DE KRACHT VAN DE GEEST

Maandag is het zestig jaar geleden dat Japan capituleerde. Jaap van der Poll (91), die in 1936 als speerwerper deelnam aan de Olympische Spelen, kijkt terug op zijn tijd als krijgsgevangene in de Japanse mijnen....

'De dag brak aan dat we in de trein stapten naar Nagasaki, waar de atoombom was gevallen. Het was mooi weer en we hadden een goed idee van het Japanse landschap. We reden door een vlak land met in de verte bergen die abrupt uit het land oprezen. Het was een treinreis van honderd kilometer.

We keken met spanning uit naar het platgebombardeerde Nagasaki. Wat we zagen, sloeg ons met stomheid. Een aanblik alsof er een paar geweldige reuzen rondgestampt hadden totdat alles plat op de grond lag.

Enkele hoge betonnen gebouwen waren overeind gebleven, maar de vensters waren alleen maar zwarte gaten. Helemaal platgedrukt door die atoombom, door die geweldige luchtdruk en hitte. En nergens mensen. We keken en konden niet denken.

We stapten uit de trein en liepen naar de haven. Daar lag een groot vliegdekschip, dat ons zou wegbrengen. Op dek, weet ik nog goed, was een drukke handel van samoerai-zwaarden, die tegen flinke prijzen in Amerikaanse handen overgingen. Vijfhonderd tot duizend dollar werd ervoor betaald.

Ik heb tweeënhalf jaar als krijgsgevangene in de mijnen gewerkt in Japan. In de mijn moest ik steenkool boren op honderden meters diep. Aantreden, aftellen, rechtsomkeert, en dan ging de poort open. Wandelen naar de mijn, helm en lamp op, accu aan de riem, en opstellen per werkploeg.

We hadden allemaal een nummer gekregen dat we op onze borst droegen. Ik had nummer 214. We werden bij ons nummer genoemd als we niet doorwerkten. Het was boren, schrapen, brokstukken in een wagon gooien. Bukken, schrapen, leegstorten – steeds maar weer. De Japanse voorman gaf aanwijzingen in het Japans. Stiekem namen we kleine adempauzes achter de wagon. Per dag werkten we een uur of tien, met het lopen naar de mijn en terug meegerekend. Het werd routine.

Ik had een paar goede vrienden in het kamp. We speculeerden of het mogelijk was de productie te saboteren. Al was het met kleine dingen, zoals het weggooien van een paar bouten of een langzamer tempo van werken. In mijn ploeg begon ik daarover te praten. Dat viel de Japanse voorwerker op, die op mij begon te letten en steeds mij met mijn nummer aanriep. Dat deed hij op zo'n irritante wijze dat ik op het laatst met moordplannen rondliep. Gelukkig kwam ik na enige tijd in een andere ploeg terecht.

Verder was het in het begin allemaal nog goed. We hadden grote badruimten, waar we ons na het werk konden wassen. Het eten was redelijk, maar het werd natuurlijk wel steeds minder. De bevolking kreeg ook steeds minder te eten. Op het laatst woog ik nog maar 48 kilo.

Er gingen om me heen veel mensen dood die de moed hadden opgegeven. Die gingen er moreel onderdoor. Ik heb me ook een keertje zo laten gaan. Ik kreeg dysenterie en werd opgenomen in het ziekenzaaltje. Ik dacht: 'Ik zit hier lekker. Ik zal zorgen dat ik steeds dysenterie hou.'

Maar toen stierf er een kleine Engelsman naast me, een pessimistische jongen. Die ging dood en toen dacht ik: die gaat dood, omdat hij dood wíl. Omdat hij moreel kapot was. En dat was voor mij een waarschuwing: Je moet zorgen dat je je moreel omhoog hield.

Hoe het met Ans, mijn vrouw was, wist ik niet. Dat moest ik maar vergeten, dat blokkeerde ik. Zo probeerde ik in leven te blijven. De overlevingsdrang van de mens is groot, hoor.

Of het niet uitzichtloos was? Nee, ik ben er altijd van overtuigd geweest dat de geallieerden zouden winnen, dat het goede van het kwade zou winnen, ja. De geallieerden bestonden immers uit democratische landen.

En in een democratie, zei ik altijd tegen vrienden in het kamp, zijn veel meer hersenen aanwezig om problemen op te lossen dan in een dictatuur. Daar is het één man, die het voor het zeggen heeft. In een democratie werk je met honderden, duizenden, tienduizenden hersenen. Op den duur zullen die altijd zegevieren.

Ik was er dus heilig van overtuigd dat die oorlog op een gegeven moment afgelopen zou zijn. Het was bij mij een hoop, die bijna zichtbaar was. Het was de kracht van de geest.

In 1944 hoorden we van de invasie in Normandië en dat de Amerikanen van eiland naar eiland hopten in Azië. Bijna elke nacht was het gedreun van de bombardementen te horen. Dat de oorlog snel zou aflopen, was duidelijk. Al waren sommigen van ons bang dat de Jappen de gevangenen zouden afslachten. Ik was niet zo somber, ze hadden zich in ons kamp redelijk beschaafd gedragen.

We gingen weddenschappen aan over de datum van de Japanse overgave. Ik zette in op 15 augustus. Op een dag, het wás 15 augustus, kwamen we laat uit de mijn, de dagploeg. We hadden een langdurig karwei op 700 meter diepte gehad en we kwamen vermoeid naar boven, waar geen treintjes liepen. Het verbaasde ons dat we bijna niemand tegenkwamen.

De banden lagen stil, er was geen geruis meer, geen machinelawaai en we voelden opwinding: er moest iets heel bijzonders aan de hand zijn. We leverden onze helmen, accu's en licht in en we marcheerden terug. En we voelden het gewoon uit het kamp omhoog stijgen, een sfeer van blijdschap, opwinding .

De deuren gingen open en daar liep iedereen euforisch in het rond. 'Japan is gisteren gecapituleerd!'

Veertien dagen later kwam dat emotionele moment. De Amerikanen zouden met bommenwerpers de kampen bevoorraden met voedsel. Op een plek buiten het kamp moesten we grote, witte lakens neerleggen.

We stonden allemaal te dansen en te schreeuwen toen de eerste jagers

overkwamen. Die maakten een geweldig lawaai, dat gaf een gevoel van macht, van kracht. En daarna, het diepe, donkere geluid van die bommenwerpers! Dat geronk, en die luiken die vervolgens opengingen – dat was een groots moment in mijn leven.'

'Eind jaren dertig droomde ik dat ik in 1940 naar Japan zou gaan. Ik deed als speerwerper mee aan de Olympische Spelen van Berlijn, maar dat werd, omdat ik last van nierstenen had, geen succes.

Niemand die dat nu nog weet, maar in 1940 zouden de Olympische Spelen in Tokio worden gehouden, dus ik dacht: Dan ga ik het daar beter doen. Nou, ik gíng naar Japan, maar onder heel andere omstandigheden.

Ik was in de jaren dertig als Amsterdamse jongen lid geworden van atletiekvereniging AV' 23, die toen op het Olympiaplein zat. Ik hield veel van sport, op straat in Oost deden we aan voetbal, cricket en organiseerden we hele knikkercompetities.

Ik fietste veel door de stad, en zo kwam ik veel langs dat Olympiaplein. Dan klom ik op mijn fiets en keek ik over het hek. Naar atleten kijken, die zo lekker aan het hardlopen waren. In 1934 werd ik zelf lid .

Ik had vooral talent voor de speer. Ik was pupil van Jan Blankers, de hoofdcoach en de latere man van Fanny Blankers-Koen. Ik had nog geen baan en de vereniging was altijd open, dus kon ik vaak trainen. Ik deed ook aan sprinten en verspringen.

Ik zat in de groep van Blankers met de grote sprinters van die tijd: Tinus Osendarp, Chris Berger en Wil van Beveren. Ikzelf was een redelijk goede sprinter. Mijn beste tijd op de honderd meter was 11,8. Dat was in die tijd niet zo slecht.

In het jaar erop, in 1935, werd het werpen echt serieus. Aan het begin van het seizoen begon ik over de zestig meter te gooien. Dat was internationaal goed voor de subtop. De goede werpers kwamen tot 72 meter. En dan had je weer de Finnen, die daar bovenuit schoten.

Ik heb dat jaar meegedaan aan de Open Engelse kampioenschappen in Wembley in Londen. Ik kwam tot 63 meter. Dat waren mijn eerste internationale kampioenschappen. In datzelfde jaar gooide ik ook het nationale record in het Olympisch Stadion in Amsterdam. Van de bond kreeg ik vervolgens een brief dat ik opgenomen was in de olympische ploeg.

Ja, natuurlijk, het was min of meer bekend wat er in Hitler-Duitsland gebeurde. Er was veel discussie binnen de ploeg of we wel of niet moesten gaan. Hinkstapspringer Wim Peters, sprintster Tollien Schuurman, bokser Ben Bril en keeper Leo Halle zagen af van deelname. Ik heb het ook overwogen, maar ik wilde zo graag en de olympische slogan 'Sport Verbroedert' deed mij besluiten toch te gaan.

We gingen met de trein naar Berlijn. Eerst gewoon met de tram in het NOC-kostuum naar het station. Het was de eerste keer dat ik naar Duitsland ging. Het Olympisch Dorp was prachtig aangelegd. Kleine huisjes, waar je ingekwartierd was. Met daartussen prachtige gazons met mooie bomen. Het was een paradijsje. Ik heb daar Jesse Owens, de grote sprinter, vaak zien lopen. Wat een elegante man, en wat een atleet natuurlijk. De andere sporters vond ik goden en godinnen, die in hun olympische kleding rondslenterde den. Ik voelde me er klein en onbeduidend bij.

De openingsceremonie was een hele gebeurtenis. Ja, we hebben Hitler gegroet, maar niet met de olympische groet, die toch veel op de Hitlergroet leek. Dat was onderling gezegd: dát doen we niet. We zijn géén racisten.

Als laatste kwamen de Duitsers binnen en dat heb ik als zeer bedreigend ervaren, al die mensen die massaal 'Sieg Heil!' riepen. Die eenheid, het was net een groot beest. Ik dacht ook: 'Hoe komt het toch dat al die mensen in het stadion allemaal zo eensgezind die Hitlergroet brengen? Er moeten toch zeker wel tienduizend mensen zijn, die dat liever niet hadden gedaan? Het bestaat gewoonweg niet, zo'n eensgezindheid. Die is van buitenaf opgelegd.

Van Tinus Osendarp, die op de sprint twee medailles zou winnen, wist ik niet dat hij uit een NSBnest kwam. Toen ik later terugkwam uit Indië en hoorde dat hij fout was geweest in de oorlog, was ik dan ook heel erg verbaasd. Uit zijn houding in de atletiekploeg bleek daar toentertijd niets van.

In de ploeg hadden we sowieso veel kritiek op het fascisme, op die poppenkast, op die Hitler-groet. Als twee Duitsers elkaar in het Olympisch Dorp tegenkwamen dan sloegen ze met de hakken tegen elkaar en brachten ze de Hitler-groet. Vonden we belachelijk! Allemaal!

We waren vrij om de stad in te gaan, maar dat heb ik heel weinig gedaan. Ik was te veel met mijn sport bezig. Maar ik had de ongelukkige omstandigheid dat ik last van een niersteen had. Ik had aanvallen, pijn aan mijn buik. Het irriteerde, want ik had vaak het gevoel dat ik moest plassen. Ik moest altijd weten waar het dichtstbijzijnde toilet was en dat leidde af. Het zijn details, hoor, maar daardoor kon ik me niet goed concentreren, was ik niet in topvorm.

Er was een voorronde, de limiet was 60 meter om mee te doen aan de finale. Ik heb het nog wel gehaald. Ongeveer de helft van de mensen viel af. Er was een heel groot verschil tussen de top en de subtop. Die gooiden allemaal tussen de 65 en 70 meter en de echte toppers gooiden over de 70 meter. Dat was de magische grens.

Iemand bracht mij een Duitse krant met een voorbeschouwing over het speerwerpen. Er werd een aantal kandidaten genoemd met medaillekansen en daar werd ik ook nog genoemd. Als een outsider, die nog wel ver zou komen.

Maar de finale viel tegen. Ik had te veel last van dat niersteentje en moest halverwege de wc opzoeken. Het was alleen maar de aandrang, maar het was wel vervelend. Tokio, dacht ik, dan probeer ik het in 1940, in Tokio, opnieuw, dan ben ik nog pas 26 jaar oud.'

'In 1938 ben ik met Ans naar Indië gegaan, om te werken in een suikerfabriek.

Op de ochtend van het vertrek zijn we getrouwd in het stadhuis. De boot vertrok om 4 uur 's middags.

Ik ging werken in Nieuw-Tersana, in de buurt van Cirebon. De inlanders in de fabriek noemden mij de gemoedelijke Toean, want ik word zelden kwaad en heb een gruwelijke hekel aan schelden.

Ik ben op Java weer veel gaan sporten. Ik zocht meteen contact met de Indische Atletiekbond en werd lid van de Trekvogels in Surabaya. Op de open plek voor ons huis had ik een discus- en speerbaan uitgezet, op het voetbalveldje in de kampong liep ik mijn rondjes. Ik deed natuurlijk mee aan de Javaanse Atletiek Kampioenschappen; dat gaf toch weer een beetje Hollands gevoel. Ik ben nog kampioen van Java geworden. Mijn beste afstand was 61 meter, want mijn trainingsfaciliteiten waren niet zo optimaal. Ik had er geen trainer, ik deed het allemaal zelf.

Op 7 december 1941 was de Japanse overval op Pearl Harbor en begon Japan de westerse mogendheden uit Azië te verdrijven. Ik was gezond, sterk en lenig en werd natuurlijk als soldaat opgeroepen. Daar had ik me in een vroeg stadium al geestelijk op voorbereid, ik wist dat ik zou moeten vechten, dat ik krijger zou worden. Ik nam afscheid van Ans. Ik zou haar ruim drie jaar niet zien.

Ik werd als sergeant bij de KNIL ingedeeld bij een mitrailleurgroep. Het vervoer ging met paardjes. We oefenden meestal in de bergen en met die beesten konden we de kleine paden goed bewandelen.

We hebben geprobeerd de Japanse opmars te vertragen. Maar we waren kansloos. Ze landden in de buurt van Surabaya en trokken naar het westen toe, want daar waren de regeringscentra. Wij trokken ons steeds verder terug.

We zaten op de Jap te wachten tot die uit de bosjes zou komen – ik kan me de details nog goed herinneren, het was een zonnige dag met een zeebriesje – toen we hoorden dat we gecapituleerd waren.

Ik was blij dat ik er goed van afkwam, want ik was helemaal niet zo happig om in een oorlog te sneuvelen. Er was een andere jongen, een felle, die stond te huilen van frustratie. Die wilde onderduiken en de strijd voortzetten. We gaven hem alleen weinig kans, want het was een lange, blonde jongen.

In het eerste kamp op Java, in Tjimahi, moesten we ons hoofd kaal laten knippen en we mochten geen baarden dragen. Het kamp heette voortaan het Kale Koppen Kampement KKK. Natuurlijk werden er atletiekwedstrijden georganiseerd. De diploma's voor de prijzen speerwerpen, discuswerpen en kogelstoten heb ik zorgvuldig bewaard.

De Jap zagen we nauwelijks. Af en toe reed er een in een open jeep door het kamp en dat was alles. Ik hield mijn geest en lichaam actief. Ik schaakte met een leraar Chinees. Hij was een listige schaker. Een andere schaakgenoot was een onderwijzer, een lange vriendelijke man met bril, gebogen rug, die zwaar op zijn hakken liep. Hij schaakte een degelijke partij. Ik volgde ook een taalcursus Russisch.

Intussen circuleerden geruchten over onze volgende bestemming. Dat het Japan zou worden, werd snel duidelijk. In een groep van ongeveer vijfhonderd man werd ik naar de haven van Singapore gebracht. Daar werden we ingescheept in twee kustvaarders.

We mochten veel aan dek en leerden daar de Japanse zeelieden kennen. Zij waren kalm, rustig, zeker in hun handelingen en onverschillig ten aanzien van wat zij vervoerden. Kolen, kokosnoten of krijgsgevangenen – alles om het even.

We voeren langs de oostkust van Sumatra, soms zo dichtbij dat we de bossen konden zien. Ik dacht dat je dat zwemmend best zou kunnen halen, maar afstanden over water lijken korter dan je denkt en als je in het water ligt, komt de kust steeds niet dichterbij. En er konden haaien in zwemmen. Nee, ontsnappen was uitgesloten.

Een paar keer voeren we in alarmtoestand zonder lichten, met de motoren uit – uit voorzorg voor duikbootaanvallen. De luiken werden dan dichtgedaan en de ventilatoren uitgezet. Dat waren angstige uren. Twee Indische jongens die helemaal achterin tegen de scheepsromp lagen, zijn toen gestorven door angst en een tekort aan zuurstof. Met een korte ceremonie hebben we ze later overboord gezet.

Op een ochtend werden we wakker doordat de scheepsmotoren niet meer stampten. We lagen in de haven van Fukuoka, in Japan. Ik was die dag flink gedeprimeerd. We wisten dat we de mijnen in zouden gaan. De gedachte alleen al versterkte de depressie. Ver weg van Nederland en dan nog onder de grond ook.

We werden op de kade opgesteld in rijen van vier en met onze schamele bezittingen begonnen we de mars naar het kamp, naar de mijnen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden