De laatste van haar volk

In een stadje in de binnenlanden van Brazilië trof Stella Telles, onderzoekster van de indianentaal Latundê, de laatste nog levende spreekster van het nauwverwante Lakondê....

In het noordoosten van Brazilië, waar het Amazonewoud overgaat in savanne, wonen negentien mannen, vrouwen en kinderen in een kleine groep hutjes. De indianen spreken met elkaar in de taal Latundê, en ze zijn de enigen ter wereld die dat nog kunnen. Het was bij deze nederzetting dat de Braziliaanse taalkundige Stella Telles vier jaar geleden voor het eerst arriveerde, na een looptocht van twee dagen vanaf het dichtstbijzijnde stadje Chupinguaia.

Ze zou met tussenpozen zo'n twaalf maanden bij de vriendelijke indianen verblijven, 'mijn landgenoten, maar ook mensen die in een compleet andere wereld leven', zegt ze. Stukje bij beetje kreeg Telles het Latundê onder de knie. Halverwege volgde ook nog een verrassing: ze vond de enig overgebleven spreekster van het Lakondê, een verwante taal waarvan men dacht dat hij was uitgestorven. Ook die ging Telles leren. Donderdag 19 december promoveert de Braziliaanse aan de Vrije Universiteit (VU) op de klank-, woord- en zinstructuur van beide bedreigde talen.

Het onderzoek van Telles maakt deel uit van een groter VU-onderzoek naar de zestien verwante talen van de Nambikwara, een groep indianenstammen boven de grens met Bolivia. In 1907 kwamen die voor het eerst met westerlingen in contact. Toen waren er zo'n tienduizend, nu leven er nog zo'n elfhonderd in verschillende kleine nederzettingen. Hun talen, voor zover bekend niet verwant aan enige andere taal, verdwijnen in snel tempo.

Naast Telles zijn er twee andere aio's in de regio. Zij onderzoeken de Nambikwara-talen Sabanê en Sararé. Daarnaast doet een postdoc antropologisch onderzoek naar de Nambikwara. Een tweede postdoc probeert op basis van de drie taalstudies een reconstructie te maken van de 'originele' Nambikwara-taal zoals die er zo'n tweeduizend jaar geleden uitgezien kan hebben.

Dit laatste onderzoek vormt een centraal onderdeel van het door NWO gesubsidieerde VU-project, vertelt projectleider prof. dr. Leo Wetzels, hoogleraar Romaanse talen en talen van de Amazone aan de VU. Want doel van de studies is niet alleen de uitstervende talen voor het nageslacht te bewaren, ofschoon dat belangrijk is. De onderzoekers willen achterhalen hoe de vele indianenstammen door de geschiedenis heen over het continent zijn getrokken: ze willen een bijdrage leveren aan de 'migratiegeschiedenis' van de Amazone-indianen.

Het reconstrueren van de 'proto-taal' van de Nambikwara kan daaraan meehelpen, legt Wetzels uit. Die kan worden vergeleken met reconstructies van andere indianentalen, en kan zo leiden tot de ontdekking van klank- en betekenisovereenkomsten in de vroege proto-talen.

Door daar ook antropologisch onderzoek bij te betrekken, en door te kijken in archieven van bijvoorbeeld de Spaanse, Portugese en Hollandse kolonisten, kan bepaald worden waar en wanneer de verschillende volkeren elkaar ontmoet zouden kunnen hebben, en via welk traject. Zo ontstaat een 'prehistorie' van deze volkeren die zelf nooit hebben leren schrijven, zegt Wetzels.

Het gebrek aan een geschreven taal was een belangrijke reden voor Telles om zo'n lange tijd met de indianen zelf om te gaan. Het Latundê moest ze immers al doende leren, er bestaan geen woordenboeken. Gelukkig vonden de indianen het geen probleem dat ze een tijdje meeliep, zegt ze, als ze maar meehielp in de huishouding.

De negentien overgebleven Latundê-sprekers leven in een klein reservaat en vormen drie aparte families. De eerste bestaat maar uit één persoon: de oude vrouw Batatá. Zij woont in een traditionele, rieten hut en slaapt nog op traditionele wijze in de warme houtskool op de grond. De grootste familie is van Mané Torto, afkomstig van een andere stam, zijn twee vrouwen Terezinha en Fátima en hun kinderen. De derde familie bestaat uit José, zijn vrouw Lurdes en hun kinderen. Terezinha, Fatimá en Lurdes zijn zussen van elkaar. De meeste Latundê-sprekers zijn dus bloedverwanten.

De Latundê leven, zoals veel Amazone-indianen, in een reservaat. Het meeste contact met de westerse wereld wordt onderhouden door de Braziliaanse organisatie Funai.

Die verschaft de indianen medicijnen, onderhoudt een schooltje in de regio en helpt bij huisvesting. Maar de Latundê-tieners, vertelt Telles, ondernemen de laatste tijd ook vaak tochten naar Chupinguaia om de moderne wereld te beleven.

Telles kreeg onderdak in het grootste huis, dat van Mané Torto. Hoewel ze welkom was, met haar grappige recorder en notitieblokjes, begrepen ze niet goed wat de linguïste kwam doen. '''Waarom wil je onze taal weten?'', vroegen vooral de ouderen voortdurend. Ze zagen het belang niet. De jongeren beseften dat beter: zij weten dat een eigen taal belangrijk is, om door de overheid erkend te worden als een aparte indianenstam, met rechten zoals een eigen reservaat.'

Toch spreken de pubers en kinderen het Latundê slechter dan de ouderen. Bijzonder aan de Latundê is dat zij pas in 1967 voor het eerst in aanraking kwamen met westerlingen. In de gemeenschap bestaat daardoor een kloof tussen degenen van voor en na 1967. De jongeren spreken beter Portugees. Telles: 'Ze zeggen dat dat makkelijker is, maar ze bedoelen dat ze met die taal meer mogelijkheden hebben.' Bovendien zijn ze allemaal familie, en zullen ze een huwelijkspartner buiten de groep moeten vinden.

De jongeren functioneerden door hun tweetaligheid vaak als Telles' tolken. Meestal gebeurde dat tijdens dagelijkse bezigheden. De Latundê zijn een traditionele gemeenschap van jagers en boeren. De mannen jagen op apen, kaaimannen en gevogelte, de vrouwen verbouwen manioc (een wortelsoort die vermalen wordt tot meel waarvan het traditionele brood beiju wordt gebakken), rijst en bonen. Bovendien koken ze en zorgen ze voor de kinderen.

'Ik moest met de vrouwen meedoen', legt Telles haar werk uit. 'Dan gingen we bijvoorbeeld fruit plukken. Ik vroeg ze hoe een bepaalde vrucht heette en nam dat dan op met mijn recorder. Ze legden me ook uit hoe je met die vrucht een bepaald drankje kon maken. Op die manier leerde ik hoe de woorden in het dagelijks leven werden gebruikt.'

Het Latundê is een ingewikkelde taal, zegt ze. Het is een pitch-accent taal, zoals het Japans en het Limburgs: de verkeerde toonhoogte heeft een ander woord tot gevolg. Daarnaast is het een 'polysynthetische taal': werkwoorden krijgen allerlei voor- en achtervoegsels. Telles: 'De zin ''Ik ga met je eten'' wordt daardoor één enkel woord. Dat maakt het erg complex.'

Telles vond de spreekster van het zeer verwante Lakondê in het tweede jaar van haar onderzoek. Iemand van Funai tipte haar. De vrouw, rond de 65 jaar oud, woont met haar man, een indiaan van een andere stam, in het stadje Vilhena. Ze is er jaren geleden heen verhuisd en spreekt ook vloeiend Portugees. Ze is erg arm, vertelt Telles, en verkoopt spullen die ze op de vuilnisbelt vindt.

Het Lakondê is door het contact met de westerse wereld verdwenen. 'En zij wist dat', vertelt Telles. 'Ze zei: ik wil je mijn taal leren, want ik ben de laatste. Ze had een fenomenaal geheugen en kon bijvoorbeeld allerlei mythes navertellen van haar grootouders.'

Over de ontstaansgeschiedenis van planten bijvoorbeeld: 'De Lakondê vertelden elkaar over een gezin dat honger leed omdat er geen dieren meer waren om te jagen. Het jongste kind begon luid te huilen en zei dat zijn ouders hem in de grond moesten stoppen. Dat deden ze, en hij veranderde in eetbare planten: zijn armen werden manioc-wortels, zijn ogen werden bonen. Zo werd het gezin gered.'

Telles wil maar zeggen: met de taal verdwijnt ook een heel cultuurgoed. Het beschrijven van talen als Lakondê en Latundê helpt daarom niet alleen de wetenschap, maar ook de indianen zelf. 'Vaak zie je dat ze na een paar generaties zich toch weer gaan verdiepen in waar ze vandaan kwamen.'

Telles is somber over de overlevingskansen van de talen die ze heeft bestudeerd. Maar ze blijft hopen, zegt ze. 'Ik ben nu een leerboekje Latundê aan het samenstellen voor het regioschooltje. Dat ga ik binnenkort brengen. Ik weet alleen niet of ze het zullen gebruiken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden