De levende doden van Halabja vinden geen vrede

Iraakse Koerden herdenken deze week de gifaanval op Halabja in 1988 door Saddam Hussein. Elke dag leven zij met de gevolgen van zijn wraak.

HALABJA 26 JAAR LATER - In Halabja is het verleden hoogst actueel. Het is ruim een kwart eeuw geleden dat de luchtmacht van Saddam Hussein de stad aan de Iraaks-Iraanse grens bombardeerde met gifgassen. Voor de rest van de wereld ging het de geschiedenis in als de grootste aanval ooit met chemische wapens. Voor de inwoners van Halabja - en van heel Iraaks Koerdistan - is van geschiedenis geen sprake. Nog elke dag leven zij met de gevolgen van dit misdrijf tegen de menselijkheid.


Hama Abdulrahman Mohammed, een doorgroefde man van 70 jaar met een zwarte tulband, is net gisteren teruggekeerd uit Iran en doet zijn beklag. Hij maakt aanspraak op een overheidsuitkering voor slachtoffers van de gifaanval, omgerekend 7.000 euro. Zijn broer stierf door het mosterdgas, andere familieleden raakten gewond.


Voor de compensatie dient hij te bewijzen dat hij na de aanval in een vluchtelingenkamp in Iran belandde. 'Ik moet een in Iran gesigneerd formulier laten zien. Maar niemand daar wilde tekenen. Ze zeiden dat ik niet op de lijst sta. Een week ben ik er geweest, allemaal voor niets!'


Verontwaardigd schudt hij zijn martiale snor. 'Wat een onzin, we zijn allemaal slachtoffers hier. Waarom heb ik bewijs nodig van de Iraniërs? Onze regering, je hebt er niets aan.'


Meer snorren worden geschud, in de hoofdstraat van Halabja, vlak bij de groen-witte koepel van de Pasha-moskee. Van het kluitje oudere mannen is er niet een die het niet heeft beleefd, dat traumatiserende etmaal dat de bommen vielen. Half verstikt en verblind overleefden ze de hel. En bij allen loopt er een directe, pijnlijke lijn van 16 maart 1988 naar nu.


'Wij zijn levende doden', zegt Enait Abdul Karim, een man van 60 met grijs borstelhaar en een kikkergroen kostuum. Velen kampen met gezondheidsproblemen. Elk voorjaar, als de temperatuur stijgt, krijgt Karim weer last van zijn ogen, een half jaar lang. Een van zijn kinderen is geboren met één been. Een ander is ook gehandicapt, hij heeft een korter been. Weer een ander zoon, Hawraman, slikt nog steeds medicijnen voor zijn ogen. 'Hij was vier jaar, ze vonden hem in de kelder, ze dachten dat hij dood was.'


Die fout maakten meer mensen, toen: dekking zoeken onder het huis. Gifgassen zijn zwaarder dan lucht en zakken naar beneden, de kelders in. De bergen in, daar moesten ze heen, richting Iran, de vijand destijds van het Iraakse regime.


In 1982 was Saddam Hussein het buurland binnengevallen. De oorlog sleepte zich jaren voort. De ayatollahs in Teheran vonden duizenden jonge revolutionairen bereid zich op te offeren in de mijnenvelden, een strategie waarop Saddam geen antwoord had. In eigen land kreeg hij te maken met een opstand van peshmerga's, Koerdische guerrillastrijders.


De aanval op Halabja stond niet op zichzelf. Vanaf 1983 gebruikten de Iraakse strijdkrachten regelmatig chemische wapens, zowel tegen Iran als tegen de peshmerga's. In 1987 kwam dat in een stroomversnelling. Saddam besloot korte metten te maken met het Koerdisch verzet. 'Anfal' heette de campagne die als genocide is geboekstaafd.


Voor Iraaks Koerdistan is dit het nationale trauma. Voer waar dan ook in de autonome Koerdische regio een serieus gesprek, en de kans is groot dat het woord 'Anfal' valt, linksom of rechtsom.


In Tutakal, een sereen dorpje ten noordwesten van Suleimania, honderden kilometers van Halabja, is dat niet anders. Ook in deze regio hielden de troepen en de gifpiloten van Saddam huis, 26 jaar geleden, en ook hier is Anfal tastbaar. De Anfal-uitkering, bijvoorbeeld, is de voornaamste inkomstenbron van het dorp. Op kleine lapjes grond met groenten en kippen wordt er wat bij geboerd.


Ook de familieverhoudingen in het dorp zijn getekend door Anfal. Met ogen vol wijze berusting vertellen de zussen Amber en Qamber, geboren in 1969 en 1975, een verhaal dat geldt voor veel vrouwelijke leeftijdsgenoten.


Ze waren tienermeisjes tijdens Saddams vernietigingscampagne, 14 en 18. In de maanden erna werden ze uitgehuwelijkt aan oudere mannen die in de oorlog hun vrouw hadden verloren, en vaak ook kinderen. De leeftijdsverschillen waren groot, de man van Qamber is zelfs 43 jaar ouder.


Het klinkt ingewikkeld, met ooms, neven en buurmannen die onderling jonge dochters en nichtjes ruilden voor een kindhuwelijk. Vaak kwam aan de transactie ook geld of grond te pas. Jin ba jin heet dat in het Koerdisch, 'meisjes ruilen'.


Voor geen goud zou Qamber haar eigen dochters verkopen, zegt ze. Maar over haar eigen huwelijk klaagt ze niet, of niet meer. 'Ik respecteer hem. Hij heeft veel geleden.'


Op de begraafplaats aan de noordrand van Halabja liggen de slachtoffers van de gifaanval, tussen de gewone doden. Bijna 5.000 mensen stierven op 16 maart 1988, zo'n 10.000 in de jaren erna. De Anfal-graven zijn te herkennen aan de vierkleurige decoraties - zwart, geel, rood, wit - van metalen stangen. Er is een veld met platte verticale stenen, in strakke rijen. Lichamen liggen er niet onder.


De zon daalt, links achter de berg Shnrwe. 'Daar ben ik heen gevlucht, richting Iran', wijst Falah Murad Khan, die 14 jaar was toen het gif kwam. Stilletjes, met ogen waarachter zich van alles laat raden, wandelt hij over de begraafplaats.


Op een bord bij de ingang staat 'Baath members are not Allowed to Enter', een verwijzing naar de Baath-partij van Saddam. Het Anfal-monument is het beeld van een vrouw op een berg stenen die naar boven kijkt, twee losse handen op de borst. Diverse massagraven zijn monumentaal aangekleed, met marmer. 'A prayer for the 1.500 bodise in this grave', staat er in aandoenlijk Engels. 'May God bless them'.


Halabja leeft met zijn doden. De bekendste doden staan op een grote zwart-witfoto die aan de muur hangt bij lokaal radiostation Dangineve (Nieuwe Stem). Een man, overleden, zorgzaam gebogen over het lichaam van zijn zoontje Muhammad. De baby, met een witte muts, heeft de mond open en de ogen gesloten.


Presentatrice Rangen Salam vertelt hoezeer Anfal nog altijd een stempel drukt op de programma's. 'De catastrofe blijft', zegt ze. 'Er worden nog altijd kinderen geboren met handicaps. Kinderen zonder armen, met vergroeide voeten. Ik heb een foto gezien van een baby met een halve schedel. Ze stierf meteen na de geboorte.'


Vorig jaar, 25 jaar na de gifaanval, was er een reeks van 25 uitzendingen. De serie krijgt een vervolg, stof genoeg. 'In mijn familie komt veel kanker voor', zegt Murad Khan. 'Komt dat door de aanval? Door vergiftigde gewassen? We weten het niet.' Zijn organisatie Wadi staat de Anfal-slachtoffers bij, met steun van het Nederlandse Hivos.


Salam heeft het over 'depressies en angsten' die het leven in Halabja grijs kleuren. Ook haar eigen leven. Ze was 5 jaar, toen de bommen vielen. Erover praten wil ze niet. 'Ik haat mijn jeugd, ik wil niet omkijken. Vrede zal ik nooit meer vinden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden