De lange schaduw van de bezetting

Chris van der Heijden vertelt overtuigend het definitieve verhaal van 'de oorlog na de oorlog'. Jammer dat hij de belangrijkste doorwerking onbesproken laat: de betekenis van 1939-1945 voor de Europese integratie.

Zo kon het gebeuren dat negen jaar na de oorlog sommigen opnieuw in het verzet gingen. Dit keer betrof de opstandigheid een nieuwe invasie, die van Duitse toeristen. In 1954 kwam de Bezige Bij-uitgever Geert Lubberhuizen op het lumineuze idee 'om in de nacht van de derde op de vierde mei in de steden en op de wegen waarlangs Duitsers Nederland binnenstromen, biljetten te plakken van hetzelfde formaat, in dezelfde letter als de plakkaten 'Verboden voor joden' op cafés, restaurants en theaters in bezettingstijd: 'Deutsche nicht erwünscht'.' Zo gezegd, zo gedaan.


Het is een van de episodes die voorbeeldig, en dat wil in dit geval zeggen met milde ironie, zijn beschreven in een nieuw boek van de historicus en publicist Chris van der Heijden. Hij behandelt op een precieze en uitputtende manier in een kleine duizend bladzijden de beeldvorming over de oorlog zoals die vorm heeft gekregen in de lange jaren die inmiddels zijn verstreken sinds de bevrijding.


Een onbeschreven blad is Van der Heijden allerminst. Tien jaar geleden publiceerde hij ook al een omvangrijke studie over Nederland en de Tweede Wereldoorlog: Grijs verleden. De centrale gedachte was dat het tweeluik 'onderdrukking en verzet', oftewel de zwart-wit duiding van de oorlogsjaren, plaats moest maken voor een veel complexer en completer beeld waarin alle grijstinten van aanpassing en doormodderen, van zelfbehoud en lafheid zichtbaar moesten worden.


Dat boek opende met een zin die aankwam: 'Eerst was er de oorlog, daarna het verhaal van die oorlog. De oorlog was erg, maar het verhaal maakte de oorlog nog erger.' De reacties waren soms zwaar aangezet. Zo verweet de historica Evelien Gans hem 'secundair antisemitisme' en een 'poging tot relativering van de shoah': 'iedereen een beetje slachtoffer, iedereen een beetje dader.' (Groene Amsterdammer, 27 januari 2010).


In weerwil van die kritiek werd zijn boek over het geheel genomen welwillend ontvangen. Het paste in een meer zelfkritische blik op de jaren van de bezetting, die ook al zichtbaar was geworden tijdens de vijftigste herdenking in 1995. Toen maakte Beatrix voor het eerst gewag van tekortkomingen: 'Voor een juiste beeldvorming kan niet worden verhuld dat naast moedig optreden passief gedrag en actieve steun aan de bezetter zijn voorgekomen.'


Het nieuwe boek van Van der Heijden zal tot minder hartstochtelijk debat aanleiding geven, want de vraagstelling is een andere. Het gaat er niet om hoe naar de oorlogsjaren moet worden gekeken, maar om de vraag hoe er na de bevrijding naar is gekeken. Na de polemiek is Van der Heijden duidelijk op zoek naar een gezichtspunt dat daaraan ontsnapt. Zonder al te veel ophef maakt het 'grijze' beeld plaats voor een 'veelkleurig' beeld.


Toch blijft zijn eerdere studie op de achtergrond meespelen, want Grijs Verleden is onderdeel geworden van de publieke meningsvorming, waarmee zijn eigen werk onderwerp is van zijn studie. De auteur spreekt van een 'spagaat' en geheel in lijn met zijn historische blik omschrijft hij over de omgang daarmee als 'schipperen'. Dat is wel eerlijk, maar niet bevredigend.


Van der Heijden had beter in een voorwoord of nawoord kunnen ingaan op de verhouding van beide boeken. Nu zitten belangwekkende waarnemingen verstopt in een voetnoot. Zo merkt hij op: '(Ik) was me er toen nog niet van bewust hoe 'grijs' er vanaf de late jaren veertig over het oorlogsverleden gedacht werd.' Minstens even wezenlijk is de erkenning 'dat het onvoldoende tot me door (was) gedrongen hoevelen uit politiek, economie en ambtenarij dankzij die grijze opvatting van het oorlogsverleden de dans hadden kunnen ontspringen ...'.


Hoe het ook zij, Dat nooit meer is een indrukwekkend en meeslepend boek geworden. Met veel gevoel voor persoonlijke verhalen wordt niets minder dan een omvattende geschiedenis gegeven van de manier waarop de oorlog na de oorlog in de publieke beeldvorming is neergeslagen. Gewetensvol gaat Van der Heijden alle hoofdrolspelers na - waarbij Loe de Jong, de rijksgeschiedschrijver van de oorlog, natuurlijk de sleutelfiguur is. Hij beschrijft affaire na affaire - en dat zijn er veel, heel veel - en slaagt er in om de omslagpunten in de beeldvorming te beschrijven.


In de jaren vlak na de oorlog overheerst een beeld waarin het verzet alle nadruk krijgt. Maar dat beeld beklijft niet echt omdat het niet overeenkomt met de ervaringen van het overgrote deel van de bevolking, dat al schipperend en soms regelrecht collaborerend de bezetting heeft overleefd. Bovendien slaat na de bevrijding de ontnuchtering al snel toe wanneer blijkt dat de vernieuwing uitblijft en de wederopbouw vele lange jaren van soberheid zal vergen.


Opvallend in de analyse is vooral de periode die daarna komt en die eigenlijk al vrij snel na de oorlog begint. Het is een tijd waarin de hoge toon verstomt en door de autoriteiten tamelijk mild wordt omgesprongen met degenen die 'fout' waren geweest. Een centrale rol speelt de katholieke politicus L.G. Kortenhorst, die vanaf 1948 tot 1963 voorzitter is van de Tweede Kamer. Als advocaat had hij het al opgenomen voor onder meer De Telegraaf, die na een verschijningsverbod in 1949 weer mocht verschijnen.


Zijn houding is goed samengevat in de stelling 'dat onze levenskansen meermalen moesten worden gekocht door het aanvaarden van een compromis'. Zeker, sommigen kozen voor het verzet en gedroegen zich heldhaftig, maar, zo schrijft de politicus vlak na het einde van de oorlog: '... als iedereen het zgn. 'chaotisch' standpunt had ingenomen, zou het leed niet te overzien zijn geweest'. En hij concludeert: '(Het is daarom) zeer de vraag aan wien de titel van held met meer recht toekwam. Aan hem die zijn verstand liet beslissen, of aan hem, die zijn gevoel de vrije baan liet.'


Die houding domineerde volgens Van der Heijden lange tijd. De zuivering werd dan ook mondjesmaat doorgevoerd en er was weinig protest tegen de benoeming van Jan de Quay tot premier in 1959. Terwijl deze politicus toch een van de drie voormannen was geweest van de Nederlandse Unie; een groepering die volgens velen na 1945 een te meegaand standpunt had ingenomen en volgens Loe de Jong nadrukkelijk collaboreerde met de bezetter.


Het volgende omslagpunt ligt midden jaren zestig bij de tv serie De Bezetting van De Jong - zesentwintig uur televisie - en bij het boek De Ondergang van Jacques Presser. Dat is op zichzelf geen nieuw inzicht, ook al kan het menigeen verrassen, die denkt dat vanaf 1945 de jodenvervolging het hart van de herinnering aan de oorlog was geweest. Zo werd het tot zeker midden jaren zeventig niet gezien.


Interessant is de kenschets die Van der Heijden geeft van een generatie, waartoe hij onder anderen Harry Mulisch, Henk Hofland, Renate Rubinstein, Han Lammers en W.L. Brugsma rekent. Te laat geboren om een rol van betekenis te spelen in de oorlogsjaren en te vroeg geboren om in de jaren zestig een hoofdrol op te eisen, kenschetst hij ze als 'buitenstaanders'.


