De lange leegte van Namibië

Namibië is een van de leegste landen ter wereld: ideaal gebied om onbezorgd te genieten van een onbeschrijfelijke mooie natuur....

Gute Morgen, mein Schatz! De dag begint goed: de wekkerradio van pension het Hilltop House blijkt ingesteld op het Duitse programma van de Namibische staatsomroep.

Buiten maakt Windhoek zich op voor een nieuwe warme, zonnige dag, binnen marcheren vrolijke schlagers uit de luidspreker. Dat zal onze gast een prettig geluid vinden om bij te ontwaken, moet de zorgzame staf van het pension hebben gedacht.

Het Hilltop House is een van die luxe pleisterplaatsen die je wel vaker aantreft in de buurt van de mooiste delen van dit continent: elegante onderkomens voor up market toeristen, angstwekkend prijzig voor mensen die randen of kwacha's verdienen, geen enkel probleem voor gasten die in dollars en euro's kunnen denken.

Africana aan de muur, rustgevend hardhouten meubilair, weelderig beddegoed, een blauw zwembad, schommelstoel, airco, geruisloze bedienden, een ijskoud glas Das, a verandah with a view: Afrika als paradijs, even losgetrokken van de werkelijkheid.

'Wist je dat een stel medisch specialisten uit Duitsland een groot gebied in het binnenland heeft gepacht om te jagen', vertelt iemand me op de veranda. 'Ze vliegen hier zo eens in de twee weken heen, rechtstreeks met een nachtvlucht. Dan klimmen ze in hun four wheel drive, verdwijnen de woestijn in, schieten misschien een paar bokjes, en na een lang weekend vliegen ze weer terug naar Frankfurt.'

Bokken hoef ik niet te schieten, maar even in de woestijn verdwijnen, daar ben ik wel aan toe. Weg van de grote stad, ver weg van alle gedoe, onbezorgd genieten. In een mapje, bij de reisbescheiden heb ik een verhaal gestopt dat het nut bepleit van dolce far niente. 'De waarde van even niks doen', luidt de kop. Ik heb het niet eens helemaal gelezen. Het gaat meer om het idee: Namibië moet het ideale land zijn om niets te doen. Het is een van de leegste landen ter wereld.

Om toch nog iets om handen te hebben in de woestijn, besloot ik voor het eerst in mijn leven ook maar eens een vogelgids bij me te steken. De Skeletkust en het Kaokoveld hebben een verrassende rijkdom aan fauna, had de reisbrochure gewaarschuwd: dus neem uw Newman's Birds of Southern Africa mee!

Deze vogelaarsbijbel zou in de woeste leegte mijn leidraad worden. De hamerkop, de duinleeuwerik, de dusky sunbird: bij de eerste glimp zou ik ze een voor een aanstrepen in het handzame bijgeleverde notitieboekje. Dat zou mijn enige taak zijn, een week lang. En als er, zoals de reisgids voorspiegelt, nog een zeldzame woestijnolifant in het zicht kan komen, dan was het ook goed.

Na een diepe nachtrust - zou er een hoofdstad ter wereld rustiger zijn dan Windhoek? - zweven we in een oude Cessna boven de heuvelruggen van Damaraland. Mijn reisgenoten zijn vier Amerikanen op Afrika-expeditie en een bankiersechtpaar uit Johannesburg. Het treft: zij hebben hun Newman's ook bij zich.

Twee uur vliegen, het landschap is bijna leeg geworden, op wat hutten van leem en hout en hier en daar wat koeien en een herder. Het toestel landt zachtjes in het hoge gras van een vallei. Nog een uur hobbelen in een Landrover, en daar duikt tussen de zanderige glooiingen opeens het safarikamp op. Vijf tenten, een restaurant, ingetogen luxe, stille bedienden.

En stilte.

Geen levend wezen te zien. Zelfs geen vogel.

Het kamp van Wilderness Safaris - het enige in het 660duizend hectare grote natuurpark van de Skeletkust - werd twee jaar geleden gebouwd in de bedding van de Kumib-rivier. Hoewel rivier hier een wat abstract begrip is. Volgens overlevering is het inmiddels een eeuw geleden dat de Kumib water naar de Atlantische oceaan bracht. Slechts bij hoge uitzondering, als het noorden van Namibië een van zijn schaarse goede regenseizoenen heeft, loopt de gortdroge rivierbedding even vol.

Dan kan het plotseling heel hard gaan, zo mocht een select gezelschap reisschrijvers meemaken. De collega's waren te gast bij de opening van het kamp, en werden zomaar onthaald op de unieke ervaring van een watersnood midden in de woestijn.

'Geloof mij nou maar', had de gids nog gezegd, toen er dreigende zware regenwolken boven de bergen opdoken. 'Deze rivierbedding stroomt nooit vol.' Even later kolkte het water opeens door de kloof en moesten de Landrovers snel in veiligheid worden gebracht. Gelukkig waren de tentkamers op palen gebouwd, zodat het water er onderdoor kon razen.

In de perfecte stilte van de avondschemering, gezeten op de veranda voor mijn tent, zie ik twee vogels langs scheren. Jammer, het is al te donker voor de Newman's.

De volgende ochtend klopt Festus, onze chauffeur en gids, gekleed in onberispelijk khaki-uniform, op de deur.

Ik kijk op mijn horloge. Vijf uur. Het is nog aarddonker buiten. Zijn ze niet goed snik hier?

Festus, wat is er aan de hand? Het is nacht. Is er weer een overstroming op komst?

No sir. Time to wake up, sir!

Niks zalig niets doen. Opstaan, maant de gids, we hebben maar weinig tijd en er is zoveel te zien en te doen.

Dat blijkt. Vier dagen lang voert Festus ons onvermoeibaar in zijn Landrover door de lange leegte. We rijden door landschappen zo mooi dat er geen woorden voor zijn, rollen van wandelende duinen af, bewonderen mistbanken in de woestijn, zoutvlaktes, springbokken, kleikastelen en de fragiele schoonheid van de Welwitschia Mirabilis, bekijken het graf van de eenzame zeeman, proberen het aroma van de duizenden zeehonden bij Cabo Frio weer te vergeten, bestuderen walvisbotten, vissen op galjoen, lunchen onder een enorme Ana-boom.

Bovenop het dak van de Landrover voortstuiterend genieten we van de opkomende zon. We zien horden zeldzame woestijnolifanten, staan een half uur stil bij een kameleon, die getraumatiseerd achterblijft na een inspectie door de vier Amerikanen (Oh boy, that was good!) en 's avonds, als we eindelijk terug zijn in het kamp, als de weldadige koude douche het stof en het zweet heeft weggespoeld, vallen we uitgehongerd aan op de Duitse frikadellen van de voedzame woestijnkeuken.

Alleen de vogels vallen wat tegen. Hoewel de bankiersvrouw ze regelmatig in de verte ontwaart, blijft meestal onduidelijk wat de grijzige stipjes precies zijn. De onvolprezen Newman's biedt zelden uitkomst. Maar veel wordt goedgemaakt door die ene secretarisvogel, duidelijk herkenbaar aan lange poten, olijke veren op de kop en roofsnavel. Ze zucht tevreden. Een secretarisvogel in dit deel van Namibië, dat is bijzonder.

Bijzonder zijn zeker de Himba-families, die we op een snoeihete ochtend bezoeken in hun dorpje aan de rand van het Skeletkustpark. De Himba zijn verwant aan de Herero, van oorsprong nomadische veehouders, en ze leven in afgelegen dorpen in primitieve omstandigheden, zonder dat de regering zich bijzonder om hun lot bekommert.

De mensen van Wilderness Safaris helpen de Himba een beetje. Ze nemen medicijnen mee, geven zieken een lift naar de kliniek in Sesfontein, en zorgen eens per week voor de aanvoer van twee Landrovers met koopkrachtige lieden die wel een souvenir willen kopen van deze in de moderne tijd verzeilde bewoners van het Kaokoveld.

Terwijl de mannen in de schaduw van de kraal een pijpje roken, en de pot met geitenkoppen op een houtvuurtje staat te sudderen, spreiden de vrouwen de producten van hun handvaardigheid uit op dekens. En je staart ongelovig naar deze sierlijke mensen in deze uithoek van Afrika, als blijkt dat ze een mondje Nederlands - eigenlijk Afrikaans - spreken. Wat kost die armband? 'Vijftig rand, meneer'.

Op de laatste avond in het kamp vertelt Chris Bakkes over zijn droom. Onze gastheer is een boereseun uit Zuid-Afrika - 'mijn voorvader komt uit Maastricht, hij was 'n huursoldaat van Napoleon die door de Britten gevangen werd genomen en naar Kaapstad gestuurd' - en hij wil graag nog een keer in het karrenspoor van de dorstlanders naar wat nu Angola is.

De trek van de dorstlanders is legendarisch in Afrikaner kringen. Het waren boerenfamilies die genoeg hadden van de overheersing van de Britten in hun beloofde land. Ze trokken weg van de Kaap, in noordelijke richting, naar de onbarmhartig droge streken die nu Namibië en de Noord-Kaapprovincie van Zuid-Afrika vormen.

Het is een verhaal van onbuigzame koppen, ontberingen, dood en ellende, dat typerend mag heten voor de omzwervingen van de blanke stam in het zuiden van Afrika. De dorstlanders kochten eerst land van de Himba, maar de woestijn en malaria dunden hun gezelschap lelijk uit. Toen ze ook nog ruzie kregen met hun buren trok de karavaan maar weer verder, de Kunene over, Angola in. En ook daar waren ze na een tijdje niet meer welkom.

Bakkes voelt verwantschap met dat weerbarstige volkje van vroeger. Een paar nazaten van de dorstlanders boeren nog iets verder naar het noord-oosten, bij het nationaal park van Etosha, vertelt hij. Hij kent ze. 'Harde mensen. Die komen het eerst in de problemen als er hier in Namibië ook een landgrab komt zoals in Zimbabwe.'

Het laatste deel van de dorstlandertrek wil hij nog een keer doen. Angola in, samen met zijn broer Marius. Het moet mogelijk zijn, zegt hij, met de Landrover. Laatst heeft al een groepje Zuid-Afrikaanse 'hardegat-bushliefhebbers met de jeep via Namibië het zuidelijk puntje van Angola bereikt, het Parque Naçional do Iona.

Het is een deel van het land dat geen last heeft van de langzame burgeroorlog die Angola al zo lang in zijn greep heeft. 'Die streek moet nog bijna net zo ongerept zijn als toen', mijmert Bakkes. 'Ik wil dat zien.'

Ik mag mee, belooft hij. Van even niks doen zal wel weer weinig komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden