DE MANNENHUMOR VAN DE GONCOURTS Lakmoesproef voor burgerlijkheid

HET DAGBOEK VAN de negentiende-eeuwse schrijvers Edmond en Jules de Goncourt is wel voor seksistisch, ja, misogyn, versleten - en voor achterbaks, gluiperig, naijverig en vals....

MICHAEL ZEEMAN

De geamuseerde toon waarop de heren zich openlijk vermaakten met de ijdelheid en zelfingenomenheid van hun veelal beroemde tijdgenoten was al bij hun leven berucht. Ze schreven brieven en kritieken en bezochten geregeld de legendarische bijeenkomsten van literatoren en geleerden die de criticus Sainte-Beuve vanaf 1863 in het Parijse restaurant Magny belegde. Niemand weet wat daar precies besproken is, maar wat ervan naar buiten kwam heeft het schrikbeeld gevestigd van een coterie van literaire machthebbers die reputaties konden maken en breken, al naargelang hun eigen onberedeneerde humeurigheid.

Dat beeld van zo'n stelletje samenzweerderige en onbekookte culturele opiniekneders bestaat nog steeds: het is nog altijd een van de clichés van het literaire leven. In allerlei gedaanten: de hoofdstad tegen de provincie, het centrum van arrivés tegen de periferie van worstelende krabbelaars, de zelfgenoegzaamheid tegen de ambitie. Aan de wortels van die samenzwering zou een ongeëvenaarde hang naar roddel en achterklap liggen.

Toen het dagboek van de Goncourts in druk verscheen en we een ongekuiste indruk kregen van het sfeertje waarin de auteurs geleefd hadden, bleek het allemaal waar. Als het dagboek een reële graadmeter was voor de toon waarop de Parijse literaire wereld van gedachten wisselde over minder fortuinlijke collega's, dan was het er even vrolijk als onbesuisd aan toe gegaan, daar in het etablissement Magny. En niet alleen daar: ook in de salons en de rijtuigen en op de straathoeken waar de heren schrijvers en critici elkaar ontmoetten. Dat waar de buitenstaanders zo beducht voor waren geweest, bleek nog veel erger dan ze zelf in hun ernstigste aanvallen van neerslachtigheid bij elkaar hadden kunnen verzinnen.

Maar het ergste was dat het in de notities en observaties van Edmond en Jules de Goncourt vooral zo leuk was - zo scherp gezien en zo kostelijk opgeschreven. Wie precies de druktemakers waren om wie het ging, was doorgaans van ondergeschikt belang; hun namen zijn veelal vergeten en er is inmiddels een compendium vol noten nodig om iedereen die genoemd wordt, zijn rechtmatige plaats in de cultuurgeschiedenis terug te geven.

Los van hun particuliere biografieën waren het echter typetjes geworden, vertegenwoordigers van een kleinburgerlijke cultuur van groezeligheid, opportunisme en zelfingenomenheid, die nog altijd voortduurt. Hun meningen, hun pedanterie en hun streken en het bedroevende niveau van hun eigen literaire werk, ze lijken precies op wat de lawaaiige schrijvertjes en columnisten van vandaag voortbrengen. Vervang in het dagboek van de Goncourts de namen van de indertijd beroemdste auteurs door die van de bestseller-schrijvers van nu, en die van hun minnaressen door die van de groupies van vandaag, en het klopt allemaal.

Behalve, misschien, bij wat ze over vrouwen zeggen: met de huidige modieuze sensibiliteit voor gepeperde opmerkingen van mannen over vrouwen, zullen we nog wel beleven dat het dagboek op de index van Surplus belandt, of in elk geval in de Verenigde Staten niet meer ongecensureerd op een leeslijst voor de universiteiten terecht kan komen. Je moet ermee uitkijken het dagboek te lezen in een ruimte waarin onverwacht een vrouw van zekere leeftijd of een van begrip druipende man kan binnenkomen: voor je het weet schiet je al lezend in de lach, en er is, wanneer je vertelt waarom je lachte, geen doorgeëmancipeerde vrouw of met het parmantige moralisme collaborerende man die daar begrip voor heeft.

Dat komt doordat het mannenhumor is, de manier van kijken en de toon waarvan de Goncourts zich bedienen. Nee, niet die vermoeiende hang naar kleffe dubbelzinnigheid of lompe schuinsmarcheerderij, niet de bravoure van, zeg, Giphart of Zwagerman, die bij alle schijnbare stoerheid immers zo burgerlijk en politiek correct is als de hoofdredactionele commentaren in Opzij - die jongens zijn niet voor niets zo populair in de kringen van nette schooljuffrouwen -, maar een wijze van mijmeren en relativeren die, bij alle ogenschijnlijke scherpte, in wezen gemoedelijk is.

'Het enige dat aan vrouwen ontbreekt', schrijven de heren Goncourt op 8 maart 1863 in hun dagboek, 'is een sleutel in hun navel, die je zou kunnen omdraaien, een kachelklep die je zou kunnen sluiten en die hen zou verhinderen kinderen te maken, wanneer je die niet van haar zou willen hebben.' Afgezien van de vraag of dat nu werkelijk het enige is dat er aan vrouwen ontbreekt, is het een benadering waarmee je je vandaag de dag niet populair maakt.

Of kijk naar hun beschrijving van de manier waarop de oude prins Demidoff aan zijn gerief komt: 'Demidoff in een fauteuil, twee lakeien achter hem - een met een verguld zilveren suikertang om zijn tong in zijn mond terug te stoppen. Duverger (een actrice die een verhouding had met de prins) zegt over hem: 'Zijn tong komt altijd te voorschijn, maar zijn lid nooit.' De lakeien, ernstig en in livrei, met een servet in de hand. Een arts voelt hem de pols. Vóór hem, Duverger, naakt. Dan komt er een grote newfoundlander binnen die hem er bij Duverger probeert in te stoppen: 'Vlug, vlug', roept de arts op het moment dat Demidoff het begin van een erectie krijgt. En la Duverger snelt toe en pijpt hem.' De Goncourts hadden het verhaal van Flaubert, die het op zijn beurt weer van een arts had - en of het feitelijk juist is, enigszins gechargeerd of hoogst onredelijk doet er niet toe. Het is namelijk bovenal leuk - en dan geldt de diepe Italiaanse levenswijsheid s'il non e vero, il e ben trovato, als het niet waar is, dan is het toch goed gevonden. Je moet er vandaag de dag, net zo goed als in de late negentiende eeuw, alleen mee oppassen, alle modieuze en schaamteloze openhartigheid over onze intimiteiten ten spijt. Als je het zo vertelt, kun je het alleen maar aan je broer kwijt of aan een goede vriend.

Want kies je er toevallig een toehoorder voor uit die al jaren op De Groene Amsterdammer geabonneerd is, in Amsterdam-Zuid woont, of dikwijls bijeenkomsten bezoekt in de Rode Hoed, dan krijg je er gezeur mee. En als het echt tegenzit, wordt je uitgelegd dat het allemaal angst is - mannenangst, en daar is best wat aan te doen, je moeder, en zo, en praten helpt. Wat dat betreft zijn de dagboeken van de Goncourts nog altijd de lakmoesproef voor burgerlijkheid, al doet die zich inmiddels dan ook voor als een mengeling van fatsoen, redelijkheid en volwassenheid.

Is dat overdreven en valt het in werkelijkheid mee, kun je, anders gezegd, in dit van lusteloze pornografie zwangere tijdperk, waarin de vlezen je op iedere bushalte en iedere commerciële zender toelillen, gevaarloos met passages uit een negentiende-eeuws dagboek aankomen? Probeer dan deze, van 19 mei 1861, liefst in een gemengd gezelschap waarin het aantal zaktelefoons onder, en het aantal creditcards boven het landelijk gemiddelde ligt: 'Er schuilen twee vrouwen in de vrouw: ten eerste de vrouw en dan de menstruerende vrouw.' Lees het voor, vermijd er licht verontwaardigd bij te kijken - en het levert geheid een scherpe daling op van uitnodigingen voor etentjes en verjaarspartijtjes.

'De eerste is een zachtmoedig, welwillend en van nature toegewijd dier', gaat het citaat van de heren verder, 'de tweede is een krankzinnig, gemeen dier dat een wrang genoegen schept in het leed van degenen die in het leven een band met haar hebben. En het is dit laatste dier dat levenslang één week van iedere maand van de vrouw afneemt en op veertigjarige leeftijd gedurende vijf, zes of zeven jaar bijna volledig de plaats van het andere zal innemen.'

Dat kan, zo weten wij allen, dus echt niet meer - maar dat is, zo weet ongeveer een kwart van ons, hilarisch goed gezien en, uuh, vermoedelijk juist, al valt het niet mee er, na dat enigszins bedremmeld geconstateerd te hebben, niet meteen aan toe te voegen dat het natuurlijk onredelijk is en onkies, en dat zij er ook niks aan kunnen doen en dat wij makkelijk praten hebben.

'Niets is zo geschikt om een man ongelukkig te maken als de toewijding en genegenheid van een vrouw': ook die is raak - en al evenzeer taboe. Het is zeker niet algemeen bekend, maar dat taboe is ontstaan doordat vermoedelijk ook het omgekeerde waar is - al is zeggen dat al dat mannelijke begrip funest is, op zijn beurt het grootste taboe van de drie.

Elf jaar geleden verscheen een eerste selectie in Nederlandse vertaling uit de dagboeken van de gebroeders Goncourt in de reeks Privé-domein. Die bood een algemene indruk van hun stijl en belevenissen. Nu is er een tweede, die door De Arbeiderspers onder de ellendige titel God, geld en seks in de handel wordt gebracht.

Dat is daarom zo lamlendig doordat de heren zo voor een karretje gespannen worden. Wat is in de mode? God, seks en geld, inderdaad, en als je nu koket suggereert dat de Goncourts daar leuk over zijn, dan zit je omzettechnisch gesproken als uitgever goed.

Maar je vlakt hun scherpe pen er op het eerste gezicht mee af. Ze worden er even een soort Youpen van 't Hek van, mannen van de 'moet kunnen'-grappen - figuren die ogenschijnlijk aanhoudend over de schreef gaan, maar die ondertussen gerust aan alle mogelijke soorten en maten borsten gedrukt kunnen worden. Het intrigerende aan de observaties van de Goncourts is echter dat ze, ook honderd jaar nadat ze werden opgeschreven, nog de reële grens verkennen van wat 'echt niet kan' - en dat dat nog altijd zo onbedaarlijk grappig is. Want het is er met de tolerantie van de bourgeoisie, die in die dagboeken weergaloos geschilderd wordt, natuurlijk niet veel beter op geworden, sedert het Parijs van het tweede keizerrijk.

Michaël Zeeman

Edmond & Jules de Goncourt: God, seks en geld.

Gekozen, vertaald en bezorgd door Edu Borger.

De Arbeiderspers; 310 pagina's; * 49,90.

ISBN 90 295 1652 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden