De leeuw in zijn ogen kijken

De toerist die aan Afrika denkt, denkt vooral aan de natuur. De variit is onuitputtelijk. Kees Broere deed een verkenning....

Afrika, les 1:

'Goedendag. Is meneer Njau er ook?'

'Njau? Nee. He's on safari.'

Die Njau, die boft toch maar. Over de zandpaden stuiven met zijn fourwheeldrive, zijn gulzige blik laten likken langs de nekken van giraffen, een stevige gin-andtonic bij ondergaande zon, en 's nachts in zijn tent luisteren naar het gehuil van de hyena's. Safari!

Nee dus. Meneer Njau is op reis. Want dat is wat het Swahiliwoord safari betekent, inmiddels ook in andere talen van Afrika. Een safari maken, is een reis maken. Feitelijk geeft het precies weer wat het betekent om mens, en dus op pad te zijn.

Neem John. Hij staat aan de reling van een oude veerboot, die vanuit het Tanzaniaanse Mwanza de overtocht maakt naar een klein eiland in het Victoria Meer, die schier eindeloze plas water in Oost-Afrika. John is zijn christelijke voornaam. Zijn echte, Afrikaanse naam luidt Msafiri: de reiziger. Zijn moeder was met hem in haar buik onderweg van het ene naar het andere dorp toen zo ongeveer halverwege op het pad de zoon zich aandiende. Moeder en zoon, net als vader en dochter, grootouders en kleinkinderen: zij zijn reizigers in Afrika.

Dat willen wij Europeanen ook wel. Natuurlijk niet ons hele leven, maar toch minstens een paar weken. Het safari-gevoel ontdekken, die leeuw in zijn ogen kijken (al is het dan soms door een verrekijker), en later, na veilige terugkomst, verhalen vertellen.

Maar waar in die paar weken heen te gaan? Afrika is allesbehalve een klein continent. De afstand van noord naar zuid, tussen Cai¿ro en Kaapstad, bedraagt meer dan twaalfduizend kilometer. Wie over land oost-west wenst te gaan, van Djibouti tot Dakar, heeft meer dan negenduizend kilometer voor de boeg. Het valt allemaal niet in een paar weken te proppen.

De voornamelijk cultureel gei¿nteresseerde toerist kan wellicht beter naar Aziaan. De overblijfselen van oude beschavingen in Egypte, Sudan, Mali of Zimbabwe zijn weliswaar bijzonder indrukwekkend, maar wie aan Afrika denkt, denkt toch op de eerste plaats aan de natuur. Maar dan geldt: de variit is bijna onuitputtelijk. De toerist die zich wil beperken tot offici parken, van welke snit ook, kan in Afrika uit meer dan 850 aanbiedingen kiezen.

De woestijn in Marokko biedt een geheel andere ervaring dan het beklimmen van de Kilimanjaro in Tanzania, met 5895 meter (en dagelijks minder sneeuw) Afrika's hoogste top. Die Marokkaanse woestijn is trouwens weer een heel andere dan die van Ethiopiet tropenstrand bij Freetown in Sierre Leone lijkt misschien een moorddadige bestemming, maar zou nu wel eens veiliger kunnen zijn dan dat van, pakweg, Bagamoyo in Tanzania.

Voor de meeste bezoekers is het maken van een klassieke safari de verwezenlijking van een typische droom: de eigen menselijkheid ervaren door naar beesten te gaan kijken. In oostelijk en zuidelijk Afrika kan dat het best. Maar opnieuw: op veel verschillende manieren. Een vergelijking van slechts twee landen, Zuid-Afrika en Kenia, maakt dat duidelijk.

Sinds het offici einde van de apartheid in 1994 is in Zuid-Afrika het toerisme fors gestegen. Het continent in zijn geheel mag dan slechts zo'n 3 procent van het wereldtoerisme voor zijn rekening nemen, daarvan pakt Zuid-Afrika zelf ongeveer eenderde. De buitenlandse toerist krijgt heel wat voor zijn geld.

Wie niet meer dan ongeveer vijf dagen heeft om wilde beesten te zien, wil de Big Five (olifant, leeuw, luipaard, neushoorn, buffel) niet missen. In Afrika's modernste land hoeft dat ook niet. Zo zijn er parken waar, zonder dat de langzaam in de zon verbrandende blanke het in de gaten hoeft te hebben, dieren rondlopen die een halsband met een zendertje dragen. De gids, die altijd glimlachende zwarte man met de handen stevig aan het stuur van de jeep, hoeft vanuit zijn wagen slechts de GPS-conaten te vinden om tot grote blijdschap van zijn passagiers het mysterieuze beest te vinden. Opgepiept wild als het ware, avontuur op afroep.

Daar komt bij dat in Zuid-Afrika de wegen bijzonder goed zijn, de wijn binnenlands en dus betaalbaar is. Bovendien kun je er voor niet te veel geld je ogen laten laseren. Redenen genoeg voor grote tevredenheid. Ook voor Zuid-Afrika zelf, dat vorig jaar zo'n drie miljoen bezoekers naar de wildparken zag komen. Bijna tien jaar geleden nam het toerisme nog geen 5 procent van het Bruto Nationaal Product voor zijn rekening. Inmiddels is dat cijfer verdubbeld.

In Kenia, dat al veertig jaar openstaat voor westerse bezoekers, is de weg van de hoofdstad Nairobi naar het belangrijkste wildpark, de Masai Mara, vergeven van de gaten en kuilen.

