De kracht van het corps is de beslotenheid en verwarring

Voor niet-leden is het appeal van corpora moeilijk te begrijpen. Sander van Walsum, oud-lid, legt uit waarom het corps desondanks nog steeds bloeit.

Beeld Bier en Brood

Het blijft de buitenwereld verbazen. Dat het bij studentencorpsen soms uit de hand loopt, is van alle tijden, maar het nieuws komt altijd weer als een schok. In de talrijke reacties op 'incidenten' bij het Groninger Studenten Corps Vindicat klonk, behalve verontwaardiging over ruwe initiatierituelen, vooral ook verbazing door over het feit dat aankomende leden - nuldejaars - massaal bereid zijn zich daaraan te onderwerpen.

Voor niet-leden is het ook moeilijk of niet te begrijpen. Wat de buitenwacht afstoot in corpora, is voor (aankomende) leden juist een grote attractie. Corpora zijn verboden vruchten waarvan opmerkelijk veel jongeren willen proeven. Ook als ze daarvoor een zware introductie moeten ondergaan. En als ze eenmaal lid zijn, zijn ze bereid heel ver te gaan om de vereniging niet af te vallen. Wie zich binnen de vereniging niet behaaglijk voelt, gaat eerder aan zichzelf twijfelen dan aan het corps.

Volgens de leer van de cognitieve dissonantie groeit de behoefte om ergens bij te horen naarmate aan de toelating zwaardere eisen worden gesteld. En wie de initiatie heeft doorstaan, zal niet snel de behoefte voelen om het lidmaatschap te versmaden of om zich tegen de vereniging te keren.

Hoe dat werkt, heb ik zelf ondervonden toen ik in 1976 lid werd van een ander corps, dat van Utrecht, het USC. Van de introductietijd heugt mij nog het praatje van de preses van een of ander 'sub-gezelschap'. 'Voor het corps geldt hetzelfde als voor Zuid-Afrika', zei hij. 'Je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen.' Een foutere aanbeveling was in 1976 niet denkbaar. In het township Soweto, bij Johannesburg, had net een opstand gewoed waarbij tientallen, zo niet honderden doden waren gevallen. Apartheid gold op dat moment zo ongeveer als het ernstigste vergrijp tegen de menselijkheid.

Tegen de tijdgeest in

Juist daarom maakte de preses wellicht zijn foute opmerking: hij demonstreerde daarmee zijn bereidheid om tegen de tijdgeest in te gaan. Want de tijdgeest, met zijn linkse geloofsartikelen, was nogal drukkend. Op een zomerkamp van het (ooit christelijke) NCSV dat ik in 1974 bezocht, werd de DDR als het betere Duitsland en Noord-Korea als het betere Korea aangeprezen. Op schoolfeestjes en tijdens het dauwtrappen op de vroege ochtend van Hemelvaartsdag werd zorgelijk gedaan over de repressie in Chili en het neokolonialisme waaraan zelfs het kabinet-Den Uyl zich zou bezondigen.

Tegen deze achtergrond vond ik zo'n schalkse opmerking over Zuid-Afrika wel verfrissend. Temeer omdat ik ervan uitging dat ze niet moest worden begrepen als een vergoelijking of relativering van de apartheid. Want niets wat bij het corps gebeurde, moest erg serieus worden genomen. Ook niet als een ouderejaars zich hevig ontdaan toonde over de overtreding van een mos - een ongeschreven regel. Enigszins verwarrend was het wel, dit spel waarbij de maatschappelijke werkelijkheid zou worden geparodieerd. Want het ene lid speelde het spel beduidend beter dan het andere. En het was niet altijd duidelijk of de werkelijkheid of de parodie werd geparodieerd.

Zo verkeerde ik lange tijd in de veronderstelling dat achter plat vertier - zooien en brallen - iets verheffends schuilging. Ik ging ervan uit dat al die ouderejaars hun klassieken kenden. Weliswaar gold (en geldt) binnen corpora het Leids adagium 'dat het intellectuele peil van het gemiddelde corpslid niet laag genoeg (kan) worden aangeslagen', maar daarmee werden, nam ik aan, slechts een grote belezenheid en een brede algemene ontwikkeling gemaskeerd. Die verwachting raakte pas aan het wankelen toen ik als eerstejaars gedurende een lange avond flarden opving van de gesprekken die aan het belendende tafeltje van de Senaat (het USC-bestuur) werden gevoerd. Die waren van een bedroevend niveau. Maar dat deze gesprekken de lading van het USC weleens zouden kunnen dekken, nee, dat ging er bij mij toch niet in.

Klappen

Een paar jaar later wist ik beter. Als reactie op een kritisch stukje over de omgangsvormen binnen het USC in Vox Studiosorum, het onregelmatig verschijnende verenigingsblad, kreeg ik bezoek van woedende corpsleden die klappen uitdeelden en voor duizenden guldens schade aanrichtten in mijn studentenhuis. Het incident bleef jammerlijk onbestraft. En het kwam destijds niet in mij op om het onder de aandacht te brengen van justitie of van de pers.

Het corps is een zaal met gekromde spiegels die van iets kleins iets groots kunnen maken - en omgekeerd. Dat is misschien wel de kern van zijn vormende invloed: het brengt de leden in verwarring en stelt eisen aan hun oriëntatievermogen - ook al is lang niet iedereen die aan deze verwarring bijdraagt zich daarvan bewust. Onderdeel van de verwarring is het conformisme waarop een beroep wordt gedaan. Corpsleden houden er onmiskenbare codes op na. Daarop kan slechts binnen een bepaalde bandbreedte worden gevarieerd. Individualisme wordt in groepsverband beleden.

Tezelfdertijd zet het corps zich af tegen de geordende verhoudingen die in de maatschappij buiten de sociëteit - 'de kille' - heersen. De samenleving waarbinnen veel reünisten (oud-leden) als vanouds topfuncties bekleden, wordt dan ook naar vermogen op afstand gehouden. De corpora koesteren hun beslotenheid. In Utrecht voltrekt het 'zaalleven' zich achter zware velours gordijnen. Elders hebben corpora zich in geluidsdichte bunkers teruggetrokken. Daarmee wekken zij slechts argwaan in de buitenwereld, waar openheid en transparantie de norm zijn.

Nasleep van incidenten

Al deze elementen manifesteerden zich in de nasleep van de incidenten bij Vindicat: een lid dat uit loyaliteit met zijn vereniging (aanvankelijk) geen aangifte deed van het hersenletsel dat hem tijdens de introductie was toegebracht, de 'bangalijst' die frontaal inging tegen de maatschappelijke norm, de gretigheid waarmee de buitenwacht op deze misstanden reageerde, de onwil en de onwennigheid waarmee de rector van Vindicat de pers te woord stond, de corpsleden die zich beklaagden over een anti-corporale hetze.

Het corps brengt niet altijd het beste in de mens naar boven. In die zin onderscheidt het zich niet wezenlijk van 'de kille', waar aanpassingsvermogen vaker wordt gehonoreerd dan moreel hoogstaand gedrag. Verhalen van reünisten over vroeger zijn dan vaak ook wat dubbelzinnig. Enerzijds komen ze te spreken over de uitbundige, zij het wat wereldvreemde, lol en de 'vriendschappen voor het leven' die tijdens de studententijd werkelijk ontstaan. Anderzijds is er de schaamte over een te grote meegaandheid en een te sterk ontzag voor gezette jongemannen in een krap zittend pak. En ze gêneren zich plaatsvervangend voor incidenten, zoals die bij Vindicat. Het corps als karakterologische leerschool werpt pas later in het leven z'n vruchten af. Als het goed is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden