De lange fall-out van de zaak-Oppenheimer

J. Robert Oppenheimer, 'de vader van de Amerikaanse atoombom', is ruim een kwart eeuw na zijn dood opnieuw in opspraak....

DRIEHONDERD, schat J. Robert Oppenheimer. Een klap van hooguit driehonderd ton TNT zal de atoombom teweegbrengen, die op de ochtend van 16 juli 1945 voor een proefexplosie klaar staat op een stalen toren in de woestijn van New Mexico. Het hoofd van het wapenresearch-centrum bij Los Alamos legt zijn symbolische dollar bij die van de overige wetenschappers in de half-ingegraven observatiehut, tientallen kilometers van ground zero, en wacht op de dingen die komen gaan. Buiten slaan slagregens over de vlakte en rolt de donder.

Om half zes precies staan plotseling de bergruggen tot in de verre omtrek in een oogverblindend licht, helderder dan de middagzon. Een halve minuut blijft het angstig stil. Dan maait een drukgolf iedereen omver die zich al op zijn benen heeft gewaagd en een dreunend geluid vult minutenlang de lucht. Een majestueuze paddestoelvormige wolk verrijst ten slotte tot kilometers hoog boven de vlakte. Sommigen in de hut huilen.

'Ik ben de dood, de vernietiger van werelden', flitst het door Oppenheimers hoofd. De scène in de Baghavadgita, een Indiaas heldenepos, waarin Krishna de prins probeert te overtuigen dat hij zijn plicht moet doen. Oppenheimer is zijn dollar ruimschoots kwijt, en het verbaast hem niets. Hij had gehoopt dat de explosie minder heftig zou zijn, maar had al jaren het ergste gevreesd en dat laten weten aan zo ongeveer iedereen die het maar horen wilde.

J. Robert Oppenheimer, de uitmuntende fysicus, de twijfelaar, de gewetensvolle, de estheet, de dichter, de briljante docent, realiseerde zich sterker dan ooit in de voorgaande jaren wat er gebeurd was. Hij was de prins geweest die zijn plicht als Amerikaan had gedaan, en hij had de vernietiger van werelden tot leven gewekt. Een maand later werden Amerikaanse atoombommen gegooid op de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki. Zeker 200 duizend mensen, voornamelijk burgers, kwamen direct om. Tienduizenden stierven later.

Aldus de populaire gedramatiseerde versie van de zondeval van de moderne natuurwetenschappen en hun beoefenaren. Gewetensvolle fysici, keurige jonge mannen en vrouwen met verheven idealen, hadden zich, door de oorlog daartoe gedreven, ingezet voor het bouwen van een massa-vernietigingswapen en beseften geleidelijk dat er geen weg terug meer was. Maar huilden zij slechts toen het te laat was, reciteerden ze pas achteraf diepzinnige Indiase strofen?

Verre van dat, suggereerde eerder dit jaar een boek dat in de Verenigde Staten bijna de sfeer van de anti-communistische heksenjacht uit de jaren vijftig weer heeft teruggeroepen. Pavel Soedoplatov, een 89-jarige voormalig agent van een vroege voorganger van de inmiddels ook al weer omgedoopte KGB, schreef samen met zijn zoon Anatoli en een legertje ghost-writers zijn memoires.

Weinig interessante memoires. Soedoplatov was een kleine maar nijvere slager van de Russische geheime dienst, waartoe hij in de jaren twintig al toetrad. In 1940 was hij nauw betrokken bij de liquidatie van Trotski in Mexico. In de jaren 1945-46 leidde hij naar eigen zeggen geheime operaties om informatie over de atoombom-projecten in de VS te verzamelen.

In 1953 werd hij meegesleept in de val van de chef van de geheime dienst, Lavrenti Beria, die probeerde na de dood van Stalin de macht te grijpen. De formele reden voor zijn ontslag uit de dienst luidde dat een van zijn agenten in Duitsland was overgelopen naar het Westen.

In dat verband stond Soedoplatovs naam in 1954 een dag lang in alle westerse kranten. Maar veertig jaar later staat hij nu al maanden in de belangstelling met een buitengewoon spectaculaire claim: vrijwel alle topfysici die betrokken waren bij het Manhattan-project in de Verenigde Staten, lekten tijdens en na de oorlog informatie over de ontwikkeling van de atoombom naar de Sovjet-Unie. Enrico Fermi, Leo Szilard, Niels Bohr, J. Robert Oppenheimer, niemand bleef buiten schot. En alles gebeurde onder Soedoplatovs leiding.

Soedoplatov kletst vergaand uit zijn nek, zo hebben sinds de publikatie van het boek al talloze commentatoren laten weten. Hij maakt zijn beschuldigingen nauwelijks waar, stapelt fout op fout, gooit data en namen door elkaar en smeedt halve waarheden. Natuurlijk, in de jaren vijftig liep de Brit Klaus Fuchs tegen de lamp en belandde het echtpaar Julius en Ethel Rosenberg zelfs op de elektrische stoel wegens atoomspionage, maar dat zijn heel andere namen dan die uit het inner sanctum zelf.

Een verklaring voor het verhaal van de oud-spion is inmiddels officieel door persbureau Tass aangedragen. Soedoplatov, aldus het agentschap in een ouderwets defensief aandoend persbericht, is uit op het maximaliseren van zijn eigen rol als organisator van een spionagenetwerk in de VS bij het opzetten van het Russische kernwapenprogramma. 'De atoomwapens en waterstofbom werden in de SovjetUnie tot stand gebracht dank zij een machtig wetenschappelijk, technisch en intellectueel potentieel. De doorslaggevende bijdragen werden geleverd door een grote groep geleerden. De rol van geheime diensten (...) was een ondersteunende.' In 1949 brachten de Sovjets hun eerste atoombom tot ontploffing in de woestijn van Kazachstan.

Dat het niet botert tussen oud-Sovjetgeleerden en oud-KGB-mensen, moge duidelijk zijn. Tien vooraanstaande geleerden gaven begin deze maand in Moskou een verklaring uit waarin ze 'de provocerende pogingen' veroordelen van 'reactionaire, anti-democratische en anti-intellectuele krachten in Rusland om de prestaties van wetenschapsmensen in de SovjetUnie inzake het atoomproject in discrediet te brengen'.

De vraag is of daarmee ook meteen alle ophef verklaard is. Soedoplatov mag dan met onzuivere motieven de plank willens en wetens misslaan, eerder deze maand dook in de voormalige Sovjet-Unie opnieuw een getuige op, die licht werpt op de relatie van de hoofdrolspelers in het Manhattan-project met de Sovjet-Unie van Stalin. Britse kranten publiceerden dagen achtereen delen van lange gesprekken met Sergej Aleksevitsj Gegetsjkori, een gepensioneerd raket-geleerde uit Kiev. Niet zo maar iemand, maar de 69-jarige (enige) zoon van Lavrenti Beria, het in 1953 geëxecuteerde hoofd van Stalins geheime dienst.

Zoon Beria, die sinds 1954 door het leven gaat onder zijn moeders naam, publiceerde onlangs een hagiografisch boek over zijn vader, die helemaal niet de bloeddorstige beul zou zijn geweest die de officiële Sovjet-geschiedschrijving na zijn dood van hem maakte. Historici kunnen er desgewenst hun voordeel mee doen.

Veel intrigerender is een aanvankelijk bijna terloops gemaakte opmerking over de vriendenkring die huize Beria er in betere tijden op na hield. Behalve de overgelopen spion Kim Philby en Israëls toenmalige ambassadeur in Moskou, Golda Meir, was volgens Beria jr. ook de jonge Amerikaanse fysicus Robert Oppenheimer een geziene gast. Later weidt Gegetsjkori verder uit.

'Oppenheimer verbleef in Moskou onder een andere naam. Hij was via Frankrijk gekomen, Franse kameraden hadden hem op weg hierheen geholpen, en het speet hem erg dat hij zonder resultaat weer moest vertrekken', aldus Beria jr. tegenover de correspondent van The Independent. 'Hij had hier in de Sovjet-Unie aan het atoombomproject willen werken.'

'Het was in het najaar van 1939, ik geloof in september. Mijn vader zei me dat ik thuis kon blijven terwijl Oppenheimer bij ons logeerde, omdat hij zich anders misschien zou vervelen. Oppenheimer ging geregeld op pad met mijn vaders adjunct, Vsevold Markoelov, maar soms bleef hij thuis en dan hield ik hem gezelschap. Hij vroeg me wat ik op school deed. We spraken Engels, maar hij sprak ook perfect Duits.'

Op het eerste gezicht kan dit niet waar zijn. In 1937 liet Oppenheimers vader hem een fortuin na, dat hij voor een deel besteedde aan anti-fascistische groeperingen. Zijn medeleven met Sovjetgeleerden die door Stalin in het nauw werden gedreven, maakte echter dat hij communistische en stalinistische organisaties daarvan nadrukkelijk uitsloot.

Maar ook de chronologie spreekt boekdelen. Nazomer 1939 was er nog in de verste verte geen sprake van een atoombomproject in de Sovjet-Unie. Sterker, nog maar op 15 januari van dat jaar hadden Otto Hahn, Lise Meitner en Fritz Strassmann in het tijdschrift Die Naturwissenschaften een artikel gepubliceerd over een geslaagde splijting van een kern van uranium. Het idee was al in 1933 door de Hongaar Leo Szilard - dezelfde die later aan het Manhattan-project zou werken - geopperd, maar toen was dat weinig meer dan theoretische speculatie.

Nog korter voor Oppenheimers vermeende bezoek aan Beria, op 2 augustus 1939, schreef Albert Einstein (mede namens Szilard) in het geheim aan president Roosevelt dat de Duitse inspanningen rond kernsplijting hem verontrustten. Daarop stelde Roosevelt het Uranium Committee in. Dat gezelschap van deskundigen - met onder meer de Brit Rudolph Peierls, maar zonder Oppenheimer - rapporteerde voor het eerst in het voorjaar van 1940 over een praktisch bruikbare kettingreactie van kernsplijtingen. Een definitief rapport verscheen juli 1941.

Op 6 december van dat jaar, een dag voor de Japanse aanval op Pearl Harbor, viel het definitieve besluit een atoombom te ontwikkelen. Het Manhattan-project werdt opgetuigd. In 1942 werd prof. J. Robert Oppenheimer van Caltech in Pasadena benoemd tot directeur van Project Y, de daadwerkelijke vervaardiging van een atoombom.

EEN MAAND later koos Oppenheimer de voormalige Los Alamos Ranch School in New Mexico als lokatie voor zijn nieuwe laboratorium. Hij kende de onherbergzame plek uit zijn jeugd. Aan alle voorwaarden van veiligheid en geheimhouding leek hier in the middle of nowhere voldaan.

Volgens de eerder genoemde verklaring van Tass kreeg de Russische geheime dienst in september 1941 voor het eerst lucht van de steeds intensievere inspanningen in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Waarschijnlijk was daarvoor Klaus Fuchs, een communist die in 1933 HitlerDuitsland was ontvlucht, al verantwoordelijk.

Fuchs briefde de indrukken door die hij had opgedaan bij zijn niets vermoedende kennis Peierls, lid van Roosevelts Uranium Committee. Fuchs kwam in augustus 1944 naar het atoombom-laboratorium in Los Alamos, samen met Peierls, die door de huistheoreticus Hans Bethe naar de VS was gehaald. Vanaf 1945 overhandigde hij persoonlijk geheime tekeningen van ontstekingsmechanismen aan een Sovjet-agent, Harry Gold.

In september 1939 moest dat allemaal nog gebeuren. Op z'n minst deugt dus de chronologie niet in het verhaal van zoon Beria. Daarnaast blijft het uiterst vreemd dat deze cruciale episode uit Oppenheimers leven over het hoofd is gezien door de onderzoekscommissies die zich in de jaren vijftig over zijn handel en wandel hebben gebogen. En dat terwijl er geen steen op de andere werd gelaten om aan te tonen dat de voormalige directeur van Los Alamos wegens communistische neigingen een gevaar voor de Amerikaanse samenleving was.

In oktober, enkele maanden na de succesvolle test op Trinity Site in de vroege ochtend van 16 juli 1945, neemt Oppenheimer ontslag uit het Manhattan-project. Twee jaar later wordt hij hoofd van het Institute for Advanced Study aan de Princeton University, het instituut dat zo ongeveer is opgezet om Albert Einstein in staat te stellen de zwaartekracht te doorgronden.

In hetzelfde jaar wordt hij benoemd tot voorzitter van het zogeheten General Advisory Committee van de Atomic Energy Commission, een eufemisme voor een adviesorgaan dat over de bouw van een nieuw type kernwapen moest oordelen: de waterstofbom. In 1949 heeft de commissie haar werk klaar. Men acht het onnodig deze nog veel krachtiger superbom in grote haast te bouwen. Met die stellingname maakt voorzitter Oppenheimer weinig vrienden op een moment dat de Koude Oorlog zich aandient.

Een bittere vijand wordt de man die als een van de eersten onder Oppenheimer in Los Alamos aan het werk ging: de geniale Edward Teller, een Hongaarse vluchteling met een peilloze haat voor alles wat naar communisme riekt. Teller heeft dan al een visioen van de bom aller bommen, die de kernfusieprocessen in de zon nabootst in plaats van kernsplijting. In Los Alamos vindt hij er weinig gehoor voor. Pas na de oorlog begint de politiek er oog voor te krijgen en maakt Teller - nu 86 - een komeetachtige carrière als wetenschappelijk adviseur van Washington.

Het zijn inmiddels gevaarlijke tijden geworden voor een man met vijanden. In 1949 getuigt Oppenheimer voor de Atomic Energy Commission over de mogelijke levering van een kleine hoeveelheid radioactief ijzer aan Noorwegen. De voorzitter van de commissie, communistenvreter Lewis Strauss, is gekant tegen elke export van radioactief materiaal.

Oppenheimer beklimt het spreekgestoelte en krijgt de vraag of het spul bruikbaar is voor wapenproduktie. 'Niemand kan beweren dat het onbruikbaar is voor kernenergie, maar dat geldt ook voor een schep en een fles bier.' Hilariteit in de zaal, voorzitter Strauss weet met zijn figuur geen raad, de deal gaat door.

Enkele jaren later doen geruchten over Oppenheimers oud-communistische vriendenkring en dito vrouw de ronde, en Strauss ziet zijn kans schoon. Nieuw zijn die geruchten overigens geenzins. Toen Oppenheimer in 1942 werd gevraagd voor Los Alamos, liet hij vrijwillig weten bij tal van (pro)communistische organisaties aan de Westkust betrokken te zijn geweest. Maar, hield hij vol, hij was geen communist en volstrekt loyaal aan de USA. Bij zijn aanstelling weigerde een ijverige veiligheidsbeambte hem de benodigde security clearence tot hij daartoe formeel bevel kreeg van generaal Leslie Groves, de militair directeur van het Manhattan-project.

Strauss laat de FBI acht jaar na dato de geleerde schaduwen waar hij maar gaat, zijn post onderscheppen en openen, en laat hem afluisteren tot in zijn eigen huis. Langzaam groeit het bewijs dat ertoe leidt dat Oppenheimer zijn security clearance wordt ontnomen, de toestemming om geheime overheidsdocumenten in te zien. Eind 1953 wordt Oppenheimer beschuldigd van onvaderlandslievende activiteiten, het volgende voorjaar begint een uitgebreide serie verhoren.

De even briljante als arrogante Oppenheimer blijkt talloze vijanden te hebben. In 1954 haalt met name Teller ongenadig uit naar zijn vroegere chef in Los Alamos. 'Ik zou me persoonlijk veiliger voelen', vertelt hij de onderzoekscommissie, 'als het publieke belang in andere handen zou berusten.'

Het onderzoek loopt evenwel op niets uit. Oppenheimer wordt uiteindelijk vrijgepleit van elke verdenking van spionage of onpatriottische gedragingen.

CONFORM DE logica van het tijdsgewricht krijgt hij de security clearance echter niet meer terug. Zoals de wapengeleerde John von Neumann - ook al van Hongaarse afkomst - het destijds verwoordde: 'In Engeland hadden ze Oppie na het afleveren van de bom waarschijnlijk earl gemaakt. Wanneer hij dan met zijn gulp open over straat had gelopen, hadden de mensen gezegd: kijk, daar komt de graaf. In Amerika zeggen we dat zijn gulp open staat.'

Het is het einde van Oppenheimers openbare carrière. De steeds filosofischer ingestelde geleerde trekt zich terug in Princeton en publiceert essays over wetenschap en samenleving. Keer op keer verdedigt hij de stelling dat wetenschappelijke kennis universeel is en aan de gehele mensheid toebehoort. Van Los Alamos heeft hij geen spijt, al erkent hij dat er bloed aan zijn handen kleeft. In 1967, een jaar na zijn pensionering, sterft hij in New York aan keelkanker.

Kasten vol zijn er geschreven over Oppenheimers connecties met diverse communisten vóór de Tweede Wereldoorlog. Er zijn (slechte en erg slechte) films over gemaakt, Heinar Kipphardt schreef er een talloze malen opgevoerd toneelstuk over.

Vaste ingrediënten: de grote erfenis, Oppenheimers talenkennis, zijn alcoholische vrouw, zijn onwaarschijnlijk snelle redeneerkunst, zijn anti-fascistische instelling, de communistische kennissenkring, zijn verbondenheid met Amerika, zijn hulpeloosheid in de slangenkuil van het McCarthy-tijdperk.

En toch blijven er onduidelijkheden. In 1942 gaf Oppenheimer ostentatief zijn collega Haakon Chevalier aan bij de militaire geheime dienst wegens communistische activiteiten. Dat was een wonderlijke daad voor iemand die toen al jarenlang verloofd was met een communist. De beweegredenen zijn nooit opgehelderd. In zijn omstreden biografie heeft Pavel Soedoplatov een even elegante als onwaarschijnlijke verklaring: Oppenheimer kreeg van Moskou de opdracht openlijk afstand te nemen van zijn linkse ideeën, aangezien Washington hem op het oog had als directeur van Project Y.

Er is een eenvoudiger verklaring. Oppenheimer had een persoonlijk geschil met Chevalier en koos de meest voor de hand liggende stok om de hond te slaan. Zoals velen in die jaren deden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden