De kunst in Europa is Europese kunst

Juist de negentiende-eeuwse kunst die het meest als 'nationaal' beschouwd kan worden - zoals pompeuze monumen­ten en historieschilderijen - spreekt het kunstminnende publiek het minste aan

'De EU snakt naar standbeelden', aldus de kop boven het pleidooi van Alfred Pijpers voor en Europese canon, teneinde de Europese Unie ook een plekje in het hart van haar ingezetenen te geven. Nu is er volgens mij geen continent dat op zoveel standbeelden kan bogen als juist het onze, maar het probleem is in Pijpers ogen dat deze, evenmin als de rest van de Europe­se kunstschat­ten, niet als gezamenlijk Europees erfgoed worden be­schouwd. Europa als geheel wordt dankzij de EU geassocieerd met Brussel­se betonko­lossen en bureaucraten, niet met de schone kunsten.

Pijpers: 'De schitteren­de kathe­dralen, kloosters, musea en schilderijenverzamelingen worden in de lidsta­ten nadrukkelijk gekoesterd als nationaal cultuurbezit'. Die constate­ring als zodanig klopt, maar is daarmee nog niet ook inhoude­lijk terecht.

Ironisch
Het is al ironisch dat zijn betoog geïllustreerd wordt met een foto van de ondertekening van het Verdrag van Rome in 1957 in de Sala degli Orazi e Curiazi in het Palazzo dei Conservatori op het Kapitool: ooit de nucleus van het Romeinse Rijk, dat tweeduizend jaar geleden als eerste een groter politiek verband op Europese bodem heeft gecreëerd.

De minis­ters zetelen onder de uit 1595 daterende gigantische fresco's van Giuseppe Cesari met taferelen uit de tijd van de legendarische zeven koningen, waaronder het duel tussen de Horatiërs en Curiatiërs, twee drielingen uit Rome respectie­velijk het naburige Alba Longa, waarmee - omdat de Horatiërs dit duel wonnen - ooit de expansie van Rome begon. Een Romeins heldenepos, zeker, dat dan ook door de Italianen als deel van hun nationale cultuur wordt geclaimd.

Rembrandt
Maar vervol­gens behalve het thema van drie Italiaanse opera's ook dat van een Iers vrijheidslied, een toneelstuk van de Duitser Bertolt Brecht, en schilde­rijen van de Nederlander Rembrandt en de Fransman David, wiens Eed der Horatiërs thans één van de topstukken van het Louvre vormt. Kortom: de oprichters van wat later tot de EU uitgroeien zou, hadden daarvoor nauwelijks een locatie kunnen uitzoeken die beter het bestaan van een geza­menlijke Europese cultuur symboliseert en illustreert.

Want er schuilt nog iets ironisch in die nadrukkelijke koestering van kathedralen, kloosters, musea en schilderijenverzamelingen als nationaal cultuurbezit: veruit het leeuwendeel van dergelijke hedendaagse toeristische trekpleisters - van het Parthenon tot het Pantheon, van de kathedraal van Chartres tot de Vitusdom in Praag, van Le Mont St.Michel tot het Escorial, van de Mona Lisa tot de Nachtwacht, stamt uit de tijd dat de natiestaat (en daarmee eigenlijk ook de natie) nog niet bestond, namelijk uit de periode van vóór de Franse Revolutie.

Opgewonden
Juist de negentiende-eeuwse kunst die het meest als 'nationaal' beschouwd kan worden - zoals pompeuze monumen­ten en historieschilderijen - spreekt, terecht of onterecht, het kunstminnende publiek het minste aan. Slechts weinigen raken immers artistiek opgewon­den van het Monumento Vittorio Emanue­le in Rome, het Hermannsdenkmal in het Teutobur­gerwoud of de Slag bij Waterloo in het Rijksmuseum van onze eigen Pieneman.

Vooral voor de Middeleeuwen is het onzin om van 'nationaal' cultureel erfgoed te spreken; laat staan voor de periode daarvoor, en de opname van de hunebedden in een 'Nederlandse' canon heeft in dat opzicht ook iets uiterst komisch. Wie althans indertijd de hunebedbouwers zou hebben meegedeeld dat zij Nederlanders waren, was door hen vast glazig aangeke­ken, als hij niet al zo'n grote deksteen naar zijn kop geslingerd gekregen had.

Ook na de kerstening werden in Europa de identiteitsbepalende kaders gevormd door de locale gemeen­schap dan wel de Christen­heid als geheel. De belang­rijkste kunst­stijlen - ro­maans, gothiek, renaissan­ce, barok, classicisme - vormen een gezamenlijk Europees ver­schijnsel, en de overeen­komst tussen kunst­werken uit twee landen uit dezelfde periode is vaak veel groter dan die tussen twee kunst­werken uit twee verschillende periodes binnen hetzelf­de land.

Pisa
De in romaanse trant opgetrokken Toren van Pisa was niet 'Itali­aans', maar daarmee vooral van Pisa - en verder 'van ieder­een'. Tal van dezelfde ro­maan­se stijlelementen treft men in de elfde eeuw even­goed in Lombardije en Aquitanië als in Limburg aan.

Kerkelijke verbanden - zoals filiaties tussen kloosters - waren voor de kunst veel crucialer dan nationale, en de politieke elite copieerde moeite­loos hele artistieke concepten uit het zoge­naamde 'buitenland' als dat in een bepaal­de ideologische context paste.

Zo gaat onze Ridderzaal op de Westminster Hall in Londen terug, omdat Floris V toen monarchale aspira­ties in die richting koester­de, en is de Dom van Utrecht even 'Nederlands' als zijn voorbeeld, de Dom van Keulen, die op zijn beurt weer geïnspireerd was op de kathedraal van Amiens. In de negentiende eeuw waren dan ook allerlei intellectuele kunstgrepen nodig om de pas toen ter handgenomen voltooi­ing van de Keulse Dom in een nationaal Duits kader te wringen, en op te waarderen tot symbool van een anti-Franse Wacht am Rhein.

Aartsbischoppen
Gezien de uitgesproken politieke en culturele francofilie van de Keulse aartsbis­schoppen in de vooraf­gaande eeuwen kon de historische ironie niet groter zijn. Daar kwam nu nog bij dat de protestantse Pruisische staat die zich na 1842 over deze katholieke kathedraal ontfermd had, tegelijk onder Bismark met diens Kultur­kampf tegelijk een uitgesproken antiroomse koers aan het varen was.

Dat de meeste grote musea pas in de de negentiende eeuw ontstonden of voor een groter publiek toeganke­lijk werden, verklaart veel van het ver­meende 'nationale' karakter ervan. Maar een groot deel van de hierin opgenomen vorstelijke kunstcol­lec­ties was vol­strekt internationaal, of het nu het Louvre of het Prado betreft - ons Rijksmuseum, met zijn uitgesproken oriëntatie op de eigen polder, vormt een uitzondering. De rangschikking in Vlaamse, Italiaanse, Duitse, Hollandse en Franse zalen is vaak een negen­tiende-eeuwse, niet een uit de tijd van de tentoongestelde oudere kunst zelf.

Da Vinci
Al in de Middeleeuwen trokken kunstenaars door half Europa, en nadien nam dit nog slechts verder toe. Niet alleen kwam men in de zestiende, zeventien­de en achttiende eeuw in grote getale naar Rome om, aldaar klassiek gevormd, nadien weer huiswaarts te keren - wat het 'nationale' karakter van hun kunst vervolgens behoorlijk relativeert. Ook waren Italianen aan tal van vreemde hoven werkzaam - Leonardo da Vinci kwam naar de Loire, Bernini naar Parijs. Canaletto en zij neef Bellotto schilderden niet alleen Venetië, maar ook Dresden, Warschau en Londen, en vanaf de late zeven­tiende eeuw stamden in tal van Duitse residen­ties de toonaange­ven­de hofkun­stenaars allemaal uit Frankrijk.

Of­schoon in deze periode, gepaard aan de teloorgang van de middel­eeuwse christelijke eenheid door de Reforma­tie, met het vorstelijk absolu­tis­me de zelfstandige monarchieën tot ontwik­keling kwamen waaruit in Westeuropa de huidige nationale staten zijn voortgesproten, kunnen ook hun artistieke producten alleen in een niet-nationaal kader echt worden begrepen.

Nieuw Parijs
Het Parijs van Lodewijk XIV moest een nieuw Rome worden, en vervol­gens het Dresden, Stockholm of St.Peters­burg van zijn vorstelijke concur­renten een nieuw Parijs. Het Escorial van de Spaanse Habsburger Philips II moest een reïncarnatie vormen van het tempel-paleis van Salomo in Jeruzalem, en diende anderhalve eeuw later als voorbeeld voor het soortge­lijke Kloster­neuburg van de Oostenrijkse Habs­burger Karel VI. Ook Jacob van Campen liet zich bij het ontwerpen van zijn Stadhuis van Amsterdam, door dezelfde tempel­reconstructies van de Spaanse Jezuïeten­pater Villalpa­do inspireren.

Het Escorial, Klosterneuburg en 'ons' Amsterdamse Stadhuis mogen vandaag dan elk voor zich als nationaal topstuk gekoes­terd worden - voor een werkelijk begrip moet men leren de huidige staats- en natie­grenzen vergaand buiten beschouwing te laten, teneinde het desbetreffende Gesamtkunstwerk te kunnen waar­deren als wat het werkelijk is: niet alleen maar als Spaans, Oostenrijks of Neder­lands, maar evengoed als Europees.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden