Analyse Hebzucht

De langzame normalisering van de hebzucht: eerst dé oorzaak van de crisis, nu een zegenrijk instrument

Hebzucht is de afgelopen tien jaar alom gezien als oorzaak van de bankencrisis. Toch geldt zij nu als medicijn: kom op jongens, kopen, kopen, kopen. Wat leert onderzoek ons over deze menselijke neiging?

Bezoekers tijdens de vijftiende editie van Masters of LXRY, een beurs in de Amsterdam RAI die draait om luxe. Foto ANP

Zeg eens eerlijk: wilt u eigenlijk altijd meer? Bent u zo iemand die meteen na een nieuwe aanschaf alweer aan de volgende zit te denken? Vindt u dat je nooit genoeg (geld) kunt hebben? Driewerf ja? Dan bent u waarschijnlijk behoorlijk hebberig, inhalig, begerig, hebzuchtig.

Hebzucht heeft een slechte pr. Dat is niet iets van de laatste tijd, want hebzucht staat al een dikke duizend jaar in ons collectieve geweten gestanst als een zonde. Als een van de zeven hoofdzonden zelfs, met dank aan de rooms-katholieke kerk.

Wat is hebzucht? Is iedereen even vatbaar? En hoe is het mogelijk dat hebberigheid zowel een zonde is als een leidend en heilzaam principe in de economie van alledag: namelijk dat de mens zo veel mogelijk waar wil voor zijn geld en bedrijven vanzelfsprekend uit zijn op winstmaximalisatie?

Hebzucht is van oudsher het domein van theologen en filosofen. Psychologen lieten het thema lange tijd links liggen. Tot de bankencrisis. Die was voor de Tilburgse promovendus Terri Seuntjes aanleiding om, samen met de Tilburgse hoogleraar economische psychologie Marcel Zeelenberg, de leemte op te vullen. Ze formuleerde eerst een definitie van het fenomeen. Ze kwam uit op: een onverzadigbaar verlangen naar meer. ‘Hebzucht bestaat dus uit twee dimensies’, licht Zeelenberg toe. ‘Mensen zijn ontevreden met wat ze hebben. En als ze krijgen wat ze begeren, heft dat de ontevredenheid niet op.’

Die definitie lijkt als twee druppels water op de definitie die Plato en Aristoteles in het Athene van 2.500 jaar geleden al gebruikten: een onverzadigbare zucht naar meer (rijkdom). Maar een moderne, wetenschappelijk gefundeerde definitie was nodig om een ‘hebzucht-schaal’ te ontwikkelen om de inhaligheid van de Nederlander in het algemeen te meten, en die van de bankier in het bijzonder.

Gemiddeld scoren we een beschaafde 2,8 op een schaal van 1 tot 5. Mogelijk speelt mee dat de antwoorden sociaal-wenselijk gekleurd zijn.

De ‘hebzuchtschaal’

De zeven stellingen van de hebzucht-schaal. Voor elke stelling wordt een score toegekend van 1 (zeer mee oneens) tot 5 (zeer mee eens). Niet de totaalscore is bepalend. De testresultaten moeten geïnterpreteerd worden door eerst een gemiddelde te berekenen en te kijken hoe mensen met de hoogste en de laagste scores zich tot elkaar verhouden.

Ik wil altijd meer

Eigenlijk ben ik best wel hebzuchtig.

Van geld kun je nooit genoeg hebben

Zodra ik iets bereikt heb, begin ik aan het volgende te denken dat ik graag wil

Hoeveel ik ook heb, ik ben nooit helemaal tevreden.

Mijn levensmotto is: ‘meer is beter’.

Ik kan mij niet voorstellen dat ik ooit te veel dingen zou hebben.

De schaal is gebaseerd op en gevalideerd in vijf verschillende studies met 7.500 deelnemers uit Nederland en de VS. Hij is vertaald in het Chinees en het Japans.

‘Hoe dan ook zijn er grote verschillen tussen individuen’, aldus Zeelenberg. ‘De een heeft er nauwelijks last van, de ander scoort heel hoog.’ Ook tussen beroepsgroepen zijn grote verschillen. En inderdaad: bankiers zijn bovengemiddeld inhalig. Dat blijkt uit het tweejaarlijkse salarisonderzoek van Nijenrode uit 2015, toen de hebzuchtschaal werd voorgelegd aan honderdduizend werknemers.

De allerhebberigsten onder ons werken in de olie-industrie. De makelaardij staat op nummer twee, bankiers en verzekeraars op drie, de handel op vier.

Niet verwonderlijk, vindt Zeelenberg. ‘Als je veel materiële begeerten hebt, word je geen kleuterjuf. Dan doe je liever werk op provisie-basis of je zoekt een sector waar je bonussen kunt binnenslepen.’ Ook in de overheid en de zorg werken mensen die relatief laag scoren op de hebzuchtschaal.

Hebzucht gaat vaak gepaard met min of meer omstreden gedrag. ‘In spelsituaties zie je dat hebzuchtige mensen scherper onderhandelen en als ze moeten delen, houden ze meer voor zichzelf dan gemiddeld’, aldus Zeelenberg. ‘Ze hebben vaker schulden. En inhalige mensen hebben minder moeite met immoreel gedrag, met het aannemen van steekpenningen bijvoorbeeld, dan niet-inhalige mensen.’ Ook zijn hebzuchtige mensen vaker jaloers en materialistisch.

Interessant feit: hebzucht hangt samen met een armoedige jeugd, ondekte de Belgische wetenschapper Goedele Krekels. Misschien wel logisch: wie uit een gezin komt waar financiële problemen speelden, heeft een grotere kans op een hoge score op de hebzuchtschaal.

Levenskracht

Hebzucht is een persoonlijkheidskenmerk. Het lijkt op een emotie, maar is het niet. Aan emoties als woede of spijt gaat een duidelijke aanleiding vooraf: een belediging of een verkeerd besluit. Voor hebzucht is geen directe aanleiding. Maar het líjkt wel op een emotie, in die zin dat het een toestand is die aanzet tot actie, die mensen in beweging brengt. Of zoals Gordon Gekko, de hoofdrolspeler in de film Wall Street van Oliver Stone het verwoordt: ‘Hebzucht is legitiem, hebzucht werkt. Hebzucht is verhelderend, gaat recht op het doel af en raakt het hart van de evolutionaire levenskracht. Hebzucht in al zijn verschijningsvormen – het begeren van leven, liefde, kennis – is kenmerkend voor de vooruitgang van de mens.’

Fictie natuurlijk. Hoewel? De figuur van Gordon Gekko is gebaseerd op de malafide Amerikaanse beurshandelaar Ivan Boesky die in 1986 een lofzang op de hebzucht ten beste gaf aan de Universiteit van California, Berkeley. Hij kreeg – dat was volgens het Amerikaanse blad Time nog het verbazingwekkendste – een staande ovatie. Justitie dacht er anders over. Boesky belandde een paar maanden later in de cel vanwege handel in aandelen met voorkennis.

Oproep

Zeer illustratief voor onze ambivalente houding ten aanzien van de hebzucht, vindt filosoof Jeroen Linssen. Hij wijst er fijntjes op dat de hebzucht in de afgelopen tien jaar alom werd gezien als oorzaak van de bankencrisis in 2008. De Amerikaanse president Barack Obama sprak destijds over ‘roekeloze hebzucht’, minister van Financiën Wouter Bos hekelde ‘het financiële systeem dat is gebouwd op de cultuur van de hebzucht’ en SP-leider Agnes Kant sprak over ‘graaikapitalisme’.

Vijf jaar later, toen de crisis van geen wijken wist, zag premier Rutte de hebzucht als oplossing om uit de crisis te geraken. ‘Laten we die nieuwe auto kopen, en dat nieuwe huis. We durven dat beetje risico te lopen. Dat vertrouwen hebben we. Dan kunnen we het Centraal Planbureau verslaan.’

‘Ziehier de enorme draai die we de afgelopen tien jaar hebben gemaakt’, zegt Linssen. Eerst werd de hebzucht veroordeeld. Daarna werd het een medicijn: kom op jongens: kopen, kopen, kopen.

George W. Bush ging Rutte voor met een soortgelijke oproep in 2001. Na de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon adviseerde Bush het publiek te gaan ‘shoppen’. ‘We moeten voorkomen dat de terroristen onze natie zo bang maken dat er geen zaken meer worden gedaan, dat mensen geen inkopen meer doen. Mevrouw Bush en ik moedigen Amerikanen aan om te gaan winkelen.’

Ons denken over hebzucht heeft wel vaker een wending gemaakt in de geschiedenis, beschrijft Linssen in een studie die begin volgend jaar verschijnt. In de Middeleeuwen en de Oudheid was het oordeel over ongebreidelde bezitsdrang nog eenduidig negatief, zij het om verschillende redenen. ‘Plato en Aristoteles hamerden erop dat fatsoenlijke mensen zich weten te beheersen. Van de aristocratie werd verwacht dat men zichzelf wist te matigen. Onverzadigbare hebzucht was iets voor de domme massa, dieren waren dat bijna. Daar kon je niets anders van verwachten.’

In de Middeleeuwen werd het denken over hebzucht gevoed door wat erover in de Bijbel stond. Dat het zondig was. De op een na ergste zonde zelfs, direct na hoogmoed.

Calvinisme

Maar als je niet hebzuchtig mag zijn van God, wat mag je dan eigenlijk niet? In de Middeleeuwen werd daarop een helder antwoord geformuleerd. Gij zult geen winst maken en geen rente vragen.

Linssen: ‘Met ambachtelijk verdienen, een product maken en dat verkopen, heeft nooit iemand moeite gehad. Ook de Bijbel niet. Productie werd niet gezien als inhalig of hebberig. Dat kleefde wel aan de handel: iets voor meer geld verkopen dan je er zelf voor had betaald. De middeleeuwer zag winst per definitie als het verlies van een ander, wie winst maakte, draaide iemand anders een poot uit. Rente vragen was taboe voor veel kerken, ook voor veel overheden trouwens. Dat was geld ontvangen voor niks, slapend rijk worden. Rente stond gelijk aan woeker. In de dagelijkse praktijk gebeurde het natuurlijk wel. Maar officieel bleef het lang verboden. Soms ook bij wet. In Frankrijk bestond in 1935 nog een wet tegen de rente.’ In de islam is rente vragen nog altijd omstreden, zo niet verboden.

De verbreiding van de geldeconomie tussen het jaar 1000 en 1300 dwong de samenleving tot gematigder opvattingen over hebzucht. Er kwamen steeds meer uitzonderingen op de regels. Wat als een koopman een product moet vervoeren om het te kunnen verkopen? En wat als de koopman extra waarde toevoegt aan zijn handel?

Onder invloed van het calvinisme werden ook de opvattingen over het maken van winst bijgesteld. Een koopman die veel winst maakte, mocht dat, volgens puriteins-calvinistische stromingen, zien als een (heel) klein teken dat God het goed met hem voorhad. Daarmee kreeg niet alleen het begrip winst een andere betekenis, maar kreeg ook het kapitalisme een enorme boost, volgens de 19de-eeuwse Duitse socioloog Max Weber.

Na de Middeleeuwen werd hebzucht door filosofen vaak gezien als een afleidingsmanoeuvre voor oorlog voeren. Linssen: ‘Een van de grootste issues in de 17de en 18de eeuw was: mijn God, hóé kunnen we al die oorlogen voorkomen? Hebzucht was misschien niet zo netjes, maar alles was beter dan de machtswellust en de oorlogszucht van de heersende klasse. Door koningen en prinsen over te halen zich in de handel te storten, hebzuchtig te worden, zouden ze minder tijd overhouden voor hun oorlogszucht. Of het heeft gewerkt? Ik weet het niet. Maar het is duidelijk dat ook nu nog oorlogszuchtige politici vaak worden afgeremd door grote economische belangen. De handel, de economie is gebaat bij vrede.’

De echte omslag komt als afscheid wordt genomen van het idee dat wanneer de een winst maakt, de ander verliest. De 18de eeuwse filosoof Adam Smith bracht dat voor het eerst onder woorden. ‘Niet van de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker verwachten wij ons middagmaal, maar van de overweging van hun eigenbelang’, schreef Smith in zijn beroemde boek The Wealth of Nations  (Een onderzoek naar de aard en oorzaken van de rijkdom der naties.) ‘Hij praatte op een sublieme manier de hebzucht – het eigenbelang – van de enkeling goed, omdat die het welzijn zou bevorderen van iedereen’, aldus Linssen.

‘Opeens was hebzucht niet meer destructief, maar de motor van de welvaart. Als iedereen pakt wat hij pakken kan, worden we daar allemaal beter van.’

Kortom: greed is good.

Voedingsbodem

Linssen spreekt van ‘de langzame normalisering van de hebzucht’. De zware zonde van weleer is een zegenrijk instrument geworden, ook al is het niet chic om dat hardop te zeggen. En dus kwamen er eufemismen als ‘welbegrepen eigenbelang’. Of we noemen het ambitie, of passie. En dan is het opeens een mooie eigenschap.

Ook andere hoofdzonden zijn hun scherpe kantjes kwijtgeraakt. Denk aan wellust. Van hoofdzonde nummer één, de hoogmoed, kun je je zelfs afvragen of het nog een zonde is, als je bedenkt dat ouders hun kinderen tegenwoordig stimuleren om trots te zijn op zichzelf.

Niet-hebzuchtig zijn wordt ondertussen steeds lastiger nu we geacht worden ondernemer te zijn van ons eigen leven. Niet alleen van de bankier wordt ondernemerschap gevraagd, ook basisscholen willen ‘ondernemende’ leerkrachten. De school zelf moet pioneersgeest hebben, net als het ziekenhuis. Op scholen leren kinderen om innovatief te zijn en ondernemersgeest te ontwikkelen, vaardigheden die vroeger waren voorbehouden aan entrepreneurs. Mogelijk zijn de effecten daarvan al zichtbaar in de scores op de hebzucht-schaal die bij jongeren gemiddeld hoger zijn dan bij ouderen. Een wereld die de nadruk legt op vooruitgang en presteren, lijkt een goede voedingsbodem voor hebzucht.

‘Zelfs op de universiteit’, zegt Linssen, ‘zijn je collega’s concurrenten die azen op dezelfde subsidies als jij. Het marktdenken is doorgedrongen tot alle domeinen van onze maatschappij en daarmee ook de hebzucht, de achterliggende drijfveer.’ Hoogleraar Jaap van Muijen (Nyenrode) zag in zijn grote salarisonderzoek in 2015 dat hoogleraren en gepromoveerden in zijn grote salarisonderzoek net zo hebzuchtig waren als bankiers. ‘Het was een kleine groep van 160 mensen op het totaal van honderdduizend. Dus het is geen hard bewijs, maar wel een sterke aanwijzing dat ook de wetenschap vol zit met rupsjes nooitgenoeg.’ Geen wonder misschien dat in navolging van de bankwereld nu ook de wetenschap zijn schandalen kent: fraude door professoren. Niet vanwege het grote geld, maar gedreven door een onstilbare honger naar meer status en roem.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.