De koude kleemerigheid van een guuren dag

Stedelijk Museum brengt ode aan het drassige palet van Breitner 'Ik zal de mensch schilderen op de straat en in de huizen....

GEORGE HENDRIK Breitner wilde de straat schilderen, het volk, het lawaai van ratelende sleperskarren en heimachines. Hij wilde de chaos, de drukte, de geur van dampende paardelijven weergeven, de smurrie van dooiende sneeuw, de broeierige avondschemering van een uitgaansstraat. Hij schilderde een ode aan de stad.

Hij struinde in zijn jonge jaren met Vincent van Gogh door Den Haag op zoek naar de volkstypes die het ware leven vertegenwoordigden. Breitner schilderde de soepuitdeling voor minderbedeelden, Van Gogh een 'troep volk voor een loterijkantoor'. De eerste streken van zijn latere stadsbeelden zitten er in, maar Den Haag was Breitner te klein en te landelijk.

Breitner had toen alles al geprobeerd, stillevens, portretten en een enkel landschapje. Hij had een passie voor het militaire genre, voor charges van huzaren en manoeuvres van de veldartillerie en ontwikkelde zich tot een specialist, die te hulp werd geroepen bij het schilderen van het Panorama van Mesdag. Het gaf hem geen bevrediging. Hij schilderde een woeste charge, de opwervelende stofwolken, de vlokken schuim om een paardebek, de donderende hoeven. Maar de kritiek van die tijd verwachtte een natuurgetrouwe pose, met alle tressen en onderscheidingen goed zichtbaar op de uniformen, de knevels opgedraaid, de zon blinkend op het staal van de getrokken sabels.

Hij vond zijn ware hartstocht pas in de drukte van de grote stad. Niet in het mondaine vertier dat Isaac Israels schilderde, maar in vrouwen en fabrieksmeiden uit de Jordaan, in zwoegende stratenmakers, karrevoerders, zakkensjouwers, kruiers en heiers. Er is een uitspraak van hem bekend uit 1882. Breitner was toen 25 jaar oud, zijn woorden knetteren als een manifest. 'Ik zal de mensch schilderen op de straat en in de huizen (. . .) 't leven vooral. Le peintre du peuple zal ik trachten te worden of liever ben ik al omdat ik 't wil. Geschiedenis wil ik schilderen en zal ik ook, maar de Geschiedenis in haren uitgebreidsten zin. Een markt, een kaai, een rivier, een bende soldaten onder een gloeiende zon of in de sneeuw is net zoo goed en meer geschiedenis dan ''De nichtjes van Spinoza komen hem bezoeken vergezeld door hunne mama''.'

In Amsterdam werd hij als vanzelf opgenomen in de kringen rond de Tachtigers. 'Een klein ventje met een spits gezicht, levendige oogen en een puntig geel baardje. Bruine hoed, roode das, grijze overjas à l'artiste', zo herinnerde de componist Alphons Diepenbrock zich de schilder. Zijn intrede in de Amsterdamse kunstwereld - hij had al vaker in die stad geëxposeerd - veroorzaakte een schok. Hij werd even verpletterend geprezen als verafschuwd. 'Zoo heb ik nooit iemand gekend die door de zichtbare wereld in zulk een verrukking raakte', zei Albert Verwey achteraf. 'Ik had één zekerheid. De zekerheid namelijk dat ik dat geschilderde daar verstond. Het sprak tot me onmiddellijk; wat het zei wist ik niet; maar ik wist dat ik het verstond.'

Het Rijksmuseum kocht in het jaar van Breitners verhuizing naar Amsterdam het schilderij De Gele Rijders. De artilleristen stuiven door de duinen, de wolken stof die ze opwerpen onttrekken het geschut aan het oog. Er zit een enorme filmische vaart in het schilderij, de expressie was verpletterend nieuw. De Tachtigers herkenden er hun wereld in: 'Met enkele lijnen vol uitdrukking de actie van een paard of een ruiter aan te geven, zoodat er leven en gang en karakter in zit, staat hooger, dan lijntje voor lijntje, haartje voor haartje te volgen, al is het nog zo juist, die details welke men toch niet opmerkt bij een figuur in beweging of het waarnemen van een moment, terwijl zeker voor een impressionist het af zijn van een schilderij niet bestaat in massa's kleinigheden die men stukje voor stukje kan aanwijzen met den vinger.' (De schilder Mau van der Valk). Maar de heersende kritiek kraakte zijn impressionisme.

Over het schilderij Regen en wind uit 1890 raakte de recensent van het blad De Portefeuille lyrisch: 'Het is, dunkt mij, niet mogelijk de koude kleemerigheid van zo'n guuren regendag beter weer te geven.' De criticus A.C. Loffelt, Breitners grootste tegenstander, vond het een affront: 'Kan het de roeping der kunst zijn de leelijkste dingen der werkelijkheid nog afkeerwekkender voor te stellen, dan de werkelijkheid ooit is? (. . .) De drie Amsterdamsche dweilen, die door ''Regen en Wind'' loopen, ja zij geven door de verwaaide teekening en den flodderigen schildertrant zeer zeker de impressie van regen en wind; maar die impressie krijg ik ook als ik in het veld de kleeren van een vogelverschrikker zie fladderen.'

Breitner werd de belangrijkste impressionist van Nederland. Hij vertegenwoordigde de geest van de tijd. Hij drukte die uit in een overrompelende losse streek, die nog even overrompelend is gebleven. Hij was een van de belangrijkste kunstenaars van het laatste kwart van de negentiende eeuw, een baanbreker, tot anderen - in een nieuwe stijl en taal - de fakkel overnamen.

Op het laatst van zijn leven deed hij niet veel meer. Hij was ziek, arm en uitgeblust. Hij was op.

De impressionist werd in 1947 voor het laatst geëerd met een retrospectief in het Stedelijk Museum. Er was sindsdien in het museum, dat veel werk van hem bezit, altijd wel een schilderij van hem te zien, maar een tentoonstelling is er nooit meer geweest. Bijna vijftig jaar na de manifestatie van 1947 is er nu weer een groot overzicht van zijn werk, een initiatief van Rieta Bergsma en Paul Hefting, met tachtig schilderijen, vijftig tekeningen en aquarellen en veertig foto's.

George Hendrik Breitner (1857-1923) vormde met Isaac Israels en Willem Witsen de kern van de Amsterdamse impressionisten. Breitner staat apart. Hij schilderde een andere stad, in een ander licht, met een ander palet. In zijn werk is wel eens een mooie zonval te zien, maar er was een ander beeld dat hem fascineerde.

Hij zag een Amsterdam, dat iedereen kent maar huiverend ontvlucht: een grauw, grijs, somber, nat en kil Amsterdam, mistig en miezerig of bedekt met natte sneeuw, vol wolken erboven waar regen en kou in schuilen. Hij gaf het weer in een oneindige schakering van grijs. Een andere indruk, die hem fascineerde, was de vallende duisternis, het spel van weerschijn van het nieuwe elektrische licht, van een oplichtend gezicht in een diepe duisternis.

Er zit eenzelfde observatie in de schetsen van zijn stadsbewoners. Hij schilderde de beau monde niet, maar de meiden uit de Jordaan, de arbeiders in de bouw, de karrevoerders en hun werkknollen en liet zien wat ze deden: zwaar werk, slechts doorbroken in een enkel moment van schaft. Op het schilderij Heiwerk aan de Van Diemenstraat (1897) staat het dorstige gebaar van een heiwerker centraal. Hij grijpt zijn emaille kruik en lurkt hem in één teug leeg; een schreeuw van dorst.

Zijn werk kent een paar verre zijwegen. Ze vertegenwoordigen andere aspecten van zijn persoonlijkheid. Na een ziekte gaf hij zich over aan de nieuwe gril van de Japanoiserie in een serie portretten van een meisje in kimono.

Het zijstapje valt buiten al het andere. Zijn Japanse schilderijen zijn elegant en modieus. Hij volgt nauwgezet het ritme van de motieven en patronen in de kimono, het tapijt, het kamerscherm en bekleding van de bank. Het gezicht van het meisje is in zichzelf gekeerd, verloren in dromen. Een andere zijweg wordt gevormd door zijn naakten. Ze zijn aan het impressionisme van zijn stadsbeelden verwant, warmbloedig en hartstochtelijk. Ze werden als schokkend realistisch ervaren, een gevaar voor de zedelijkheid.

De waardering voor zijn werk was groot onder zijn collega's. Ze schrokken van de kracht van zijn expressie. Jan Veth erkende in hem zijn meerdere en zei dat Breitner zijn artistiek geweten 'wel eens benauwd maakte'.

Isaac Israels zag Breitners schilderij In de sneeuw - een sleperskar met drie paarden die een brug neemt - in de etalage van een kunsthandel in de Kalverstraat en vond het prachtig. 'Zoo zelfs dat ik geen lust meer had om verder te wandelen en maar naar huis ben gegaan. Ik dacht ik schei ermee uit, tegen zulk werk kun je toch niet op schilderen (. . .) Ik krijg van zijn werk altijd een opdonder, als iemand die ineens iets begrijpt, dat heel eenvoudig was, en daar uit stommiteit niet om gedacht heeft; enfin, als het zover komt dat ik er definitief door ben verpletterd dan verhuis ik naar Hamburg en ga ik daar de vischmarkt schilderen.'

Breitner was een korte periode welgesteld, aan het begin van de nieuwe eeuw. Hij werd geëerd met een grote overzichtstentoonstelling in 1901. De afwijzende kritiek van vroeger was doorbroken. Er werd nu, zelfs over zijn somberste kleuren lyrisch geschreven: 'Nooit hebben wij de zwarte aarde in zóó schoone schakeringen van diep donkere kleuren gezien (. . .) in een heiput, in den natten drassen Amsterdamschen bodem, hadden we wel nimmer de stof gevonden ter streeling van ons aesthetisch gevoel, totdat Breitner kwam.' Hij exposeerde al vroeg in het buitenland, maar zijn werk is er nooit doorgedrongen. Zijn palet was te somber, te drassig.

BREITNER was, in een betrekkelijk korte maar hevige bloeiperiode, de avantgarde in eigen persoon. In de begeleidende Breitnerstudie wordt zijn leven geschetst tegen de ontwikkeling van het expanderende Amsterdam. Rond de tijd dat hij er kwam wonen telde de stad 224 duizend inwoners, in 1920 683 duizend. Overal werden nieuwe wijken gebouwd, fabrieken, kaden, pakhuizen en graansilo's. De oude stad werd opengegooid met de doorbraak van de Raadhuisstraat. Hij volgde de slopers en de heiers op de voet en schilderde de straten zoals ze waren, vol wagens, karren, paardetrams, sjouwers en kruiers; de grachten vol zolderschuiten; in de bouwputten de stoommachines van de heistellingen, die witte wolkjes puffen naar de grijze lucht.

Hij schilderde op het Rokin het nieuwe verschijnsel fiets. Zelf moest hij er niet veel van hebben. 'Ik kan het maar niet goed te pakken krijgen, vooral met afspringen val ik nog steeds meestal en bezeer me soms nogal.'

Zijn straten droegen nog klinkerbeslag. In de taal van de Tachtigers zit het ongeduld van een aanstormende nieuwe eeuw, het ritme al haast van de asfaltjungle. De Nieuwe Gids (1894) schreef over het werk van Breitner: 'Hier is de mensch niet meer een wezen dat de Natuur ziet en geniet of bang wordt, hier is de mensch een bloedend van de barende, de eeuwig barende Natuur afgereten stuk natuur zelf, een los beest en de steden zijn hokken die de beesten zichzelf hebben gemaakt, maar waar ze doorgaan, doorjakkeren, doordreunen met hun paarden en karren, en waar ze illumineeren met roode en geele tramlichtjes en illumineeren met geluiden van bellen en kletsen in plassen en met oranjegeraas uit koperen lichtramen.'

De tentoonstelling laat Breitner zien van zijn vroege werk in Den Haag en Amsterdam tot de grote monumentale stadsgezichten uit zijn latere jaren. Hij gebruikte de fotografie als voorstudie voor zijn schilderijen. Hij was, laten zijn fotostudie's zien, ook een uitnemend fotograaf. Zijn werk lijkt ogenschijnlijk los en gemakkelijk gemaakt, maar zijn schilderijen werden vooraf gegaan door vele voorstudies in tekening, aquarel en olieverf, vaak voorzien van aantekeningen over kleur en licht.

Er hing een sfeer om hem heen van dat sombere, drassige palet. Voor de tentoonstelling is een aantal schilderijen gerestaureerd en van vergelende vernislagen ontdaan. Er kwam een frisse tint te voorschijn, een helder blauwgrijs.

Hij schilderde de ene keer realistisch nauwgezet, maar vaak ook in ogenschijnlijk losse vegen en vlakken. Hij kon in een enkele streek een impressie van vorm en licht geven, als een voorbode van een abstract expressionisme.

In het schilderij De Dam (1896) is alles te lezen op reclame- en uithangborden. Er zijn de 'massa's kleinigheden' op te zien, 'die men stukje voor stukje kan aanwijzen met den vinger'.

Waarom hij de ene keer zo expressionistisch schetste en de andere keer zo gedetailleerd schilderde is niet duidelijk. Misschien had hij plezier in de afwisseling. Misschien was er druk van de kunsthandel, de markt, hij moest ook leven. Mondriaan had ook een wisselende, op de marktvraag gerichte stijl in zijn jonge Amsterdamse jaren.

Breitner schilderde op de voorgrond van De Singelbrug bij de Paleisstraat (1896) een volksvrouw. Zijn kunsthandelaar maakte er bezwaar tegen, zo'n volkse voorgrond zou niet verkopen. Breitner verving de Jordanese meid door een flatteuze dame met bontstola en mof, hoed en voile. Het schilderij werd in 1912 verkocht voor ¿ 8100,-, een van de hoogste bedragen toen ooit voor een Breitner betaald.

George Hendrik Breitner in Stedelijk Museum Amsterdam, van 19 november tot en met 5 februari. Boek: George Hendrik Breitner. Redactie Rieta Bergsma en Paul Hefting. Uitgeverij Thoth, ¿ 69,50 gebonden, ¿ 49,50 paperback.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.