactie kan ik mij voorstellen dat de krant werkelijk zou verdwijnen. Maar ik ben verre van objectief. Zoals iedereen die ooit bij Het Parool heeft gewerkt, blijf ik er met een mengeling van liefde en kwaadheid aan denken. Liefde voor de krant die ondanks alles een glorieuze journalistieke traditie vertegenwoordigt. Kwaadheid omdat die krant in de jaren zestig en zeventig door mensenhand kapot is gemaakt en nadien decennialang willens en wetens blind is gebleven voor de realiteit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden