De machtigste souffleur van het land

WILLEM HUBERT NOLENS Geboren: 7 september 1860 in Venlo. Kamerlid: vanaf 1896 tot zijn dood, woonde al die tijd bij Haagse nonnen....

JAN JOOST LINDNER

'DE monseigneur' werd hij genoemd, wat hij - bij alle bescheidenheid - ook prettig vond. Willem Hubert Nolens was geen bisschop, maar wel, vanaf 1910, 21 jaar lang onbetwist en vaak autoritair leider van Nederlands grootste partij, de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP). Zijn bijnaam dankt hij aan de vele pauselijke eerbewijzen, waarvan hij er overigens enkele weigerde om de protestanten niet nog meer kopschuw te maken voor paaps triomfalisme.

'De sfinx' heette hij ook wel, met nog meer recht dan de volgende grote katholieke leider, Carl Romme. Nolens sprak weinig - en dan nog kort en droog - in de Tweede Kamer, waarvan hij 35 jaar lid was. Hij overlegde zelden, maar regisseerde lastige politieke situaties met een summier fluisterwoord aan regeerders en parlementaire leiders. 'De groote souffleur', schreef de liberale journalist D. Hans.

Wat er in die periode gebeurde in de Nederlandse politiek, was 'Nolens volens', zoals Nolens het wil, zei premier De Geer in 1927 bij het veertigjarig priesterfeest van de katholieke leider. Dat gold bij uitstek niet voor de voorafgaande twee jaar. Nolens heeft allerminst gewild dat eind 1925 in 'De Nacht van Kersten' het gezantschap bij de paus werd weggestemd. Op zich al een klap in het gezicht van katholiek Nederland, maar ook de doodsklap voor het kabinet-Colijn I, enkele maanden eerder mede door Nolens zelf in elkaar gezet.

De formatie daarna was nog minder 'Nolens volens'. De Geer maakte na een geheime opdracht van koningin Wilhelmina een eigen kabinet zonder Colijn en werd daarbij - al evenzeer in het geheim - geholpen door ex-premier Ruijs de Beerenbrouck. (Nolens had deze partijgenoot in 1925 gedecideerd vervangen door Colijn.) Dit nieuwe kabinet-De Geer berustte in de opheffing van het gezantschap, wat Nolens' onvrede nog meer vergrootte.

De Limburgse priester was met Colijn de belangrijkste politicus van voor 1930. Hij bespeelde kabinetten vanaf 1910 en domineerde de kabinetsformaties van 1918 tot en met 1925. Hij was de meest talentvolle én de hartstochtelijkste politieke speler van die periode. Ongenaakbaar, vaak diep eenzaam, collega's afstotend met zijn scherpe tong, hoog verheven boven het kiezersvolk (dat hij nooit naar de mond praatte) en zonder het charisma van een Schaepman of een Romme was hij toch oppermachtig.

Hij wist het meest, lette het scherpst op en stond zichzelf nooit toe een fout te maken, want dat zou op zijn kerk terugslaan. 'Een man van groot vernuft en zeer vlugge bevatting', schreef de historicus L.J. Rogier. En: 'Reeds zijn zwijgend kritisch luisteren was een geducht wapen.' Beroemd zou zijn zegelring blijven waarvan de tik tegen de loden inktkoker een fractiegenoot dwong tot een snel einde van diens speech. Soms volstond een kuchje.

Nolens gaf zijn fractieleden wel ruimte voor zelfstandigheid. Maar ze moesten geen kletsmeiers zijn - die schoffelde hij genadeloos onderuit. Ooit zei een fractielid die in zijn bankje zat te lezen: 'Ik studeer, monseigneur.' Nolens: 'Goed zo, m'n jongen. Alleen, ik studeerde vóórdat ik naar de Kamer ging.'

Weinig katholieken durfden in die tijd een priester, tevens partijleider en hoogleraar, te weerstaan. Toch vielen tien RKSP'ers uit de regeringsboot bij de Vlootwet-crisis van 1923, maar het is twijfelachtig of hun fractieleider dat erg vond. Premier Ruijs wel: 'God regeert toch', mompelde die.

Er was eerder de rebelse fractiegenoot Victor de Stuers, die Nolens, nog wel in een ordedebat, frontaal aanviel. En de springerige Bomans (vader van Godfried). En Pieter Aalberse, die tienduizend gulden op de begroting wilde voor tbc-bestrijding, wat Nolens afweerde als 'uitgebreide staatszorg'. Aalberse won door aan te tonen dat er tien maal zo veel was uitgetrokken voor tbc-bestrijding bij het vee.

Aalberse, een sociaal vernieuwend minister na Troelstra's vage revolutiepoging in 1918, vond in Nolens toch een bondgenoot en leermeester. Samen pakten ze in 1921 premier Ruijs aan, toen die de sociale uitgaven te hoog vond. Ruijs zou altijd meer de man van de charitas blijven, terwijl Nolens en nog meer Aalberse de staat wilden laten ingrijpen als de particuliere sector tekortschoot. Nolens heeft de stoot tot de Staatsmijnen gegeven, omdat eigenaren van mijnconcessies meer speculeerden dan lieten delven.

De fractieleider maakte Ruijs in 1918 premier, omdat hijzelf als priester niet aanvaardbaar was voor CHU, AR en Wilhelmina. De eerste katholieke premier was toch al een hele trek, en prolongatie in 1922 en 1923 (na de Vlootwet-crisis) evenzeer.

Tussen de extraverte Ruijs en Nolens heeft het nooit echt geboterd. Nolens vond Ruijs te oppervlakkig en te weinig klemvast. Hij prefereerde in 1925 de sterkere Colijn. Maar die werd in 1926 gewipt door De Geer en Ruijs. En ook in 1929 overgeslagen, toen Ruijs, zonder zijn partijleider ook maar te raadplegen, een extra-parlementair kabinet maakte. Ruijs zei liever een pink te verliezen dan iets aan Nolens te vragen.

Deze was furieus, werd gezegd, maar dat was niet zichtbaar. 'Wij hebben Dr. Nolens nog nimmer in emotie gezien', schreef de journalist C.K. Elout. Maar Ruijs en zijn ministers kregen een uiterst koele ontvangst in de Kamer. In 1930, een jaar voor zijn dood, werd er nog een verzoeningsgesprek geregisseerd, maar echt goed kwam het niet meer. Volgens Nolens was ook 'de Coalitie' van de confessionele partijen aan het aflopen, maar dat weet hij vooral aan de irrationele en anti-katholieke CHU. 'Daar zit geen lijn meer in.'

In zijn laatste levensjaar verwachtte de priester, ooit door Domela Nieuwenhuis geprezen om zijn 'rode' teksten, een spoedig regeerverbond tussen RKDSP en SDAP. (Het zou nog tot 1939 duren.) Eerder had hij de 'revolutionairen' van 1918 daarvoor niet rijp geacht. Maar een bisschoppelijke uitspraak dat het helemaal niet mocht, wees hij af. Dat ontnam Nolens een dreiging tegenover de protestantse partijen. De RKSP-leider vond een ontwijkende formule, zijn 'doctrine': 'Alleen bij uiterste noodzaak' (dus als rechts het te bont maakte) kon er met de socialisten geregeerd worden.

De SDAP, nog anti-christelijk en zeker tegen priesters in politiek en vakbeweging, bewonderde Nolens heimelijk. De 'monseigneur' had altijd de waardigheid van mijnwerkers en andere arbeiders verdedigd. En met kennis van zaken bevorderd in tal van nationale en internationale fora. Nolens was pijnlijk eerlijk en soms verrassend kritisch ten opzichte van het door aristocraten (vrienden van Ruijs) en handelslui gedomineerde eigen milieu. Een stroef en kortaf, maar zeer geslaagd politicus met een groot hart.

Jan Joost Lindner

Dit is de tiende aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden