De lichtheid van Potgieter

De twee Potgieterstraten die ik ken, hebben een weinig opwekkend karakter. De Amsterdamse had vroeger enige allure, door de bomen die er stonden, maar geleidelijk is hij donker en oud geworden....

Vrij van schuldgevoel ben ik de Amsterdamse Potgieterstraat nooit gepasseerd. Ik kende zijn werk niet goed. (Toen Menno ter Braak leraar Nederlands werd, meende hij een hogere klas op zijn hand te krijgen door in de eerste les te zeggen, nooit het werk van Potgieter te zullen behandelen. Hij is er niet populair mee geworden).

Nu passeer ik al een aantal jaren weer zo één keer in de week het pand Leliegracht 25 in Amsterdam. De schuldgevoelens worden heviger. In dat grote huis heeft Potgieter van 1855 tot zijn dood in 1875 gewoond, met zijn tante, een zus en een blind nichtje en dat is ook niet iets om vrolijk van te worden.

In 1879 kwam er aan het huis een gedenksteen. Drie jaar later, na een verbouwing, werd boven de monumentale deur een borstbeeld van de dichter en criticus geplaatst. Het rust op een paar boeken. De bovenste knoop van zijn vest is open. Hij kijkt alle tijd op een café aan de overkant van de gracht. Hij was zelf uiterst matig in spijs en drank, in zijn hele levensstijl trouwens. Op een ook na zijn dood geschilderde portret kijkt hij heel wat vriendelijker dan het beeld; hij lijkt met dat ringbaardje op een schipper zonder pet.

De vergaderingen van De Gids werden hier gehouden. Ik passeer het huis ook nooit zonder even bewonderend aan Busken Huet te denken. Hij is er vele malen naar binnen gegaan. (Het huis lijkt een koopmanshuis; omstreeks 1950 was het een pension; de dichter-journalist Michel van der Plas heeft er nog gewoond).

Potgieter bezocht Huet in diens huis in Bloemendaal, aan de Kleverlaan. Het was er buiten en zo luchtiger dan op de Leliegracht. Hij kreeg er ook luchtige gedachten en schreef na een bezoek in mei 1866 een ongewoon luchtig gedicht, dat opgeprikt als een vlinder lang in een oud boek heeft moeten liggen. Het heet Bij een gordijn. Een gordijn, dat in Huets woonkamer een kast afsloot, spreekt hier. Ik was verrast door de lichte toon. De eerste vier regels, een denkbeeldige vraag van de gasten, luiden zo:

'Waarom zulk een vlinderdrom,

vlinders uit elk jaargetijde,

aan- en afzweeft van rondom,

op- en neerstrijkt van weerszijde?'

Het taalspel houdt op een gelijke toon aan. In mijn geheugen zitten die zware gedichten als Florence en Gedroomd paardrijden, beide poëzie van een hoge jichtige soort - ik herken de dichter niet. Ik heb hem miskend.

Jan Oosterholt bracht in een kleine bloemlezing, die Uit de nalatenschap van een dromer heet, een aantal korte gedichten van Potgieter bijeen. Ze zijn bijna alle van een speelse soort die men eerder bij Starink zou zoeken.

De ogen op het geschilderde portret worden ineens een beetje olijk. En ik hoop dat wanneer ik een dezer dagen zijn huis passeer, de strakheid ook van zijn borstbeeld geweken is. En dat de grote deur van het huis niet langer een zeer zware ernst erachter suggereert.

De bloemlezing verscheen in de reeks Griffioen, waarin nu al jaren teksten uit de oudere letterkunde in herspelling en met inleiding verschijnen. De boekjes zien er ook nog eens schitterend uit. Maar ze leiden een even verborgen leven als de poëzie van Potgieter. Wie leest ze, wie bespreekt ze? Worden ze de versteende boeken waarop Potgieters borstbeeld rust? Athenaeum-Polak & Van Gennep blijft ze uitgeven. Een dergelijk geloof in het verleden is sinds Potgieter niet meer in Holland gevonden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden