De Lady lacht je toe

Kom naar Birma, zei Aung San Suu Kyi na haar vrijlating door het regime. Dus daar zijn we dan, in het 'Thailand van dertig jaar geleden'.

In de winter van 2011 nam Ni Ni Htun een ferm besluit. Ze ging naar de markt in haar woonplaats Thazi, kocht een portret van de Lady en pinde de foto aan de muur in haar bescheiden hotelletje. Een jaar eerder zou je voor zo'n daad nog zijn gearresteerd. De Lady, Aung San Suu Kyi, hangt nu naast de familiefoto's van Ni Ni Htun, tussen de kalender en het boeddhabeeld.


'We zijn trots op de Lady', zegt Ni Ni, terwijl ze een eenvoudig ontbijt op tafel schuift, toast met eieren die haar bejaarde moeder net voor vijf uur in de nacht heeft gebakken. Om vijf uur wordt de elektriciteit in Thazi uitgeschakeld door de gemeente. Elke nacht. Als er om zeven uur nog geen stroom is, zet Ni Ni's echtgenoot een zaklamp voor elke kamerdeur.


Dankzij de Lady is het aantal buitenlandse gasten in Ni Ni's hotelletje het laatste jaar flink gegroeid. Na jaren van huisarrest werd de oppositieleidster en Nobelprijswinnares in 2010 vrijgelaten door het Birmese regime. Aung San Suu Kyi is inmiddels alomtegenwoordig in Birma. Op de ramen van taxi's en bussen zie je haar foto. Ze lacht je toe vanuit winkels en restaurants. Ni Ni zegt: 'De Lady is onze toekomst.' Voor de Birmezen is ze Nelson Mandela en Che Guevara tegelijk. En ze is een goede pr-vrouw. Kom maar naar Birma, zei ze kort na haar vrijlating, zolang je maar zorgt dat je geld terechtkomt bij de gewone mensen en niet bij het regime.


Dus daar zijn we dan, in 2012 waren we al met een miljoen, een verdubbeling in een jaar tijd. De hotelsector schrok wakker, de prijzen schoten omhoog. In Yangon soms met 100 procent volgens een lokale krant, en elke reis door Birma begint in Yangon, het vroegere Rangoon. Foreigner Can Use WiFi, meldt een bord in het enorme tempelcomplex Shwedagon Paya te Yangon. Het is eigenlijk geen tempel, het is een gouden stad. Als de zon ondergaat, kleuren de pagodes van geelglanzend goud naar karmozijnrood. De duizenden monniken krijgen gezelschap van het volk en van de buitenlandse toeristen. Honderden boeddha's kijken welwillend neer op de massa die hier op blote voeten de drukte, het vuil en de ruis van de stad ontvlucht.


Hoeveel pagodes zijn er wel niet, in de Shwedagon Paya, en in de rest van het land? 'Wie heeft de sterren aan de hemel geteld', is het schaterende antwoord van de kleine monnik die zijn Engels wil uitproberen. Wie in het hiernamaals gelukkig wil worden, zegt hij, moet op aarde een tempel bouwen.


Tienduizenden, honderdduizenden tempels telt het land. Je ziet ze vanuit de afgetakelde treincoupé als je naar het noorden boemelt: blinkend wit of stralend goud in droge rijstvelden. Ze staan opeens voor je neus als je ergens een hoek omslaat: bescheiden bouwseltjes van baksteen of vergulde blingbling-exemplaren tussen door vocht aangetaste huisjes. Of je ziet ze niet maar je weet dat er één in de buurt moet zijn als je op een bergpad een boer devoot op zijn knieën ziet zakken voordat hij verder trekt met zijn ossenwagen. Hij kijkt niet meer op van een paar toeristen die wandelend op weg zijn naar het Inle-meer.


De twee- of driedaagse trekkings vanuit het bergstadje Kalaw naar het Inle-meer zijn populair in de droge tijd. 'Ik kan niet eens genoeg gidsen vinden die Engels spreken', zegt Jonathan van Jonathan Hiking met een Amerikaans accent. De jonge Birmees kreeg zijn naam van een Amerikaanse non die zich over hem ontfermde toen zijn ouders 'verdwenen'. Details wil hij niet kwijt; over de systematische onderdrukking kom je weinig te weten van gewone Birmezen. Soldaten zie je zelden op straat, zolang je toeristische routes blijft volgen en de verboden zones in het land vermijdt.


Het enige zichtbare leger hier is een oranje leger, dat van de bedelende monniken. Maar zelfs in de afgelegen boerenhuizen van het Pa-O-volk dat door het regime wordt genegeerd, en waar we tijdens de trekking de nacht doorbrengen, hangen portretten van de Lady boven de matrassen op de vloer. Als politieke bidprentjes.


Het Inle-meer is een verzamelpaats van toeristen. Lange houten boten met een buitenboordmotor vervoeren je voor een habbekrats naar dorpen op palen, naar een tempel, een weverij, een markt en drijvende tuinderijen, tapijten van planten die heel licht deinen op de golfslag. Balancerend in haar bootje oogst een vrouw manden vol tomaten en pompoenen. Vissers werpen met één hand een net uit in het zilverige water, terwijl ze met de andere hand en één been een roeispaan voortbewegen. Ze zijn fotogeniek, maar vissen en motorbootjes vol toeristen, dat gaat moeilijk samen. 'Steeds meer vissers geven het op en gaan toeristen vervoeren', zegt Htin Tu, onze bootjesman. Hijzelf is één van hen.


Het is vast niet wat de Lady bedoelde toen ze zei dat toeristen verandering kunnen bewerkstelligen als ze maar contact zoeken met de juiste mensen. Aan de noordkant van het meer zien we kleine dorpen liggen van identieke huizen, tegen de paarskleurende heuvelruggen. Het zijn resorts met wellnessbaden en andere luxe voorzieningen; je moet goeie maatjes zijn met het regime wil je als ondernemer zoiets voor elkaar krijgen.


Birma is begonnen aan een inhaalslag, zo veel maken die resorts wel duidelijk. Birma, dat is Thailand dertig jaar geleden, zegt een Duitse touroperator in de tempelregio Bagan: 'Over vijf jaar is Birma net zoals Thailand tien jaar geleden was.' Het gaat hard, maar het land heeft zich nog niet helemáál aangepast aan westerse toeristen. Je iPhone is bij aankomst op zwart gegaan. Geldautomaten zijn even schaars als loungebars of musea. Overnachten op een bankje in een morsig busstation blijkt soms onvermijdelijk bij gebrek aan efficiënte overstapmogelijkheden. De ober van een theehuisje rent je verbaasd achterna met het kleingeld. Je had het als fooi voor hem achtergelaten op de groezelige formica tafel.


En als je vraagt naar een leuke eetgelegenheid, wijst je hotelconciërge in Mandalay, de tweede stad van het land, vol onbegrip naar een verzameling plastic tuinstoeltjes op het trottoir. In de walm van een vloot brommertjes sissen de woks en vliegen de chapati's als pizza's door de lucht. Vader draagt de ingrediënten aan, moeder beheert de pannen, de kinderen bedienen naast een half open riool. Het begrip streetfood moet je hier erg letterlijk nemen.


Wat je terugkrijgt is een land zoals we dat graag zien op reis, arcadische landschappen waar het technologietijdperk nog moet arriveren, eenvoudig levende mensen, net niet arm genoeg om te creperen, en rust. Rust zonder mobiele stoorzenders, zoals op de boot tussen Mandalay en Bagan. De stroperige ochtendnevel bij de afvaart geeft prachtige taferelen prijs: kinderen spartelend in het water met gouden tempels op de oever. Dommelend aan dek zie je hoe de boot lange lussen maakt op de Irrawaddy om de ondieptes te ontwijken. Bij aankomst wekken verkruimelende pagodes van baksteen de indruk dat je in het mythische rijk Shambala bent gearriveerd.


Maar ook in dit Shambala rinkelt de kassa. Bij het aanmeren moet elke toerist 10 dollar entree betalen, geld dat rechtstreeks naar het regime vloeit - er is geen ontkomen aan. Van de 10de tot de 13de eeuw volgden koninklijke dynastieën elkaar op in Bagan. Hun houten paleizen hebben de oorlogen, aardbevingen en de tijd niet overleefd; hun belangrijkste bouwwerken, die van steen, waren voor de goden. Waar je ook kijkt zie je tempels, stoepa's en pagodes. Ze lijken uit de aarde te schieten als vreemde, woekerende tekens - groot, klein, verlaten of druk bezocht, trots naar de hemel reikend op de open vlakte of bescheiden in de hoek van een dorp. Je kunt er dwalen door holle, bijna verlaten gangen waar het pleisterwerk is afgebrokkeld om dan toch weer een brandend staafje wierook te ontdekken in een stoffige nis.


Bij het vallen van de avond heb je vanaf de hoge Sulamani Pahto prachtig zicht op de duizenden pagodes. Toeristen worden met bussen, paardenkoetsjes en taxi's aangevoerd en klauteren naar boven. Wanneer de rook van de kookvuurtjes opstijgt tussen de struiken en de heiige, donker wordende lucht de hemelse stad opslokt, lijk je in de verte Maya-tempels te ontwaren en de koepel van een kathedraal. Goden hebben hun eigen architectuur, die steevast naar de hemel reikt.


Tussen al die gebedshuizen duikt ze weer op, de Lady, als een moderne heldin dit keer. Een van de koetsiers spreekt redelijk Engels en terwijl je zachtjes naar je hotel hobbelt, vertelt hij honderduit. Mi Min is blij met de toeristen. In de regentijd verbouwt hij rijst, in de droge tijd vervoert hij toeristen die hem een klein inkomen verschaffen. Misschien kan hij zijn oude koetsje een nieuwe verflaag geven en wellicht zelfs zijn kinderen elke dag naar de buurtschool sturen. 'Dan hoeven ze niet zo lang naar het klooster. Ik miste mijn familie toen ik als kind in het klooster woonde.' Twee zoontjes heeft Mi Min, en sinds twee maanden een kleine meid. Hoe heet ze? 'Suu Kyi', zegt hij. 'We hebben haar genoemd naar de Lady. De Lady is onze heldin.'


DOLLARS MEE

Slapen

Vrijwel iedereen arriveert in Yangon. Door een kamertekort kun je in het hoogseizoen (nov-apr) zonder reservering weleens bot vangen. Als je niet de hele reis tevoren wilt vastleggen, reserveer dan via internet een guesthouse in Yangon en boek daarna steeds een paar dagen vooruit. Zo kun je ook plaatsen mijden waar het lokaal onrustig is. Andere reizigers hebben vaak goeie tips. Ook Lonely Planet is nuttig: een van de weinige gidsen over het land, maar de prijzen kloppen vaak niet.


Reizen

In het hele land rijden lange-afstandsbussen, meestal 's avonds en 's nachts wat weleens tot gevolg heeft dat je midden in de nacht arriveert. Ze zijn een dag tevoren te boeken in je verblijfplaats. Hotelpersoneel weet vaak raad. Binnenlandse vluchten zijn meestal nog één tot enkele dagen tevoren te boeken bij kleine reisbureaus. Voor een treinboeking moet je de dag tevoren naar het station. De treinen zijn aftands, langzaam, oncomfortabel en o zo kleurrijk: reden waarom veel toeristen een keer de trein nemen.


Verder

Neem dollars mee voor de hele reis, geldautomaten zijn er vrijwel niet en creditcards zijn niet meer dan een stukje plastic. Lang niet overal is wifi, internetcafés zijn meestal wel te vinden.


DE WEG NAAR DEMOCRATIE

Birma lijkt langzaam op weg naar een democratie, na decennia militaire dictatuur. De angst van de bevolking zit diep; de meeste Birmezen praten liever niet met buitenlanders over politiek. Oppositieleidster Aung San Suu Kyi van de Nationa League for Democracy (NLD) werd het nationale en internationale symbool van de roep om vrijheid. Na jaren huisarrest werd ze op 13 november 2010 vrijgelaten, waarna ze een bijna goddelijke status verwierf. Inmiddels is er ook kritiek: ze zou zich te veel liëren met het (veranderingsgezinde) regime.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden