de linkse lokroep in Latijns Amerika

door Paul Brill..

Er zijn figuren die ooit een pregnante rol speelden op het wereldtoneel, vervolgens uit het zicht verdwenen, en over wie je je vele jaren later afvraagt: zouden ze nog leven of zijn ze al dood? Zo iemand is Manuel Noriega, de Panamese leider met het pokdalige gezicht en de sardonische grijns, die door zijn repressieve optreden en zijn innige connecties met Latijns-Amerikaanse drugskartels de toorn van de Verenigde Staten wekte en in 1989 met een Amerikaanse militaire actie werd afgezet en gevangen genomen.

En jawel, hij leeft nog. Verblijfplaats: een gevangenis in Miami, Florida. In die staat werd hij in 1992 tot veertig jaar celstraf veroordeeld wegens deelname aan drugshandel, afpersing en het witwassen van zwart geld. De straf is inmiddels teruggebracht tot dertig jaar, maar dat betekent dat hij nog altijd zo’n vijftien jaar achter slot en grendel moet blijven. Gezien zijn leeftijd (68) is de kans klein dat hij nog in ruime mate de vrijheid zal proeven.

Waarom waren de Amerikanen destijds ook alweer zo gebeten op Noriega, die in een eerdere fase had gefungeerd als CIA-informant? Hij was ontegenzeglijk een schurk, die zich illegaal verrijkte en er niet tegenop zag om een tegenstander te liquideren. Maar hij vormde geen direct gevaar voor Amerika’s strategische belangen en vond ook weinig weerklank in de rest van Latijns Amerika. Hij viel echter ten prooi aan overmoed, manipuleerde schaamteloos verkiezingen, tartte de VS op steeds driestere wijze en ging zelfs zo ver om Amerikaanse militairen (aanwezig in de zone van het Panamakanaal) te bedreigen. Uiteindelijk meende Washington dat het Amerikaanse gezag in de regio te zeer zou worden aangetast als men dit over zijn kant zou laten gaan, en werd besloten in te grijpen. Saillant detail: de president die zijn fiat gaf aan de operatie Just Cause, had ooit als CIA-directeur Noriega op de loonlijst gezet. Dat was George Bush sr.

Herinneringen aan het geval-Noriega dringen zich dezer dagen op omdat de Amerikanen opnieuw worden geconfronteerd met een Latijns-Amerikaanse strong man die hen het bloed onder de nagels vandaan haalt: Hugo Chávez van Venezuela. En anders dan Noriega beschikt hij over de middelen om de daad bij het anti-Amerikaanse woord te voegen. Met zijn oliegelden kan hij her en der op het continent geestverwanten een duwtje in de rug geven en doelen steunen die zijn eigen aanzien vergroten.

Dat gebeurt met wisselend succes. De verkiezingen in Bolivia leverden hem een nieuwe bondgenoot op in de persoon van winnaar Evo Morales. Maar in Peru werkte Chávez’ openlijke steun aan de links-nationalistische legerkandidaat Ollanta Humala averechts. Ondanks een belast verleden won de gematigde sociaal-democraat Alan García, over wie Chávez had gezegd: ‘Ik bid tot God dat hij geen president wordt.’

Niettemin kan over de hele linie in Latijns Amerika een beweging naar links worden waargenomen. Op een paar uitzonderingen na heeft het continent zich de afgelopen jaren (roze-)rood gekleurd. De volgende electorale halte bevindt zich in Mexico, en ook daar gooit de linkse kandidaat, Andrés Manuel López Obrador, hoge ogen. Gezien het verleden zou je dan ook verwachten dat in Washington een en ander met grote ongerustheid wordt gadegeslagen. Maar daarvan is weinig te merken. Zelfs aan de provocaties van Chávez worden niet veel woorden vuil gemaakt.

Hoe is dit te verklaren? Ik vraag het aan Howard Wiarda, hoogleraar aan de Universiteit van Georgia en verbonden aan de Washingtonse denktank Center for Strategic and International Studies (CSIS), die dezer dagen op bezoek is in het eerste vaderland van zijn grootouders. Hij is een Republikein van de oude stempel, dat wil zeggen de stempel van mensen als Brent Scowcroft en James Baker, en hij heeft zowel de regering van Ronald Reagan als die van Bush senior van advies gediend inzake Latijns Amerika.

Wiarda noemt twee redenen waarom er in Washington geen alarmbellen zijn afgegaan. De eerste is dat de strijd tegen het terrorisme vóór alles gaat. Verder malen de Amerikanen tegenwoordig veel minder om de kleur van regeringen in Zuid-Amerika dan tijdens de Koude Oorlog. En al helemaal niet als het gaat om landen die niet zwelgen in de olie en economisch nu eenmaal op de VS zijn aangewezen. Anders gezegd: mocht Paraguay alsnog het communisme willen omhelzen, dan is dat vooral een probleem voor Paraguay.

Wiarda betitelt de vermeende ruk naar links in Latijns Amerika als een notie die vooral Europese intellectuelen aanspreekt. Hij ziet nauwelijks een schakel tussen het Venezuela van Chávez met zijn hang naar het caudillo-tijdperk en het Chili van de sociaal-democratische president Michelle Bachelet, dat zich van alle Zuid-Amerikaanse landen het best weert op de wereldmarkt. Het grootste gevaar dat Latijns Amerika loopt is niet dat het naar links gaat, maar dat het vanwege een hang naar het verleden irrelevant wordt.

Maar kijken de Amerikanen dan zelfs niet met enige bezorgdheid naar de komende Mexicaanse verkiezingen? Ook hier vertrouwen ze op enkele simpele realiteiten, die vooral sinds het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsakkoord (Nafta) van 1994 onontkoombaar zijn. Zoals het feit dat 90 procent van de Mexicaanse uitvoer naar El Norte gaat. Zoals de vele Amerikaanse vestigingen in Mexico, die aan honderdduizenden werk bieden. De sociale en economische vervlechting maakt dat geen enkele president zich rare bokkensprongen kan veroorloven. En dus lijkt Washington zich in dit geval te houden aan het motto van John Calhoun dat soms ‘de hoogste wijsheid een meesterlijke inactiviteit’ is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden