De loodgieter van de geschiedenis

Historicus Carlo Ginzburg pendelt tussen Italië en Los Angeles. Dat dwingt hem te zoeken naar universele waarheden. Want hoe moet je anders Aziatisch-Amerikaanse studenten interesseren voor de Italiaanse renaissance?...

'LEREN is moeilijk', zegt Carlo Ginzburg gelaten. 'Het idee dat de geschiedenis leren kennen gemakkelijk zou zijn of dat we de geschiedenis kunnen gebruiken voor onze eigen hippe doelen, is in wezen diep patroniserend. Wie dat beweert of nastreeft, is hypocriet. Mij heeft het altijd verbaasd dat dezelfde kinderen die idolaat worden gemaakt voor sport en aangemoedigd worden daar ongekende inspanningen voor te leveren, de geschiedenis op maat gesneden, zo licht verteerbaar en gemakkelijk mogelijk voorgezet moeten krijgen. Wie heeft het er bij sport over dat er aansluiting bij de belevingswereld van scholieren en studenten gevonden moet worden?'

Hij is drieënzestig en een wereldwijd vermaard en gerespecteerd historicus, maar kom je op de modieuze pogingen het verhaal van het verleden of de academische discipline van de geschiedenis aan te passen aan de fragmentarische of politiek correcte belangstelling van de doelgroep, dan steekt de polemicus in hem terstond de kop op. Een moralist, op de bres voor oude waarden, een geleerde die het niet schuwt zijn veilige studeerkamer te verlaten en het openbare debat aan te gaan. Hij deed het in De rechter en de historicus, toen hij zijn academische statuur en raffinement aanwendde om te interveniëren in de Italiaanse rechtspraak, hij doet het nog steeds in zijn historische essays - en in de keuze van zijn onderwerpen.

Vreemd is het niet, voor wie zijn familiegeschiedenis kent. Zijn vader, Leone Ginzburg, van origine een Russische jood, was een linkse Italiaanse intellectueel, die in 1944 door de Duitsers werd vermoord. Zijn moeder, Natalia Ginzburg, was de schrijfster, wier werk en levensloop onlosmakelijk verbonden zijn met de geëngageerde stem in de naoorlogse Italiaanse cultuur. De ivoren toren is hem, met andere woorden, vreemd.

In zijn Nexus-lezing, komende vrijdag in Tilburg, zal hij ingaan op de globalisering, vanuit historisch perspectief én met het oog op de gevolgen die de globalisering heeft voor de geschiedschrijving. Alle geschiedschrijving begint met het perspectief van de geschiedschrijver, met diens vooroordelen en zijn impliciete vooronderstellingen. Het is bekend, verliezers hebben geen geschiedenis, slechts de geschiedenis der overwinnaars telt. Die bepalen de lijn van het verhaal, die besluiten om welke onderwerpen het begonnen is.

Traditioneel zijn dat perspectief en de keuze van onderwerpen derhalve bepaald door het Westen. De kolonisator kan de geschiedenis van het imperialisme schrijven, de gekoloniseerde heeft geen stem. Door de globalisering verandert het perspectief, maar ook de thematiek. Nieuwe groepen en voorheen onderdrukte culturen komen het recht op hun geschiedschrijving opeisen, met alle gevolgen voor de gangbare geschiedbeoefening.

In zijn Nexus-lezing neemt Ginzburg het levensverhaal van een Zwitserse calvinist - eind zeventiende, begin achttiende eeuw - onder de loep, een man die jarenlang in Batavia voor de VOC werkte, voorstellen deed voor de kolonisering van Zuid-Afrika en ten slotte in South-Carolina aan zijn eind kwam. Maar wiens geschiedenis is dat, die van een VOC-employé of die van zijn slachtoffers? A local approach to globalization, luidt de ondertitel van Ginzburgs lezing, en ook dat is karakteristiek: Ginzburg bedrijft bij voorkeur microgeschiedenis, geschiedenis op lokaal, individueel niveau.

Zelf is hij in zekere zin het voorbeeld geworden van de historicus in het tijdperk van de globalisering: hij doceerde jarenlang in Bologna, maar is sedert 1988 hoogleraar aan de University of California in Los Angeles. Tegelijkertijd bleef hij een deel van het jaar in Bologna werken. Dit academisch jaar is hij op verlof in Italië, waar hij eerdaags een gasthoogleraarschap aan de universiteit van Siena zal gaan vervullen. In zijn essaybundel Occhiacci di legno ('Houten ogen', de titel is ontleend aan Pinocchio) verdiepte hij zich in de vragen waarmee de historicus die op wereldschaal gaat werken geconfronteerd wordt.

- Was het vervreemdend om de Italiaanse renaissance uit te leggen aan studenten van Afro-Amerikaanse, Aziatisch-Amerikaanse en Hispano-Amerikaanse komaf, aan de westkust van de Verenigde Staten?

'Er trad beslist een zeker vervreemdingseffect op, en dat kwam voort uit het belang dat mijn onderwerpen deze volslagen anders gevormde studenten inboezemde en uit enkele eenvoudige vooronderstellingen over die onderwerpen die ik er zelf op na hield. Ik ben de essays in Occhiacci di legno gaan schrijven omdat ik dat wel begreep. Wat voor mij gewoon en vertrouwd was, mijn thema's en mijn manier van kijken, was het voor hen niet. Dat veranderde mijn beeld van wat ik deed.

'Aan de andere kant maakte mijn eerdere werk de overgang minder dramatisch voor mij. Wanneer een historicus bijvoorbeeld over de Franse Revolutie schrijft, dan kan de relevantie daarvan voor zijn publiek voetstoots aangenomen worden - ook als hij aan de andere kant van de wereld gaat werken. Dat is immers voor de hele wereldgeschiedenis van belang. Maar als iemand midden jaren zeventig geschreven heeft over een molenaar uit de Friuli, zoals ik in De kaas en de wormen heb gedaan, een boek over een volslagen onbekende figuur, dan staat dat niet vast. Niet alleen niet voor Californische studenten, ook niet voor Italiaanse. In die zin heb ik altijd gewerkt aan onderwerpen waarvan het belang moest blijken uit het materiaal zelf.'

- U was oorspronkelijk vooral een cultuurhistoricus, maar u ontwikkelde zich in die essays gaandeweg tot geschiedfilosoof. Bevordert de globalisering van de geschiedenis de behoefte tot filosoferen?

'De aandrang tot zelfbespiegeling maakte al deel uit van mijn werk, maar het werd allengs belangrijker om voor mijzelf en mijn publiek te rechtvaardigen wat ik aan het doen was. Dat werd nog bevorderd door mijn behoefte aan polemiek. Ik ben in Los Angeles juist zo gelukkig geweest doordat ik er zoveel aantrof waar ik tegen ten strijde wilde trekken. Er was iets in de intellectuele atmosfeer waar ik mij erg tegen verzet, en dat is die slappe postmoderne attitude.

'De uitdaging was om die houding, die zichzelf ''theorie'' noemt, te weerspreken, op niveau en met de scherpste argumenten. Ik stelde namelijk vast dat in Californië veel van mijn beste studenten in de valkuil van dat soort theorievorming liepen.'

- Wat impliceert dat op het alledaagse niveau, wanneer een zaal met studenten tegen u zegt, 'uw geschiedenis is de onze niet', zoals studenten van buiten Europa vandaag de dag zo dikwijls doen?

'Daar is altijd wat aan te doen. Zou ik het bijvoorbeeld over het Risorgimento (de eenwording van Italië in de negentiende eeuw, red.) hebben, dan zou ik subiet de vergelijking trekken met het nationalisme van India. De parallellie is opvallend en intrigerend. Er bestaat zelfs een Indiase lezing van Gramsci's boek over het Risorgimento. Ik herinner me een discussie in Calcutta, in 1988, met Indiase historici, die geïnspireerd waren door Gramsci, omdat hij de enige historicus was die de rol van de boeren serieus nam. Maar ook zou je kunnen kijken naar de parallellie tussen de relatie Cavour en Mazzini enerzijds en Gandhi en Nehru anderzijds. Nu ik erbij stil sta lijkt mij juist het Risorgimento bij uitstek geschikt om ook buiten Europa te behandelen.

'Maar tegelijkertijd impliceert ook die gedachte een soort vervreemding, want ze zou niet opgekomen zijn bij de gemiddelde historicus van dat onderwerp of van die tijd. Waar het om gaat is dat we met een zekere distantie naar onze eigen onderwerpen en perspectief leren kijken.

'Het werkelijke probleem schuilt namelijk niet in de thematiek, maar in een etnocentrisch perspectief. Het gaat er niet om of we over een molenaar spreken of, zoals in mijn boek over de Benandanti, een heksencultus, maar of we stilzwijgend aannemen dat het onderwerp wel van belang moet zijn omdat het Italiaans, Frans of Brits is.

'Als ik maar kan laten zien dat er iets groters aan de hand is, iets dat een Italiaans gezichtspunt ontstijgt. Het gaat erom dat je de verbindingen tussen geschiedens en antropologie blootlegt.'

Dat is makkelijk wanneer een historicus macro-geschiedenis bedrijft: was u William McNeill en keek u naar ontwikkelingen op wereldschaal gedurende duizenden jaren, dan was het duidelijk. Maar u werkt op micro-niveau. Gaat het dan over universele waarheden?

'Er bestaat een convergentie tussen micro- en macro-geschiedenis: vervreemding van het perspectief kun je op beide niveaus gewaar worden. Het minst interessant is de meso-geschiedenis, die vaak de nationale geschiedenis is. Op dat niveau vind je ook de meeste vooronderstellingen, bijvoorbeeld dat de menselijke geschiedenis onvermijdelijk en uiteindelijk geleid heeft tot de creatie van nationale staten. Vandaag de dag kunnen we al zeggen - zowel in Europa als elders - dat nationale staten een tijdelijk fenomeen zijn.'

- U probeert die kwestie van het perspectief ter discussie te stellen door allerlei begrippen te gaan analyseren: mythe, utopie, afstand, representatie. Alsof de confrontatie met het cultuur-relativisme u dwong de gangbare filosofische noties opnieuw onder ogen te zien.

'Tien jaar lang was er die irritatie; nu ik voor langere tijd terug ben in Italië en mij bezighoud met Machiavelli besef ik pas hoe sterk die geweest is. Al dat gepraat over de theorie suggereert namelijk dat er argumenten zijn tegen het empirisme van de historicus. Maar als dat het idee is, dan is die theorie blind. Ik probeerde mijn studenten juist terug te leiden naar het empirische werk: in de geschiedenis moet de theorie van binnenuit komen, niet van buitenaf worden opgelegd. Natuurlijk, de historicus deconstrueert eerst - hij stelt het gangbare beeld ter discussie. Maar vervolgens moet hij weer gaan construeren, want zonder beeld van het verleden, zonder verhaal, gaat het niet.

'De grens tussen een fictief verhaal en een historisch verhaal heeft mij altijd beziggehouden. Als je nu maar lang genoeg gaat relativeren, komt die grens vanzelf te vervallen. Dan doet het er niet meer toe of je een verhaal verzint of met veel moeite een geschiedverhaal vertelt. Dat bevalt mij dus niet, zeggen dat alles constructie is en dat ten diepste alles fictie is. Dan ontken je de moeite, je maakt het jezelf gemakkelijk.

'Het zoeken naar de grens tussen fictie en geschiedenis levert een bijzondere aandacht op voor stijl. In de Verenigde Staten moest ik uitleggen waarom ik meer geloof hecht aan de versie van de vroegste Amerikaanse geschiedenis waarin de indianen uit Azië gekomen zijn dan aan die, die stelt dat ze uit de aarde zijn voortgekomen: de eerste is de geschiedversie van de antropologen, de tweede die van de Indianen zelf. De relativist vaagt het verschil ertussen weg.'

- Dat is toch niet alleen een kwestie van relativisme? Veel van dergelijke herschrijvingen van de geschiedenis hebben een begrijpelijk politiek doel? Denk aan Black Athena, van enkele jaren terug, dat de oorsprong van de Helleense beschaving in Afrika probeerde te vinden.

'Dan wordt het weer interessant: dan moet je gaan kijken naar het waarom van zo'n mythe. Maar dat is iets anders dan die mythe in plaats van de geschiedenis stellen. Je moet laten zien hoe leugens dienstbaar gemaakt worden aan politieke doeleinden. Het heeft geen zin om louter positivistisch te zijn en de geschiedenis tegemoet te treden als een onbesmet erfgenaam van de Verlichting: alleen de gunstige ontwikkelingen tellen. Nee, de stem van de Romantiek mag evengoed gehoord worden - maar wel binnen de kaders van de Verlichting.

'Want u weet hoe het is met relativisten, in laatste instantie geloven zij zichzelf niet. Ooit een relativist ontmoet die ook zijn creditcard-nummer niet serieus nam? Er zit altijd iets hypocriets in, het miskent de complexiteit.'

- Vroeger schreef u over ketters, outsiders, eenlingen, verschoppelingen. Als u nu een wereldreiziger uit het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw volgt, dan ligt het voor de hand te verwachten dat u het opneemt voor de volkeren die hij ontmoette. U staat traditioneel niet aan de kant van de kolonisator, maar aan die van de gekoloniseerde. Maar hoe moet dat, want we weten weinig tot niets van de gekoloniseerde af?

'Alles wat je erover zegt moet uit het materiaal zelf komen. Dat is een kwestie van heel scherp opletten. Zoals je een slow food-beweging hebt, propageer ik een techniek van langzaam lezen. Iedere tekst heeft lekken, ook de teksten die de kolonisatoren nalieten. De historicus moet zich gedragen als de loodgieter van de geschiedenis en die lekken opsporen. Dat is precisiewerk, waar je veel geduld voor moet hebben - maar het levert oneindig veel meer op dan het de geschiedenis gemakshalve reduceren tot iets dat dienstbaar is aan een politiek doel.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.