De laatste Duitse schoten

Terwijl de bevrijdingsfeesten in mei 1945 in volle gang waren, executeerde een Duits vuurpeloton in Amsterdam nog twee jonge militairen die aan het eind van de oorlog gedeserteerd waren....

MACHINIST Rainer Beck voelde zich voor het eerst sinds vele jaren gelukkig. En mateloos opgelucht. De nachtmerrie die voor hem en zijn familie begonnen was in 1933, was na twaalf jaar eindelijk voorbij. Want Adolf Hitler, de man die Rainer Becks leven zo lang had vergald, was dood. Hitlers Duitsland - waarvoor ook Rainer Beck als marinesoldaat had moeten vechten - had de oorlog verloren. Maar wat voor Beck belangrijker was: de dreiging was weg.

Rainer Beck was half jood en stamde bovendien uit een sociaal-democratische en anti-nazistische Duitse familie. Eigenlijk had hij in een concentratiekamp moeten zitten. Maar tijdens zijn diensttijd had hij zijn afkomst verborgen weten te houden. Het uniform dat hij had moeten dragen had hij veracht. Maar datzelfde uniform had hem ook bescherming geboden. Dat wil zeggen: tot 5 september 1944, later Dolle Dinsdag genoemd.

Beck was die dag bij zijn zuster Fredegund geweest, in de Amsterdamse Achillesstraat. Nadat hun ouders in de jaren dertig door de nazi's tot paria's waren verklaard was Fredegund Duitsland ontvlucht. Ze woonde nu in Amsterdam samen met Carl Richartz.

'Ik heb een marsbevel gekregen; ik moet terug naar Duitsland', had Rainer die dag tegen zijn zuster gezegd. Dat betekende: weg uit de betrekkelijke veiligheid van zijn schip en een verhoogde kans op ontdekking van zijn joodse achtergrond.

In het huis in de Achillesstraat was besloten dat Rainer niet terug zou gaan naar zijn onderdeel. Ze hadden Jan de Groot erbij gehaald, een bovenbuurman die verbindingen had met de Nederlandse ondergrondse. De Groot had Rainer tijdelijk onderdak verschaft in een schuilplaats op zijn zolder. Later was Beck verhuisd naar een veiliger plek: een ruimte boven een kunsthandel in de Botticellistraat. Daar had hij samen met Hans Markus, een bekende van zijn zuster, de 5de mei beleefd. Hij was meteen de straat opgegaan en had de vreugde van de Amsterdammers gezien en gedeeld: de vlaggen, de rondedansen, het oranje en de bejubeling van de Canadezen.

Met Fredegund had Beck besproken hoe hij zo snel mogelijk bij zijn moeder in het Silezische Gleiwitz zou kunnen komen. Zij zou zijn hulp nu meer dan ooit nodig hebben. Fredegund had hem tot voorzichtigheid gemaand. 'Heb wat geduld', had ze gezegd. 'Wacht tot alles een beetje rustiger is.' Maar hij had niet willen luisteren.

Opnieuw hadden ze De Groot te hulp geroepen. Maar De Groot kende de afspraak die in het geheim tussen het Nederlandse verzet en de geallieerden was gemaakt. Duitse onderduikers zouden moeten worden teruggebracht naar hun onderdeel, luidde die. Rainer Beck kende die afspraak niet. Hij kende alleen de herhaalde oproepen van de geallieerden, onder meer via de Soldatensender Calais, waarin Duitse militairen werd aangeraden het Hitler-kamp te ontvluchten. Ze zouden door de Amerikanen, Britten en Canadezen worden opgevangen en goed worden behandeld, werd overlopers beloofd.

'Zich melden' bleek overigens makkelijker gezegd dan gedaan. De Groot was op informatie uitgegaan en had Beck op de ochtend van 9 mei afgeleverd bij een post van de Canadezen aan de Weteringschans. Vervolgens was de jonge Duitser een paar dagen lang van het ene opvangkamp naar het andere gestuurd. In een ervan had hij Bruno Dörfer ontmoet, een Oostenrijker die als korporaal-seiner eveneens bij de marine had gediend. Ook Dörfer had het enige weken voor het einde van oorlog voor gezien gehouden; hij was ondergedoken bij een tante in Amsterdam. De twee hadden elkaar herkend als lotgenoten en waren bij elkaar gebleven.

Samen waren ze ook nog eens bij Fredegund in de Achillestraat geweest. Zij had haar broer opnieuw gesmeekt nog even te wachten. Maar Rainer was optimischtisch geweest: 'We worden goed behandeld. We moeten alleen de goede Sammelstelle vinden.'

Pas op de late avond van 12 mei hadden ze die gevonden. Een kennis van De Groot bracht de twee jongemannen die avond per auto naar de Fordfabriek aan de Hemweg, waar een groot opvangkamp voor Duitse marine-eenheden was ingericht.

Rond middernacht arriveerden ze daar bij een hek dat bewaakt werd door een Canadese soldaat. Erachter ontwaarde Beck de contouren van lange, lage fabriekshallen, een vierkant administratiegebouw dat wat boven de rest uitstak, en iets dat een watertoren leek.

Nadat de poort was opengezwaaid, ontspon zich bij de ingang van het fabrieksterrein een discussie tussen een Duitse en een Canadese officier. Omdat hij voor de oorlog enige tijd in Canada had gewoond, kon Beck hun in het Engels gevoerde gesprek volgen. En wat hij hoorde, baarde hem wat zorgen.

De Duitser had het over deserteurs. Die kon hij niet bij de rest van de troepen zetten. Hij sprak ook over een krijgsraad.

De Canadees was verrast. 'Een krijgsraad?' hoorde Beck hem zeggen. 'Bent u gek geworden? De oorlog is afgelopen. Maar goed, daar hebben we het morgen nog wel over.'

Een Duitse onderofficier begeleidde de twee nieuwe kampbewoners naar het administratiegebouw van de fabriek. Ze gingen er een trap op en werden ten slotte in een soort bergruimte gestopt. Er stonden wat schoonmaakspullen. Zitten konden ze er alleen op de grond. Licht kwam van een zwak lampje aan het plafond.

De Canadese officier die de twee bij de poort had opgewacht, was captain Dennis Pierce, commandant van een compagnie van de 1ste Canadese Infanteriebrigade. Hij was de hoogste geallieerde autoriteit in het Duitse opvangkamp, waar inmiddels zo'n tweeduizend marinesoldaten bijeen waren. De manschappen waren allemaal ontwapend; de officieren hadden hun pistolen mogen behouden.

De Duitser aan de poort was Kapitänleutnant Hugo Hasslinger, die optrad als verbindingsman tussen Pierce en de Duitse commandant van het kamp, Fregattenkapitän Alexander Stein.

In het gebouwtje waarin hij zichzelf en zijn zes andere Canadese 'toezichthouders' had ondergebracht, kreeg Pierce een goed uur later bezoek: Hasslinger. Deze had inmiddels met kampcommandant Stein gesproken. 'Morgen om tien uur houden we een krijgsraad', zei de Duitser. 'In de grote zaal op de eerste verdieping. Het hele kamp zal erbij moeten zijn.'

'Oké', zuchtte Pierce. 'Je doet maar.'

Hasslinger aarzelde even: 'Captain, ik moet u erop wijzen dat het een doodvonnis zal worden. En dat betekent: een executie.'

Nu werd Pierce kwaad. Een vinger heffend naar de Duitser zei hij kortaf: 'Goed luisteren, meneer Hasslinger. Ik geef u toestemming voor het houden van een krijgsraad. En voor niets meer! Begrepen?'

'Yes captain', zei de Duitser en vertrok.

De Duitse manschappen in het opvangkamp waren intussen allemaal op de hoogte: daar in die Glaskasten, zoals ze het administratiegebouw noemden, zaten twee verdoemden; twee Todeskandidaten.

's Ochtends in alle vroegte sloeg Pierce alarm bij zijn meerderen. Hij zond een bericht aan het hoofdkwartier van de 2de Canadese Infanteriebrigade: 'Deserteurs van de Duitse marine worden vanmorgen berecht. Duitse kampcommandant is van plan ze dood te schieten.' Het bericht bereikte de brigade om vijf over tien. Het krijgsraadproces in de Fordkantine was toen juist begonnen.

Terwijl hij en Dörfer door de zaal werden geleid, zocht Rainer Beck de ogen van zijn vroegere kameraden. Maar de meesten van hen keken strak voor zich uit. Beck vond geen regelrechte vijandigheid in hun houding, maar hier en daar wel iets dat op minachting duidde.

Hoewel het pas tien uur in de ochtend was, begon het in de overvolle zaal al tamelijk warm en benauwd te worden. Buiten scheen op deze mei-zondag een stralende zon en in de kantine wisten sommigen zich al het zweet van het hoofd.

De enigen die zich op hun gemak schenen te voelen, waren de officieren die hadden plaatsgenomen achter een lange tafel, die schuin in een van de hoeken was neergezet. Er zaten ook een paar onderofficieren en matrozen. Decorum, dacht Beck. Figuranten die er nu eenmaal bijhoorden. Ietwat in een hoek, staande achter de tafel, zag Beck ook de Canadese officier die hij aan poort had ontmoet. Het gaf hem moed. De hoogste macht in dit kamp was een Canadese, geen Duitse.

'Kopf hoch', fluisterde hij tegen Bruno. 'Ze willen ons alleen maar bang maken.'

In het midden achter de tafel zat een nog vrij jonge officier, die Beck niet kende. Hij had blijkbaar de leiding, dus het zou wel een marinerechter zijn.

De man richtte zich eerst tot Bruno: 'Gefreite Dörfer, u beseft dat u hier voor een krijgsraad staat?'

Dörfer knikte.

'Hetzelfde geldt voor u, Maschinenmaat Beck.'

'Jawohl', zei Beck.

'Gut, dan zal de aanklager nu voorlezen waarvan u beschuldigd wordt.'

Beck wist wat er zou komen en luisterde maar half. Terwijl hij zijn blik door de zaal liet dwalen drongen van hetgeen de aanklager zei slechts flarden tot hem door. '. . . Fahnenflucht! Desertie. . . Op een moment dat het vaderland zich in de hoogste nood bevond, heeft u het in de steek gelaten. . . Verbinding opgenomen met de vijand. . . Eerloos gedrag. . . Verraad aan kameraden. . . Geen enkele twijfel aan de hier genoemde feiten. . .'

Meer dan twee minuten had de aanklager niet nodig. Toen hij uitgesproken was, richtte de voorzitter van de krijgsraad - het was de jurist en reserve-officier Wilhelm Köhn - zich weer tot Dörfer:

'Wat is hierop uw antwoord?'

Maar Dörfer kon geen woord uitbrengen.

De rechter formuleerde het anders: 'U ontkent de feiten niet?'

Dörfer schudde nauwelijks zichtbaar het hoofd.

De rechter vond het best: 'Dat is dan vastgesteld. En u, Maat Beck, ontkent u deze feiten?'

'Nee, die ontken ik niet', zei Beck.

'Mooi', stelde de rechter vast. 'Meneer de verdediger, u heeft het woord.'

Iets terzijde stond een jonge officier op. 'Leden van de krijgsraad, bekijk de beklaagde Dörfer. Zie hoe jong hij nog is. Hij is ook niet lang weggeweest bij zijn onderdeel. Zijn uniform had hij nog bij zich: keurig gestreken in zijn tas. En wat de verdachte Beck betreft. . .'

Beck stak zijn hand op. Zo wenste hij niet verdedigd te worden. Hij wilde hier niet staan als een meelijwekkend figuur. Want zo voelde hij zich niet. En schuldig was hij verdomme ook niet! Zij daar, het nazigespuis achter die tafel, waren de schuldigen.

De rechter keek hem aan. 'U wilde wat zeggen?'

Dat wilde Beck. 'Allemaal', zei hij, zijn rechters een voor een aankijkend, 'heeft u weken geleden al geweten dat de oorlog een verloren zaak was. Dat onze capitulatie nog slechts een kwestie van tijd was. Toch heeft u uw matrozen en soldaten laten doorvechten tegen de Canadezen. Dat was nodeloos bloedvergieten en dat wist u.'

Als door een adder gebeten sprong kampcommandant Stein van zijn stoel: 'Dus u noemt ons, uw officieren en uw kameraden, moordenaars?' De Fregattenkapitän stikte haast van woede: 'Zo iets laags en gemeens heb ik over de Duitse marine nog nooit horen zeggen. Foei'

De voorzitter van de krijgsraad maakte een sussend gebaar.

'U kunt mij hier veroordelen', voegde Beck er nog aan toe. 'Maar dat zal u niets baten. Uw spel is uit.'

De verdediger ging nog even door met zijn verhaal. 'Ik verzoek u mildheid te betrachten', zei hij ten slotte.

De leden van de krijgsraad trokken zich terug om te beraadslagen. Lang hoefde dat niet te duren. Vier miuten later zat iedereen weer achter de tafel en sprak marinerechter Köhn het vonnis uit. 'U heeft zich schuldig gemaakt aan de ergste misdaad die een soldaat kan begaan. Verzachtende omstandigheden heeft de krijgsraad niet kunnen vinden. Er past derhalve maar één oordeel: de doodstraf. De zaak is hiermee gesloten.'

De krijgsraad had net geen vijftien minuten geduurd.

De zaal stommelde leeg. Als laatsten werden Dörfer en Beck weggeleid. 'Marine-routine moet je maar denken', zei een van de matrozen die hen terugbrachten naar het administratiegebouw. 'Uitvoeren kunnen ze het vonnis toch niet. Niet onze officieren beslissen wat er gebeurt; dat doen de Canadezen.'

Rainer Beck sprak zichzelf in dezelfde bewoordingen toe. Het was een toneelspel geweest, daar in die zaal. Maar wel een bijzonder beangstigend toneelspel.

Onmiddellijk na afloop van het 'proces' was Hasslinger op Pierce afgestapt. De Duitser vroeg om wapens, munitie, een paar schoppen en een truck. Er was een vonnis en het diende te worden uitgevoerd.

Pierce verklaarde de Duitser voor gek. 'Geen sprake van. Deze mensen worden niet gefusilleerd. Punt uit.'

Maar Hasslinger gaf niet op. Hij haalde Stein erbij. 'De voorwaarden van onze capitulatie zeggen duidelijk dat ik verantwoordelijk ben voor de discipline in dit kamp', hield deze Pierce voor. 'Wil ik die handhaven, dan zal ik die twee moeten laten doodschieten.'

Zijn eigen gezag woog hier niet zwaar genoeg, besefte de Canadese kapitein. Hij had hulp van hogerhand nodig.

Om twintig over tien belde hij zijn bataljonscommandant in Amsterdam, majoor Oliver Mace, en legde hem de situatie uit. 'Wacht op nadere orders', liet Mace weten.

De majoor speelde de zaak door naar zijn brigadestaf, die vervolgens de staf van de 1ste Canadese Infanteriedivisie om raad vroeg. Om half elf, een kwartier na afloop van de krijgsraad in de Fordfabriek, noteerde de logboekschrijver van deze divisie: 'Duitse marine-deserteurs opgepakt, berecht volgens krijgsrecht en ter dood veroordeeld. Mogen zij dit doen? Doorgegeven aan het 30ste Duitse Korps. Stafchef van dit korps zal beslissing nemen. 2de Canadese Infanteriebrigade op de hoogte gesteld.'

Iemand ('een of andere klootzak van een stafofficier', zou Pierce later zeggen) had blijkbaar besloten de verantwoordelijkheid bij de Duitsers te leggen. En de betrokken Duitse stafchef, de latere Bundeswehr-generaal Sapauschke, liet zich deze kans niet ontgaan. Vriendelijk berichtte hij de 1ste Canadese divisie: 'Wij danken u voor uw advies. De stafchef gaat akkoord met het vonnis. We zullen onze commandant in Amsterdam in deze zin adviseren.' Het was inmiddels kwart over een in de middag van 13 mei.

Van vraagtekens bij de officieren van de Canadese 1ste Divisie blijkt nergens iets. De stukken tonen slechts aan dat Mace en Pierce eenvoudigweg te horen kregen dat de executie moest doorgaan. Het bericht bereikte de Canadese kapitein in het kamp om vijf over half twee. Pierce, geconfronteerd met een zegevierende Hasslinger, legde het hoofd in de schoot. Hij verzette zich nog slechts tegen een executie in het kamp, onder het oog van alle 'bewoners'.

Sergeant-majoor Webster kreeg opdracht acht geweren en zestien patronen op te halen uit de kamer waar de Duitse wapens waren opgeborgen. Webster overhandigde ze aan de leden van het Duitse executiepeloton, dat uren eerder al door kampcommandant Stein was geformeerd. Leider van het peloton was Oberfeldwebel Willi Welsch; het geheel werd gecommandeerd door Oberleutnant Jonny Ossenbrüggen.

Op het moment dat de bewakers hen weer kwamen ophalen, begreep Rainer Beck dat er iets héél verkeerd was gegaan. De gezichten van de mannen stonden strak en wat tot nu niet was gebeurd: hij en Dörfer werden gebonden; de handen achter het hoofd.

Op de parkeerplaats van de fabriek stond een Canadese legertruck. Hun bewakers beduidden de twee dat ze in de overdekte laadbak moesten stappen. Vanwege hun gebonden handen moesten ze daarbij geholpen worden. Er zaten al anderen in de truck, stelde Beck met schrik vast. Acht matrozen - zwijgend, een geweer tussen de knieën - een onderofficier en een luitenant. En wat lag daar onder een van de banken? Waren dat schoppen? Dat kon maar één ding betekenen: het was allemaal geen toneelstuk meer.

De Canadezen, dacht Beck. Waar waren verdomme de Canadezen! En waarom riepen ze niet: 'Stop met deze onzin.'

De truck zette zich in beweging. Omdat de achterflap niet gesloten werd, kon Beck zien dat een Canadese jeep achter hen aan reed: een luitenant, een sergeant-majoor en twee gewapende soldaten.

Er werd hard gereden. Eerst door een havengebied. Kranen, masten, kantoorgebouwen. Wat later waren er huizen: de oude en inmiddels zo vertrouwde gevels van Amsterdam. Terwijl ze het Centraal Station voorbijreden, meende Beck flarden te horen van vrolijk kindergezang. Op de Dam vierde de Amsterdamse jeugd een groot bevrijdingsfeest.

Vervolgens was er weer water te zien. Ze hobbelden over de balken van een sluisbrug en draaiden naar rechts; een open terrein op, waar ze stopten. 'Aussteigen', riep luitenant Ossenbrüggen. Terwijl iedereen naar buiten kroop wees zijn vinger op Beck: 'Jij, zitten blijven.'

Beck bleef alleen achter. Terwijl zijn hart wild tekeer ging, probeerde hij zich voor te stellen wat daar buiten gebeurde. Drie minuten later wist hij het. Een geweersalvo brak de stilte. Het geluid van Duitse karabijnen; hij kende het al te goed.

Oberfeldwebel Welsch kwam hem halen. Ze bevonden zich op een schietbaan, zag Beck nu. Het was het oude schietterrein op het eiland Zeeburg. Hij zocht Bruno, maar zag hem niet. Welsch bracht hem naar een paal die voor de schuine wand van een soort bunker stond. Een meter of tien daar vandaan wachtten acht soldaten met het geweer aan de voet. Welsch bond zijn handen achter de paal.

Rainer Becks blik ging van een eenzame meeuw in de blauwe lucht naar de leden van het executiepeloton. Zijn lippen vormden een woord. Was het 'stommelingen'?

De Canadese sergeant-majoor die wat verderop stond, drukte zijn hand tegen zijn mond; het leek alsof hij zou gaan overgeven.

Luitenant Ossenbrüggen schraapte zijn keel: 'Achtung! Durchladen! Anlegen! Feuer!'

Het waren de laatste schoten van de oorlog die in Amsterdam zouden klinken. Voor Bruno Dörfer en Rainer Beck werd een ondiep graf gegraven op het terrein van de schietbaan. En dat was het. 'Abmarsch', gelastte Ossenbrüggen.

Tegenwoordig rusten Beck en Dörfer in een naamloos graf op het Duitse oorlogskerkhof in IJsselstein. Ook hun beulen, rechter Köhn en commandant Stein, zijn intussen dood en begraven. 'Maar wat nog leeft, is de onrechtvaardigheid', zegt de Duitse rechtshistoricus Karl-Heinz Lehmann. 'Het was een onjuist en onmenselijk vonnis. En nog altijd staan Rainer Beck en Bruno Dörfer in de Duitse archieven geregistreerd als lafaards en landverraders. Dat is een leugen tegenover de nu levende generatie Duitsers. Die generatie moet weten dat deze twee de juiste keuze hebben gemaakt en dat zij daarvoor met hun leven hebben geboet.'

Samen met zijn leerlingen van de Evangelische Fachhochschule in Hannover heeft Lehmann officieel om revisie van het Amsterdamse krijgsraadvonnis gevraagd. De beslissing over het verzoek ligt bij het Openbaar Ministerie in Keulen - de stad waar Wilhelm Köhn na de oorlog opklom tot een hoge functie bij de rechterlijke macht van het nieuwe Duitsland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.