Verenigde Staten roepen om de zoveel tijd dat het land door een nieuwe terroristenaanslag zal worden getroffen. En hoe rijk de parken ook met dieren zijn gevuld, de snelle bezoeker loopt altijd het risico niet alle beesten op zijn lijstje te kunnen afvinken.

Het toerisme is voor Kenia al ruim vijftien jaar de belangrijkste bron van buitenlandse valuta. Bovendien vindt bijna tien procent van de werkende bevolking een baan in deze sector. Maar de afgelopen jaren zag een steeds verdergaande daling van safari-gangers te zien. Voor een deel is de Keniase overheid hier zelf schuldig aan. De service die een westerse bezoeker wenst, lijkt er steeds minder te vinden. En op het gebied van veiligheid krijgt het land - voor een groot deel overigens ten onrechte - een steeds slechtere naam.

Daar staat tegenover dat in Kenia de menselijke geest nog heerlijk kan dwalen en verdwalen. Wie ervoor openstaat, zal merken dat juist ook de kleine ongemakken bijdragen aan het safari-gevoel. En ook zonder beesten te zien, kunnen in het Oost-Afrikaanse land, net als trouwens in Tanzania, geweldige reizen worden gemaakt, safari's waarvoor de moeder van John Msafiri met respect in de handen zou klappen.

Waarmee het echte Afrika in beeld komt. Het Afrika van de mensen, de Afrikanen. De meeste Afrikanen, behalve zij die in de sector werken, hebben vrijwel niets met toerisme, en vooral niet het geld om de toerist uit te hangen. De meeste reizigers in hun continent komen uit Europa en van hen zijn de meesten blank en - in elk geval in Afrikaans perspectief - behoorlijk tot onbehoorlijk rijk.

Toeristen leveren in Afrika de harde valuta, inkomsten die dringend nodig zijn. Maar de vraag of het toerisme ook duurzaam kan zijn, is nog lang niet bevestigend beantwoord. Zo bestaat de nodige scepsis over ecotoerisme, dat wel omschreven is als een 'verlies-verlies situatie'.

Van werkelijke natuurbescherming is nauwelijks of geen sprake. En het bijkomend beoogde doel, armoedebestrijding bij de lokale bevolking, komt evenmin uit de verf, zo blijkt uit diverse studies. Oorspronkelijke inwoners die worden verdreven om plaats te maken voor beschermde parken, zien de inkomsten uit de parken veel te weinig ten goede komen aan hun eigen ontwikkeling. En ook buiten de parken staat hun leefomgeving onder steeds sterkere druk.

Het toerisme in Afrika mag dan een groeiende industrie zijn, zo meent bijvoorbeeld het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), de VN-club die onderzoek doet naar de gevolgen van klimaatverandering: 'Voorspelde droogtes en de afname in neerslag in de Sahel en in oostelijk en zuidelijk Afrika zouden vernietigend zijn voor de wilde dieren, en de aantrekkelijkheid van natuurreservaten doen afnemen, waardoor de inkomsten van huidige, grote investeringen in het toerisme teruglopen.'

Het IPCC noemt Afrika 'bijzonder kwetsbaar' voor de gevolgen van klimaatverandering. De mens, dus ook de Afrikaanse mens, is hiervoor natuurlijk op de eerste plaats verantwoordelijk. Hoe hoog ook de sterftecijfers, de bevolking groeit in Afrika nog steeds explosief. Een reusachtig continent lijkt 750 miljoen mensen makkelijk te kunnen dragen, maar steeds meer gebieden worden voor een steeds verder groeiende bevolking onbruikbaar voor de landbouw. Hoe indrukwekkend de steenwoestijn in Ethiopioor de toerist ook mag zijn, de Ethiopische boerenfamilie zag de grond liever geschikt om gewassen op te verbouwen om te kunnen overleven.

Het zijn de dilemma's waaraan noch de Afrikaan noch de westerse bezoeker kan ontsnappen. De landen in Afrika zijn de mooiste ter wereld. Afrikanen zijn de boeiendste personen onder de hemelkoepel. Nergens anders liggen de lessen die het leven kan leren zor het oprapen. En nergens anders ook valt te struikelen over de gigantische problemen die dat leven met zich kan meebrengen.

Dieren vinden het doorgaans geen probleem door safari-gangers te worden aangestaard. Voor de mensen in de omgeving van de parken, zo blijkt, is het veel minder aangenaam als 'aapjes' bekeken en soms ook behandeld te worden. In een aantal landen staat de wildstand onder blijvend grote druk, zowel door het toenemend aantal bezoekers, als door de voortgaande bevolkingsuitbreidingbij de lokale bewoners.

In die situatie lijkt niet snel verandering te komen. Afrika is groot en ruim genoeg om het toerisme te laten groeien. Maar werkelijk effectief natuurbeheer kan niet losstaan van de economische perspectieven van de Afrikaanse mens. Die tegenstelling is vooralsnog in de meeste landen onoplosbaar gebleken.

En dat alles met toch zo veel keuze. Wat wil de toerist in Afrika? Redelijk comfort voor niet te veel geld. Een avontuurlijke, maar ook veilige omgeving. Doorgaande wegen die goed zijn onderhouden.

En een reis die het hem mogelijk maakt in behoorlijk korte tijd zo veel mogelijk uiteenlopende dingen te zien. Zowel water met strand als een tropenbos met uitheemse vogels. Zowel een ruig natuurpark als glooiende heuvels.

En als het kan uiteraard ook iets volstrekt unieks, iets dat bijna nergens anders ter wereld voorkomt, iets zeldzaams als berggorilla's. Afrika heeft het allemaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden