'De leraar moet dezelfde waardering krijgen als de dokter'

Het heeft even geduurd, maar de sectororganisatie voor schoolbesturen, de VO-raad, wil leraren meer ruimte geven om na te denken over het onderwijs.

Rik Kuiper
Paul Rosenmöller. Beeld ANP
Paul Rosenmöller.Beeld ANP

Twee dingen vielen Paul Rosenmöller de afgelopen maanden op tijdens gesprekken met docenten. Het eerste: dat ze zo'n enorme drive hebben om hun onderwijs te verbeteren, maar dat ze daarbij telkens tegen hetzelfde probleem aan lopen - een gebrek aan tijd.

Het tweede: dat onderwijzers al lang geen mensen meer zijn tegen wie je opkijkt, maar mensen naar wie op verjaardagsfeestjes meewarig wordt geglimlacht als ze vertellen dat ze voor de klas staan.

Aanzien

En dat moet dus allebei veranderen, zegt de voorzitter van de VO-raad, waarbij 334 schoolbesturen zijn aangesloten. De docent moet meer ruimte krijgen om zich te ontwikkelen, om nieuw lesmateriaal te bedenken, om het onderwijs naar eigen inzicht in te vullen. En het beroep moet weer aanzien krijgen.

Rosenmöller: 'We moeten de leraar aan wie we dagelijks onze kinderen toevertrouwen net zo waarderen als de dokter bij wie we aankloppen met onze kwaaltjes.'

Vandaag presenteert de sectororganisatie daarom een actieplan. Daarin staan zeven punten die het lerarenberoep aantrekkelijker moeten maken.

Een van de punten: u wilt leraren jaarlijks honderd uur 'ontwikkeltijd' geven.

'Ja. Leraren moeten meer ruimte krijgen om na te denken over het onderwijs. Hoe kunnen ze leerlingen beter voorbereiden op het vervolgonderwijs? Hoe kunnen ze nieuwe technologie beter benutten? Welke verbindingen kunnen ze maken tussen de vakken die elke docent individueel geeft? Daar geven we ze twee, tweeënhalf uur per week voor.'

Is dat genoeg? Paul van Meenen van D66 pleit er al jaren voor om docenten niet 25 maar 20 uur per week voor de klas te zetten.

'Honderd uur per jaar is een substantiële hoeveelheid tijd. Ons plan is in één kabinetsperiode te realiseren. Laten we nou eerst eens kijken hoe dit uitpakt.'

Deze maatregel kost 300 miljoen euro per jaar, becijferde u.

'Ja. Als leraren minder uren voor de klas staan, zullen er leraren moeten bijkomen om dat op te vangen. Want leerlingen krijgen evenveel les.'

In 2014 stelde het ministerie van Onderwijs 150 miljoen beschikbaar om drieduizend jonge leraren aan te nemen. Die leraren zijn er nooit gekomen, bleek onlangs. Hoe gaat u zorgen dat dit geld wel op de goede plek komt?

'Allereerst vind ik dat wij ons fatsoenlijk hebben kunnen verantwoorden over de besteding van die 150 miljoen. Dat geld is niet alleen besteed aan het aannemen van nieuwe leraren, maar ook aan het behouden van zittende leraren. Hoeveel dat er zijn, is alleen moeilijk te becijferen.

'Dat neemt niet weg dat scholen zullen moeten verantwoorden wat ze met die 300 miljoen euro voor de ontwikkeltijd doen. Hoe ze dat doen? Door plannen te maken: dit is ons doel, zo gaan we het realiseren.'

In de cao staat dat docenten maximaal 750 uur voor de klas staan. Dat wordt dus minder?

'Dat lijkt me geen goed idee. Dan haal je de flexibiliteit uit het systeem. De ene docent wil misschien helemaal geen lesuren inleveren, een ander heeft twee keer zo veel ontwikkeltijd nodig. Dat moet kunnen. Er komt geld voor honderd klokuren per voltijdsleraar per jaar, maar scholen en lerarenteams moeten de vrijheid hebben om zelf te bepalen hoe ze het geld inzetten. Als het maar leidt tot meer ruimte om het onderwijs te verbeteren.'

In Ons Onderwijs2032 staat dat leraren het onderwijs meer zelf moeten vormgeven. Trekt de VO-raad de steun voor de curriculumherziening in als leraren daar geen extra tijd voor krijgen?

'Natuurlijk niet, die curriculumherziening is noodzakelijk. Dat neemt niet weg dat de docent tijd nodig heeft om het onderwijs te verbeteren. Dat is cruciaal voor het slagen van het nieuwe curriculum. Maar ook los van de curriculumvernieuwing moeten docenten meer ruimte krijgen.'

Een ander punt uit het actieplan: de lerarenopleiding moet op de schop.

'Ja. Mensen die van de opleiding komen, hebben vaak te weinig vlieguren gemaakt voor de klas. Ze zijn nog niet vakbekwaam, hebben moeite met de pedagogisch-didactische kant van het vak. Daardoor keert een kwart van de nieuwe leraren binnen twee jaar het onderwijs de rug toe.'

Wat moet er anders?

'De opleiding en de praktijk zijn twee gescheiden systemen. Dat moet anders. De lerarenopleidingen moeten meer samenwerken met de scholen waar de nieuwe docenten straks moeten werken. Ze moeten samen het curriculum van de lerarenopleidingen moderniseren, zodat afgestudeerden beter voorbereid zijn op de praktijk.

'Dat vergt wel een ingrijpende verandering. Het lukt alleen als lerarenopleidingen, scholen en de beroepsgroep samen de verantwoordelijkheid gaan dragen voor de opleidingen.

'Ik denk ook dat de overgang vloeiender moet worden. Niet: hier is je diploma, nu ga je lesgeven. Nee, toekomstige leraren moeten de eerste jaren veel theorie en een beetje praktijk krijgen, vervolgens moet er een fase waarin het fiftyfifty is zijn en ten slotte een fase waarin ze vooral voor de klas staan maar nog steeds worden begeleid. Vergelijk het met co-schappen van artsen in opleiding. Voordat ze basisarts worden, hebben ze al twee jaar meegelopen in de praktijk. In het onderwijs kan zoiets ook.'

Wie gaat dat begeleiden?

'Er zijn nu ook al ervaren leraren die graag jonge docenten begeleiden. Dat systeem kun je uitbreiden.'

Momenteel klagen beginnende leraren dat begeleiding vaak ontbreekt.

'Die klacht ken ik ook. Ik zie wel dat scholen er steeds meer werk van maken. Maar het kan inderdaad beter. Ik sluit niet uit dat ook hier meer geld nodig is.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden