De lokroep van ja

Hoogleraar filosofie Marli Huijer schreef boeken over 'discipline' en 'ritmisch leven'. Ze kreeg daardoor zo veel werk, dat ook zij geen tijd meer overhield. Voor V beschrijft ze hoe zij daarmee is omgegaan.

Tot voor kort had ik de regie over mijn tijd stevig in handen. Ik werkte twee tot drie dagen per week buitenshuis en twee tot drie dagen thuis. Vrijdags ging aan het einde van werkdag de computer uit en daarmee verdween ook elke gedachte aan werk. De zaterdag en zondagochtend waren werkvrij. Pas op zondagmiddag keek ik weer eens naar de mail of las ik stukken voor de volgende dag.


Dat vaste patroon van werk en vrije tijd is te danken aan de boeken die ik schreef over 'discipline' en 'ritmisch leven'. Ik praktiseerde wat ik had uitgedacht. En dat pakte goed uit: zodra het werk er op vrijdag op zat, genoot ik van een weldadige rust, die het hele weekend voortduurde. Ook mijn omgeving wekte de indruk content te zijn met dit strakke ritme van werk en vrije tijd. Man, kinderen en vrienden wisten wanneer ik er voor hen was en wanneer niet.


Maar de afgelopen maanden ben ik de regie kwijtgeraakt. Steeds vaker ben ik 's avonds aan het werk en ook in het weekend moeten er nog klussen worden afgehandeld. Een honderd procent werkvrije dag lukt ineens niet meer. Mijn omgeving werpt me bezorgde blikken toe: werk je niet te hard?


's Nachts schrik ik wakker met op mijn netvlies het beeld van Carsten Schloter, de topmanager bij het Zwitserse telecombedrijf Swisscom die in 2013 zelfmoord pleegde. In de media verschenen naar aanleiding van zijn zelfmoord berichten over de enorme werkdruk bij topmanagers. Door de onophoudelijke stroom aan informatie die via de smartphone op hen afkomt, blijven ze continu bezig. Tot rust komen of het tempo verlagen lukt dan niet meer, zo gaf Schloter zelf eerder in een interview aan.


Ook ik schrik er de laatste tijd niet voor terug om nog meer werk te verrichten in nog minder tijd. Dat kan lange tijd goed gaan, vooral als je werken onder tijdsdruk leuk vindt. Maar ergens stuit dat oprekken van de tijd op een grens, leert de arbeidspsychologie. Dat moment komt vaak onverwacht. Je bent steeds harder gaan rennen en opeens rijst er een muur op uit de grond, waar je in volle vaart tegenaan botst. Van het ene op het andere moment ligt alles stil.


Hoe dat te voorkomen? Hoe breng ik de discipline op om op tijd te stoppen?


De meest voor de hand liggende oplossing is om minder te gaan werken. In mijn boek Ritme schreef ik dat een pauze halverwege de week een mens de energie geeft om de rest van de week er volop tegen aan te gaan. Het moment leek me daar om zelf uit te proberen of dat echt zo werkte. Ik diende voor een halve dag per week mijn ontslag in en riep tegen wie het maar horen wilde dat ik vanaf nu op woensdagochtend vrij zou zijn. Eindelijk tijd om midden in de week met vrienden te schaatsen en na afloop koffie te drinken.


Maar dat nieuwe ritme bleek minder aangenaam dan verwacht. De woensdag was altijd mijn schrijfdag geweest. Lummelen op dat moment van de week voelde niet goed.


Ook op het werk pakte het nieuwe ritme niet goed uit: alle bijeenkomsten waar collega's elkaar ontmoeten, bleken op de woensdag gepland. Waarom was me dat eerder niet opgevallen?


Wat ik bovendien over het hoofd had gezien, was dat een halve dag minder werken, ook een halve dag minder werk moest betekenen. Dat had ik vergeten te regelen.


Wat me vooral nekte, was dat er door de verschijning van mijn recente boek over discipline werk bij kwam. Ook in dit boek draag ik het ritmische leven aan als een remedie tegen ongedisciplineerd hard werken. Door op periodiek terugkerende momenten rust te nemen, voorkom je dat je aan de drive om steeds harder te werken ten onder gaat, zo luidt mijn stelling.


Dat kan wel zo zijn, dacht ik afgelopen tijd, maar het lukt ook mij niet om dat ritme daadwerkelijk vast te houden. Vooral niet omdat er in plaats van minder meer werk op me af kwam.


Na radio- en televisieoptredens over het boek zat mijn mailbox vol reacties van luisteraars en kijkers en verzoeken om interviews, lezingen en artikelen. Mijn voornemen om niet gevoelig te zijn voor aandacht bleek onhoudbaar. De verlokkingen van de publieke erkenning waren misschien toch groter dan de wil om me te beperken tot het werk van alledag. Vrolijk zei ik 'ja' tegen uitnodigingen om ergens te komen spreken. Eén avond doorwerken kon toch niet het verschil uit maken?


Die verlokkingen brachten me er ook toe om steeds vaker de mail te openen om te checken of er wellicht nieuwe reacties waren. Dat openen van de mail is in mijn geval een hele klus, omdat ik uit zelfbescherming mijn mail alleen online lees. De tijd die het invullen van inlognaam en wachtwoord kost, weerhoudt me er gewoonlijk van steeds naar de mail te kijken. Maar nu dus niet. Tientallen keren per dag vulde ik verwachtingsvol de complexe combinatie van letters en cijfers in.


De eerste dagen probeerde ik de mails keurig één voor één te beantwoorden. Zo hoort dat, meende ik. Wie de moeite neemt een ander een brief of mail te sturen, mag verwachten dat hij een reactie terugkrijgt. Maar na verwoede pogingen om de hoeveelheid werk die dat met zich meebracht, in te passen in mijn bestaande ritme van rust en activiteit, gaf ik het op. Hoezeer ik ook probeerde om het tempo en de intensiteit van het werk te verhogen, ik slaagde er niet in om het werk binnen de perken te houden. Sterker nog, het leek erop dat er steeds meer werk op me afkwam naarmate ik efficiënter werkte.


Mensen die met plezier hard werken kunnen er altijd nog wel een klusje bijnemen, wist ik uit een tijdbestedingsrapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Zo zag ik mezelf ook: als iemand die voor haar plezier werkt en dus niet moeilijk doet over een paar uur extra werk. Die moraal van 'niet moeilijk doen' past bij een werkethiek die voortkomt uit de tegencultuur van de jaren zestig en zeventig, laten de Franse sociologen Luc Boltanski en Ève Chiapello zien.


De linkse kritiek op het Taylorisme met zijn geestdodende repetitieve taken, lopendebandwerk, vaste werktijden en rationele, hyperefficiënte organisatie van het arbeidsproces, was voor managers reden om meer vrijheid op de werkvloer in te brengen. Werknemers werden als creatieve individuen gezien die zelf initiatieven nemen en zelf de verantwoordelijkheid voor het werk dragen. Vaste werktijden vormden een belemmering voor die vrijheid. Echte vrijheid, creativiteit en verantwoordelijkheid zijn gebaat bij een inzet die dag en nacht doorgaat.


Onder invloed van die nieuwe werkethiek zijn steeds meer werknemers bereid om ongelimiteerd hard te werken. Niet voor de werkgever, maar voor zichzelf: je ontplooit jezelf, ontwikkelt je talenten en vergroot je vakmanschap door flink veel uren te maken. En als dank voor dit harde werken wacht de erkenning: een extra bonus van het bedrijf, een subsidie voor een wetenschapsproject, een literaire prijs, een benoeming op een hogere positie of applaus van het publiek.


Het lastige van het harde werken omwille van de zelfontplooiing is dat er geen grenzen aan zijn. Je bent nooit af. Geen vakbond houdt me tegen als ik uit vrije wil tachtig uur per week werk. En ook de werkgever verbiedt me niet om meer uren te maken dan waarvoor ik ben aangesteld. De discipline om te stoppen met werken, moet geheel en al uit mijzelf komen. Maar juist dat 'ik' is zo gevoelig voor de lokroep van vrijheid, creativiteit en erkenning. En juist dat 'ik' voelt zich o zo verantwoordelijk voor het afleveren van goed werk.


Hoe voorkom ik dat ik steeds harder en sneller ga werken? Terug naar het vaste ritme, heb ik me voorgenomen. Maar omdat voornemens weinig voorstellen als er buiten mijzelf niemand is die me daaraan houdt, heb ik mijn omgeving ingeschakeld. Ik spreek met naasten en collega's af dat ik na zeven uur 's avonds niet meer werk en in het weekend op zijn vroegst op zondagmiddag weer wat doe. Die belofte dwingt me om veel vaker dan voorheen 'nee' te zeggen tegen extra klussen of uitnodigingen, hoe leuk of interessant ze ook zijn.


Op de korte termijn is dat besluit onbevredigend: niet alleen kost de afweging om 'ja' of 'nee' te zeggen tijd, ook het schrijven van een vriendelijke afwijzing is tijdrovender dan een spontaan verzonden mailtje met 'Ja, leuk!'. Maar op de lange termijn levert het zeeën aan tijd en rust op.


Dat 'nee' zeggen betekent ook dat ik bestand moet zijn tegen de tijdsdruk van anderen. De collega die op zaterdagochtend een sms stuurt met het dringende verzoek om naar de mail te kijken, moet maar een dagje wachten, hoe groot ook de verleiding is om meteen een schermpje te openen.


De wilskracht om 'nee' te zeggen vind ik niet in mijzelf en al helemaal niet in mijn innerlijk. Daar tref ik vooral hunkering naar nieuwe ervaringen en een diep verlangen om overal 'ja' op te zeggen. Dat ik deze nietzscheaanse wil tot Bejahung vaak toch nog in bedwang weet te houden, dank ik aan mijn omgeving: die houdt me aan de beloften die ik doe. Soms kan een ziek kind dat een beroep op me doet of een partner die de vis klaar heeft staan, de redding zijn. Zij zorgen ervoor dat het werkpaard op tijd op stal staat en er tijd is voor vriendschap en al die andere zaken die het leven buiten het werk zo bijzonder maken.


Marli Huijer is auteur van Discipline. Overleven in overvloed en Ritme. Op zoek naar een terugkerende tijd.

Vijf tips voor gedragsverandering

Vijf effectieve hulpmiddelen om je gedrag te veranderen, uit Smart Change van Art Markman.

1 Optimaliseer je doelen


Stel een einddoel, liefst in positieve termen en deel dit doel op in specifieke, haalbare activiteiten.


2 Tem het Go System


Leer de triggers herkennen die ongewenste gewoonten op gang brengen, vervang oude gewoonten door nieuwe.


3 Versterk het Stop System


Besef dat het Stop System inspanning kost en tot uitputting kan leiden; stel een concreet plan op om met obstakels om te gaan.


4 Pas je omgeving aan


Let erop dat je omgeving zo min mogelijk factoren bevat die associaties oproepen met de af te leren gewoonten.


5 Schakel buren, collega's en vrienden in


Leer de invloed begrijpen van de gedeelde cultuur van mensen op elkaars gewoonten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.