Het is juist deze generatie die het beeld van de oorlogsjaren vanaf het midden van de jaren zestig sterk zal beïnvloeden. Volgens hen had de oorlog het failliet van een wereld en een wereldbeeld aangetoond. Van der Heijden: 'Zij zagen de oorlog als een breuk en waren verontwaardigd dat hij slechts een onderbreking was gebleken.' Hun opstandigheid zal er toe bijdragen dat de uitgestelde belofte van een doorbraak in de verzuilde politiek en pers alsnog - zij het soepel en met mate - zal worden gerealiseerd. Het is een verdienste dat de auteur het 'zwart-witte' gezichtspunt van deze generatie, waartegen hij zich later heeft afgezet, toch invoelbaar weet te maken.


Wat het meeste verbazing wekt is niet zozeer dat na de jaren van verdringing eindelijk werd gesproken en ook niet dat na de daders de slachtoffers steeds meer nadruk kregen in de beeldvorming over de bezettingsjaren. Zo kon de oorlog een 'nationaal verhaal' worden, dat in het ontzuilende Nederland een van de weinige verbindende verhalen is. Verrassend is dat deze omslag tot in onze dagen doorwerkt. Het aantal oorlogspublicaties stijgt in herdenkingsjaren als 1985 en 1995 naar ongekende hoogte en ook na de eeuwwisseling blijft de aandacht groot.


Zal dat blijven voortduren? Van der Heijden stelt vast dat onder historici het beeld van de oorlog aan het vergruizen is. Juist de toenemende 'veelkleurigheid' - zoals gezegd spreekt hij nu minder over 'grijsheid' - maakt een identificatie steeds moeilijker. Vragen over het bovengemiddelde aantal joden dat in Nederland de oorlog niet overleefde worden steeds nadrukkelijker gesteld. Na de synthese - die in de jaren tachtig een hoogtepunt bereikt - komt nu de verwetenschappelijking.


Of die verbrokkeling het begin inluidt van een afnemende betekenis van de oorlog als referentiepunt durft Van der Heijden niet te zeggen, maar voorlopig lijkt het er nog niet op. Hij vat de paradoxale uitkomst van vijfenzestig jaar nasleep van de oorlog in een beeld samen: 'een ongebroken spiegel met duizend barsten', een verwijzing naar het Auschwitzmonument van Jan Wolkers.


In een slotbeschouwing verweert Van der Heijden zich impliciet tegen de verwijten die Grijs verleden betroffen: 'Nuancering, relativering, historisering of normalisering van de oorlogsgeschiedenis leidt niet tot bagatellisering of nivellering.' Hier worden begrippen door elkaar gebruikt die beter kunnen worden onderscheiden. 'Historisering' is bijvoorbeeld wat anders dan 'normalisering'; een nogal ongelukkig begrip in de context van de oorlog.


Toch ziet hij de grenzen van het relativisme en haalt instemmend de Britse historicus Tony Judt aan: 'De hervonden herinnering aan de dode joden van Europa is uitgegroeid tot de definitie en garantie van een herstelde menselijkheid.' Of het een 'garantie' vormt moet worden betwijfeld, maar dat de beschavingsbreuk van Auschwitz een ijkpunt vormt is wel zeker.


Het verbaast daarom dat Van der Heijden de belangrijkste doorwerking daarvan onbesproken laat. En dat is de betekenis van de oorlog voor het streven naar Europese integratie. Doordat de buitenlandse politiek goeddeels buiten zijn beschouwing valt, komt hij niet toe aan deze conclusie die door de oorlogsgeneraties is getrokken uit het 'dat nooit meer', namelijk de gedachte dat de nationale grenzen moesten plaatsmaken voor een continentale lotsgemeenschap.


Kohl en Mitterand, maar ook Lubbers en Kok, kozen ervoor om na de val van de Muur de Duitse eenheid 'onomkeerbaar' te verankeren in Europa door middel van een monetaire unie. Die stap werd gerechtvaardigd door de overtuiging dat ze behoorden tot de laatste generatie die nog herinneringen had aan de oorlog. Die verplichting droegen ze met zich mee en zo is de euro de monetaire uitdrukking geworden van dat 'nooit meer'.


Chris van der Heijden: Dat nooit meer. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.

Contact; 928 pagina's; € 69,95.


ISBN 978 90 254 2094 9


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden