De lange weg naar een schone stad

In het negentiende-eeuwse Amsterdam werden de grachten gebruikt als openbare wc’s en po’s geleegd in de goot. Langzaam begon het besef te dagen dat ziekten als tyfus en cholera iets te maken hadden met de smerigheid waarin men woonde....

Menselijke ontlasting was lange tijd handelswaar. Poep was goede mest en urine kon worden gebruikt om wol te ontvetten en laken te bleken. Lange tijd – sinds 1673 – was het in Amsterdam de taak van het Aalmoezeniersweeshuis geweest om de ontlasting in de stad op te halen. Maar in de negentiende eeuw werd die klus veel te zwaar vanwege de sterke groei van de stad. Beerputten werden zelden geleegd, de grachten werden gebruikt als openbare wc’s en op afvaldumpplaatsen of in de goten langs de straten werden po’s geleegd. Negentiende-eeuwse toeristen in Amsterdam klaagden dan ook steevast over de stank en de smerigheid.

In de loop van de negentiende eeuw werd de situatie steeds nijpender. Dat had te maken met de bouw van nieuwe, vervuilende fabrieken in en om de stad. In de Jordaan kwam bijvoorbeeld een aantal stinkende suikerraffinaderijen te staan en in 1835 bouwde het bedrijf van Gerard Tileman Ketjen vlak bij het Leidseplein een zwavelzuurfabriek.

En dan was er nog de bevolkingsgroei. Die verliep aanvankelijk nauwelijks merkbaar van 220.000 in 1800 naar 224.000 in 1850, en daarna explosief naar 510.850 in 1900. Een groot deel van de Amsterdammers zat opeengepakt in arme delen van de oude binnenstad, zoals de Jordaan.

Het was uiteraard ongezond om in deze volle, smerige stad te wonen, en ziekten als tyfus en cholera eisten veel levens, omdat behoorlijk drinkwater voor de inwoners van de arme wijken niet bereikbaar was. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon het besef te dagen dat de verspreiding van deze aandoeningen iets te maken had met de smerige omstandigheden waarin men woonde. Dat was onder meer te danken aan de hygiënisten, een groep vooruitstrevende artsen die vieze uitwasemingen uit de grachten, de bodem en het afval verantwoordelijk hielden voor de uitbraken. Enig inzicht in het belang van hygiëne blijkt ook uit de naam ‘beerputkoorts’, die vaak voor tyfus werd gebruikt.

Toch was de weg naar een schonere stad nog lang. Een eerste stap werd gezet door Samuel Sarphati (1813-1866), die in 1847 toestemming kreeg om in de hele stad vuilnis, ‘poortaarde’ (ontlasting) en ‘rioolspeciën’ op te halen. Het was Sarphati te doen om een schonere stad – en om de poep, die nog steeds geld opleverde.

Ook aan schoon drinkwater werd voorzichtig gewerkt. Sinds 1786 haalde de Versch Watermaatschappij met schepen water uit de Vechtstreek en verkocht het op vaste punten. Maar dat was, zeker voor de arme wijken, niet toereikend. Daarom haalde de Duinwatermaatschappij vanaf de eerste helft van de jaren 1850 vers water uit de buurt van Zandvoort. Amsterdammers konden een abonnement nemen op de waterleiding en in de volkswijken kwamen tapplaatsen, waar inwoners voor een cent een emmer water konden halen.

Dat alles was echter niet genoeg om een grote cholera-epidemie te voorkomen. In 1865-1866 stierf een kleine 10 procent van de Jordanezen aan de cholera, zo’n duizend mensen. Deze epidemie – waarvan later bleek dat het de laatste grote was – was aanleiding om iets te gaan doen aan het doorspoelen van de grachten. Het IJ verzandde namelijk steeds meer, waardoor eb en vloed van de Zuiderzee minder doorwerkten in de grachten.

In 1876 werd het IJ zelfs afgesloten van de Zuiderzee en daarom werd een gemaal bij Zeeburg gebouwd, dat de grachten ’s nachts moest doorspoelen. Maar dat systeem werkte niet overal even goed. In de toch al zo vieze Jordaan stond het water in veel grachten stil. De oplossing van de gemeente was radicaal: dempen. Het water verdween uit onder meer de Elandsgracht en de Rozengracht, en ook uit de Nieuwezijds Voorburg- en Achterburgwal.

In 1879 besloot de gemeente eindelijk ontlasting en afvalwater via een riool af te voeren. Omdat poep nog steeds als te kostbaar werd beschouwd om weg te gooien, kwam er een dubbel riool: het liernursysteem (vernoemd naar ontwerper Charles T. Liernur) met gemetselde riolen voor water en metalen buizen voor ontlasting. Pompen zogen de buizen regelmatig vacuüm, waardoor de ontlasting terechtkwam in vaten. De poep kon dan met karretjes worden opgehaald om te worden verkocht.

Omdat er in de binnenstad vaak geen ruimte was voor de benodigde installaties, werden de riolen alleen aangelegd in nieuwbouwwijken, zoals bij de huizen rond het Vondelpark. In de oude, volle binnenstad werd ontlasting opgehaald met de beerwagen, ook wel de boldootkar genoemd, naar de eau de cologne van de firma Boldoot.

Intussen werd het watercloset steeds populairder en daarvoor was het liernursysteem niet erg geschikt. Dat was immers ingesteld op aparte afvoer van ontlasting en water, terwijl de wc de ontlasting met water wegspoelde. Bovendien gebruikten huishoudens steeds meer water. Al in 1907 besloot de gemeente daarom te stoppen met het systeem en spoelriolen aan te leggen in de nieuwe buitenwijken. De poep werd voortaan weggespoeld en niet langer als mest verkocht. In de jaren dertig kwam ook de binnenstad aan de beurt.

Het sterftecijfer was intussen scherp gedaald, voor een groot deel dankzij de betere hygiëne. In 1850 stierven jaarlijks nog 23,7 op de duizend Nederlanders; in 1900 waren het er 17,9, in 1900 en in 1930 nog maar 9,1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden